Duitsland als Medicijn July 30, 2009
Posted by ideeflux in : ++, Het Hart Helen , add a comment
Één kamer in mijn huis, mijn leven, heb ik gereserveerd voor de fantastische dingen die ik nog ga doen, voor dat wat nog invulling moet krijgen. Mijn hart slaat onregelmatig en daardoor bouwt het te weinig druk op zodat de rest van mij te weinig zuurstof krijgt. Alsof de molen in de leegte maalt, tevergeefs klapwiekt tegen een gebrek aan weerstand. Één kamer van mijn hart staat leeg, droog. Mijn vader had een studeerkamer. Hij was er nooit. Ik wil ontsnappen aan dat waaraan ik mij gebonden acht. Hier lig ik, tussen jouw rug en de muur. Waarom geef ik mijzelf zo weinig ruimte. Hoe kan het dat van de hele wereld die me gegeven is alleen dit kleine plekje is overgebleven.
Het maalt in mij. Mijnhart maalt droog en mijn hersens malen, vermalen dezelfde vraag tot stof. Waarom stond die kamer leeg in ons huis? Ik probeer de muren roze te schilderen, het meubilair te verschuiven. Waarom niet alle ruimte gebruiken, benutten. Ik hou van jou, dat hoeft geen betoog, maar waarom zou ik genoegen nemen met dit kleine plekje waar jij om de haverklap wil binnentrekken als een leger hongerige mieren?
Ik ga vroeger naar bed om een deel van mijn leven terug te veroveren. Op wat? Wat of wie eet mijn leven op?
Waarom gebruikt hij die kamer niet, waarom niet dat geschreven wat geschreven dient te worden, waarom niet dat geleefd dat als het ware smeekt om geleefd te worden. Het is zo ongekend wat in die kamer in mij, in die kraamkamer geboren dient te worden. Mijn hart maalt lege slagen omdat het niet gevoed wordt met dat wat essentieel is. Leegte is mijn leven binnengeslopen, de kamers om mij heen staan leeg terwijl ikzelf enkel een klein hoekje op de vergetelheid weet te bevechten.
Ik ga eerder naar bed en voel me trots op mijn eigen plek. buiten brult het leven om koffie en thee. Het gezelschap beneden, aan de andere kant van de deur, vergaapt zich aan levensdaden. Mijn zelfbevochtenheid gaapt in eenzaamheid. Hoe krijg ik het leven in mijzelf rond, de eindjes aan elkaar geknoopt, de leegte gevuld met vriendschap, werkelijke eigenliefde?
Ik ben mijn vader niet. En toch… de stenen die de ouders laten liggen moeten door de kinderen worden opgeraapt. Ik moet die leegstaande kamer vullen, het verlangen niet leeg laten draaien, mijn levensruimte invullen met warmhartige daden. Droom aan daad koppelen, liefde aan beweging, versmelting aan ruimte, inzicht aan horizon.
Mijn lichaam in breedte dragen, voldragen zijn, uit mijzelf eindelijk tot volle wasdom geboren worden.
Er staan allerlei herinneringen in de studeerkamer, als een monument van geleerdheid, als een monument van een eerder geleefd leven. Duitsland. Rivieren die door donkere wouden stromen, de hartklop van eenwording. Mijn vadersland, op jonge leeftijd door hem verlaten.
Al die tijd denk ik dat er een stofje aan mijn systeem ontbreekt, een elementaire bouwsteen. Ik spreek met Erika over mijn vroegtijdig ouder worden, vanwege haar heldere oogopslag, haar vitaliteit. Zij heeft Duitsland verlaten omdat ze het onverdraaglijk vindt in een land te wonen waar maar één taal gesproken wordt, dus ze woont in Brussel. Heel veel alternatieven heeft ze natuurlijk niet, Zwitserland misschien, maar dat vindt ze te opgeruimd.
En inderdaad, ze heeft iets voor mij. Iets voor planten. De naam alleen al vult alle lege ruimten in mijn wezen: Germanium. Keer terug naar daar waar je vandaan komt. Drink dat water, vul er het bloed in je hart mee aan. Wordt weer vol. Vol van zijn. Duitsland als medicijn. Duitsland, als symbool van alles wat je verwerpelijk achtte, van dat wat je verre van je wilde werpen, van dat waarvan je je nadrukkelijk wilde distantiëren, weer aan je hart drukken. Jezelf heel maken met dat wat je wegduwde. Duitsland als Jood van de wereld in je armen sluiten.
Duitsland heeft niet stilgestaan, het leeft, het beweegt, het ademt. Het heeft zichzelf in de ogen gekeken – iets dat degene die haar wegwierpen nadrukkelijk weigerden te doen. Het is vol van mooie jonge meiden, serieuze toegewijde jongens. Germanium, de vaten aanslaan, thuis komen in waar ik vandaan kom, vol van hart zijn, niets meer buitensluiten.
Degene met de Beste Argumenten heeft daarmee nog Geen Gelijk July 8, 2009
Posted by ideeflux in : Politiek!, ++, Het Hart Helen , add a comment
Ik zag de kop van de politicus weer opduiken die zich jaren geleden, volgens het bijschrift, de woede van zeer velen op de hals gehaald zou hebben. De gebroeders de Witt indertijd, bij de gevangen poort. Het hoofd dat te grazen wordt genomen door de darmen, d’armen van geest. Het hoofd dat al die tijd dictaten opdringt aan de handen, het hart, het onderlijf. Het ongelofelijk irritante van die gelijkhebberige blik, de afgeslotenheid daarvan, het zelfbeschermende, denigrerende, het hoog boven in de ivoren toren gejaagde. Ik herken mijzelf, mijn eigen moed der wanhoop wanneer ik met argumenten mijn eigen ongelijk met een intellectuele draai in een zegen wil veranderen. Niet luisteren naar dat wat er zo onbeholpen gezegd wordt, enkel omdat het zo onbeholpen gezegd wordt.
Als iemand niet in staat is zijn of haar betoog van de juiste argumenten te voorzien, zich in het daarvoor iedereen ter beschikking staande Algemeen Beschaafd Nederlands uit te drukken, dan hoef Ik als Hoofd daar toch zeker niet naar te luisteren. Ik kan toch zeker geen aandacht besteden aan elke burp, boer of scheet uit de regionen van de onderbuik.
En dan verbaasd staan te kijken wanneer de vandalen komen, wanneer het gepeupel, het losgeslagen straat gewoel, bij wijze van argument met een mes gaat zwaaien of een bom gaat gooien. En dan de voorspelbaar bekakte reactie van het hoofd. Hé, hé, dat hadden we zo niet afgesproken, zo doen we dat toch zeker niet in een democratie.
Het hoofd heeft zich niet alleen meester gemaakt van de macht, maar ook van alle machtsmiddelen. Het heeft zich de taal toegeëigend en een absolute censuur ingesteld op alle andere uitingsvormen. Alles wat niet door die censuur, de ambtenarij van het hoofd komt, alles wat niet van de juiste leestekens voorzien in drievoud wordt ingediend, wordt simpelweg niet gelezen, sterker nog: voor het hoofd bestaat iets eenvoudigweg niet als het bestaan ervan niet wetenschappelijk is aangetoond.
Dit plaatst het hoofd in het ongekende isolement waar alle alleenheersers mee te maken krijgen. Uit puur lijfsbhoud buigen alle ministers en dienaren als knipmessen en de zonnekoning zelf kan nergens een plekje schaduw ontdekken, omdat de donkere plekken nu eenmaal per definitie onzichtbaar zijn vanuit het stralende middelpunt dat hij zelf is. Zo meent hij in alle oprechtheid de volledig foute conclusie te kunnen trekken dat er geen schaduw bestaat.
Sire uw einde is naderende, uw koninkrijk houdt binnenkort op te bestaan. Wat zegt die man, wat is dat voor koeterwaals, kunt u dat voor me vertalen? Gooi die snoodaard buiten, hij vergat mij almachtige te noemen. Hij sprak niet met twee woorden. Hij beargumenteerde zijn stellingname niet correct. Wij duelleren hier met het floret, wilt u zo goed zijn uw houwdegen af te doen?
Het hoofd zal struikelen wegens het gebrek aan voeten. Om opnieuw te kunnen bloeien dient het hoofd opengebroken te worden. Dat hoeft geen bloedbad te worden, maar onvermijdelijk is het wel. Het is niet genoeg voor het hoofd om een andere taal te leren, zich bij te scholen. Het hoofd zal zich moeten buigen, zich willig dienstbaar moeten maken aan dat wat het eerst met koele blik meende te overheersen, het hart, de handen, de longen, de darmen, de seksuele organen, de dieren, het warme lijf van moeder aarde.
Lief hoofd, lief klein hoofd, huil je ogen nat, word zo klein als je bent, leg je moede zelf te rusten in je armen, in de armen van geest.
Allah July 2, 2009
Posted by ideeflux in : Politiek!, ++ , 1 comment so far
God heeft zoveel kleren aan, zoveel gezichten, zoveel namen. Elke naam roept in ons een ander aspect van Haar tevoorschijn.
Jezus noemde God Allah, de eenheid, het al.
Geven we God de naam Allah, dan openen onze ogen zich voor het geheel, alles wat we zien en wat we niet zien. God met de naam Allah nodigt ons uit om alles om ons heen met respect tegemoet te treden en om onszelf als onderdeel van dat geheel te zien. De waarheid van die naam openbaart zich in haar klank.
Toen het Christendom onze kant op kwam kreeg Allah de naam van God. In klank en woordbeeld lijkt deze naam uit te nodigen om Hem te zien als van ons afgescheiden. Een God waarvan gezegd wordt dat hij zich in de hemel bevindt. Die sommigen een beetje meer welgezind zou zijn dan anderen, die ons mensen heerser over de natuur gemaakt heeft. Een min of meer individuele God waarvan je hoopt, wenst en verwacht dat hij gehoor geeft aan de in zijn beperktheid misschien wat kinderlijke bede God zij met ons.
Jezus sprak van Allah.
Een taal is een wereldbeeld. In de vertaling uit het Aramees zijn de woorden van Jezus in een andere begrippenwereld, een ander levenspatroon, een andere geschiedenis terechtgekomen. Het is mogelijk dat we Hem nooit gehoord en begrepen hebben. Wat een tragische omweg!
Wij komen niet tot de Vader dan door de Zoon.
Wij komen niet tot Allah, het geheel, dan door onszelf, dan door onszelf zoon van het geheel te maken.
Allah is groot.
Ik ben de Deur June 21, 2009
Posted by ideeflux in : Dialoog met Zelf, ++ , 1 comment so far
In eerste instantie is er niets, althans, zo lijkt het. Witte lakens, wit papier, het gescheur van auto’s, een tram. Alle lichamelijke gewaarwordingen, het zitten, de rug, de vingers op het toetsenbord. Eerst lijkt er niets, maar als ik er met mijn vinger langs strijk komt er van alles tot leven, alles beweegt, ademt.
Eigenlijk is het meer dan genoeg, maar toch wil ik meer. Ik wil dat zich onder deze aanraking een deur opent. Naar wat? Goeie vraag, goeie strikvraag, goeie uitnodigende vraag. Het beantwoorden van die vraag is het openen van de deur.
Een deur naar weidsheid, naar een ver verschiet, naar openheid, naar vrede. Een deur naar een mooi verhaal, een deur naar een lang vergeten verhaal, een vergeten oksel, een vergeten vleselijke schuilhoek, een teder gebaar.
Er is zoveel in deze voorraadschuur. En het mooie is dat alles dat ik erin heb opgeslagen van waarde is veranderd omdat ikzelf veranderd ben. Als ik er nu iets uit haal en bekijk en het tegen het licht houd lijkt het zoveel aan waarde gewonnen te hebben ten opzichte van het moment dat ik het er in stopte. Elk voorwerp heeft aan aanraakbaarheid gewonnen. Elk voorwerp spreekt vanuit een diepere laag, een laag die ik er vroeger nooit onder vermoed kon hebben.
En dan is het nu het juiste moment dat één van die voorwerpen zich in mijn hand legt, zich in mijn hand openbaart. Er is nog geen voorwerp, maar de hand is er al, het houden, het in diepte doorvoelen.
Er komt niets. Dat wil zeggen… het overhemd met lange mouwen, zwart geel geblokt, mijn allereerste overhemd met lange mouwen dat ik tot mijn grote teleurstelling niet aanmocht omdat het zulk mooi zomerweer was, dat overhemd komt op onverklaarbare wijze binnenzeilen en ik had het bijna afgedaan als niet goed genoeg wanneer ik mijzelf niet beloofd had volledig eerlijk te zijn. Bijna had ik het roeibootje met God erin weggestuurd om op iets beters te wachten. Later ben ik dat overhemd of stukken daarvan nog tegen gekomen in de lappenmand. Ik moet het als poetsdoek gebruikt hebben bij het verven. Ik voel de stof die iets bobbelachtigs had nog in mijn hand. En daar doorheen de tederheid van mijn jonge huid, de huid van mijn jonge armen. Mijn jonge frisse wezen, als de adem van het meisje van de toneelschool dat op kusafstand gedichten aan me fluistert, haar ogen groot als meren, zacht, wijd romig, dromerig.
Ik had haar graag aangeraakt, maar in plaats daarvan raak ik nu mijzelf aan, mijn eigen jongheid, jonkheid, frisheid, dauwbedruptheid. Ik voel mijn eigen schoonheid op het moment dat ik schoonheid zie. Het is werkelijk waar, ik voel me altijd net zo mooi als het voorwerp of degene die ik bekijk. En er is zoveel schoonheid, er is… enkel schoonheid.
Ik heb mijzelf naar houden van geschreven. Naar het mooiste dat zich achter welke deur dan ook kan bevinden. En… alles kan die deur zijn, alles is die deur, wij zijn die deur naar alles. Wij zijn het voorwerp van liefde, van schoonheid, van stille aanbidding, van geluk, van vreugde.
Ik ben de deur naar de wereld. Door mij, jij, jullie, wij.
Door mij… ik, door mij… dit.
Elke Ziel een Zingen May 26, 2009
Posted by ideeflux in : Een nieuw Begin, ++ , add a comment
Ik kan horen dat het asfalt nat is. Het asfalt zelf zwijgt natuurlijk, maar in combinatie met de banden van de auto’s die eroverheen rijden zingt het, er klinkt een soort woesj geluid.
Als je goed luistert naar de manier waarop de antwoorden die je krijgt rondzingen in jezelf begrijp je wie er in jou aan het woord is.
Soms in een gesprek zie je iemands gezicht oplichten, je ziet een schittering in het oog van degene tegenover je. Dat is het waar je naar op zoek bent in de ander.
Precies zo zoeken we ons eigen fonkelend oog, het zingen van ons hart in de conversatie met onszelf.
Op het bouwterrein vinden de voorbereidingen plaats. Het terrein wordt schoon geschraapt door een aandoenlijk klein en ouderwets uitziend graafmachientje. Het doet vreselijk zijn best om de weg te effenen voor zijn grote broer, die het vlakgemaakte terrein bedekt met een vloer van stoere houten delen. De stalen platen van de damwand die hij later de grond in zal trillen, liggen al op een stapel te wachten.
Dit zijn de eerste stappen van een bouwproces dat naar verwachting anderhalf jaar gaat duren. Het gaat zo gecoördineerd, geduldig, zo toegewijd. Er is geen haast, er is goede samenwerking en onderling vertrouwen.
Wij bouwen. Wij hebben een idee en nu gaan we dat realiseren. We doen alles wat noodzakelijk is om het tot uitvoer te brengen, en elke stap in dat lange proces is even belangrijk en krijgt even veel aandacht.
Wij kijken van binnen naar buiten en dan weer naar binnen.
Nu zijn we dus weer terug bij de Ziel. Zij vond het heerlijk om dit te zien. Zo is het, zegt zij, zingt zij, stap voor stap. Elke stap met evenveel liefde. Elke stap onmisbaar. Elke persoon voor elke stap even onmisbaar, dierbaar. Elke stap een zingen, elke ziel een zingen.
Schil van Zijn May 25, 2009
Posted by ideeflux in : Een nieuw Begin, ++ , add a comment
Gewoon hier, vanaf hier. Het scheppen van zand met grote machines, het heen en weer rijden. Het zweet des aanschijns, het grondwerk, het grondverzet. Grote zware dingen verschuiven, de aarde openkrabben, de stevigte van de aarde testen. Er thuis komen door haar te ondervragen. Waar was je al die tijd?
De vreugde van het hervinden van wat al die tijd voor het op rapen lag en toch op een vreemde manier voor ons verborgen bleef. Weer terug met klei spelen. Vormen maken, de gedachten vorm laten krijgen.
Ik heb hem ontmoet. Het was erg goed, opzienbarend goed. Hij moet er al die tijd geweest zijn, maar omdat ik geen ogen had om hem te zien, was hij onzichtbaar, onvoelbaar.
In de hoek van de kamer, vlak achter je, naast je, staat een engel. Zij kijkt met liefdevolle blik op je neer terwijl je naar het scherm van je computer tuurt.
Open je back space now, je ruggeruimte. Open de schil van je lichaam, laat je van achteren vol lopen met… aanwezigheid, liefde, aandacht, ruimte. Laat Hem daar zijn. Overweeg zijn mogelijke bestaan. Parkeer het verstand in één voor de daartoe bestemde vakken.
Wij zijn niet meer dan de weerstand tot wie we zullen worden, de weerstand tot het ontworden van die weerstand. Wij groeien noodzakelijkerwijs als belemmering tussen onszelf en het veel grotere en op een raadselachtige manier wordt die weerstand onze woning, omdat er een schil nodig is om het oneindige te kunnen bevatten.
Wij zijn die schil.
Aan de voorkant heeft het alle schijn van realitiet. De wereld is daar en wij zijn daar, ons lichaam en gezicht vormen de spiegel van die wereld en alles ziet er bedriegelijk echt en afgebakend uit. Maar ga je naar de achterkant, dan is daar niets, of beter gezegd: daar ligt alles grenzeloos open als een vers geploegde akker onder een sterrenhemel, als een meer onder maanlicht, open in doorvoelende ontvankelijkheid, alles verbonden met alles.
Dat is de plek waar hij woont, waar hij vandaan komt.
Dit lied is nog lang niet afgezongen. Dit zijn slechts wat eerste wankele noten van een oneindige melodie, enkel een begin van doorzingen, van doorzongen worden.
De rietfluit is hol, als wij net zo hol zijn blaast zijn adem het lied dat gezongen wil worden in ons aan.
Veel en Goed May 13, 2009
Posted by ideeflux in : Dialoog met Zelf, ++ , add a comment
Om de Goden gunstig te stemmen strooi ik mijn eigen as over de golven uit. Offer ik mijn eigen eerstgeboren zoon. De bloem die uit deze bloem spruit. Het edelste wat uit de eigen continue evolutie voortkomt. Het uitvinden van onszelf, van het menszijn.
De verkeerde kant opgaan. Kleiner worden, zich door kleine politiek laten meeslepen, of door de ergernis daarover. Zich in kleinheid laten vangen.
In zichzelf het grotere, het ruimere water vinden. Het water waaruit je steeds opnieuw geboren kan worden.
Met deze zijn. Dat is al wat ik kan doen. Het ochtendlicht in deze kamer. Dit lijf. Niet de buitenkant ervan maar de binnenkant, het aanwezig lijf, het zijnslijf, het ademend voellijf.
Er is hier geen enkele verplichting. Ik heb niet de verplichting tot schrijven en u heeft niet de verplichting tot lezen. Er valt hier weinig te zeggen, er is enkel hier te zijn.
Toch kom ik tot u, tot U, tot mijzelf, tot Mijzelf met een vraag.
Het formuleren van die vraag is het tevoorschijn roepen van het antwoord.
Maar… wat is mijn vraag?
Mijn vraag huist in mijn buik. Ik voel haar. Ze heeft de vorm van zenuwachtigheid, gespannenheid, gebrek aan ruimte. Elke keer als ik een rol speel of een verhaal vertel ben ik zo zenuwachtig dat het mijn plezier vergalt. Het voelt niet goed. Ik zou dit gevoel graag kwijt zijn.
Ik voel me niet vrij. Ik kan niet in vrijheid ademhalen. Ik voel me verplicht. Ik moet van alles. Ik voel me als een ongewenst kind, als een kind voordat het geaborteerd wordt.
Hoe zou het zijn om mijn gevoel geboren te laten worden, op te laten groeien.
Wat gebeurt er als ik het de ruimte geef, laat galopperen in een ruimere weide?
Het uit de stal van mijn buik toegang geef tot mijn hele lichaam?
Het antwoord is ogenblikkelijk – voor de hand liggend en toch nog verrassend.
Vrijgelaten door mijn hele lijf verandert het gevoel van zenuwachtigheid in… levenslust, een gevoel van zinderend in leven te zijn.
Wow, dat is veel, veel en goed.
Is het te veel van het goede?
Nee, mijn weide is groot genoeg. Mijn weide is oneindig groot. Mijn weide is wijds en open. Mijn paard is dorstig en lustig. Mijn Heer is mijn herder. Hij zal mij geleiden, langs grazige weiden. Hij laat mij rust vinden in levenslust.
De Burka van het Verstand March 21, 2009
Posted by ideeflux in : Het Mompelen, ++ , add a comment
Er komt altijd iets naar je toe gegaloppeerd. Het draagt jouw masker, jouw naam. Het leven draagt jouw gezicht en staat altijd recht voor je.
Er is geen wet. Er is simpelweg geen ruimte voor een wet want het leven is er te vol van zijn voor. Duw je de oersoep met je kleine pollepel naar rechts, dan gaat de soep naar links. Zo brengt het leven je altijd feilloos bij dat wat je tracht te vermijden. Daarom wordt gezegd dat als je naar het vuur wil je bij het water uit zult komen. Wil je naar het water dan zul je je tot het vuur moeten richten.
Ik richt mijn pijlen graag op de burka van het verstand. Maar de pijlen die ik vanaf hier op haar afschiet kunnen het verstand niet raken. Zij wil graag alles logisch en [be]grijpbaar maken, zij wil dat wat onbewust of kwetsbaar of onbenoembaar is het daglicht van kracht en rede binnentrekken.
Dat is geen kwaadwillendheid, dat is zoals zij is. Dat is de wereld van dingen zoals die op haar komt toe gegaloppeerd. Dat is wat zij noemt: zoals het is.
Ik wil niet zeggen dat het goed is dat bepaalde mensen voorbestemd, vastgelegd worden om bepaalde rollen te vervullen. Ik wil ook niet zeggen dat het enkel fout is.
Onder de burka van het mysterie zijn vrouwen woordloze dragers van een groot geheim.
Komen ze eronder vandaan tevoorschijn dan worden ze vaak mannen met tieten, travestieten van onzegbaarheid, de harde peniskokers van hun borsten kunnen geen contact meer maken met de bron.
Wanneer we het onzegbare de kleren van woorden aantrekken, de harde contouren van logica, dan verdwijnt exact dat waar we naar op zoek waren. Je sluit je hand om iets in gene wereld en als je hem weer opent in deze dan blijkt hij leeg te zijn.
Dit is geen pleidooi voor vrouwen onder burka’s. Dit zou een betoog willen zijn van nederigheid. Maar daar is een adder. De Oersoep draait en wentelt. Ik wil het verstand tot nederigheid brengen, dwingen. Ik zie haar graag spartelen zoals ik moet spartelen.
Dat gaat niet werken, ik voel dat het niet werkt.
Als er nederigheid is, dan moet die bij mij zijn. Vanuit ons. Vanuit liefde, vanuit het geheim van de grote Burka in liefde zijn voor dat pedante verstand dat meent dat wat het door het kleine kijkstrookje daar bovenaan kan zien, dat dat alles is.
Jan van de Middenweg zegt: geef ieder het zijne. Hij sleet zijn dagen zonder te spreken en toch, velen zochten hem om het oordeel dat hij niet zou geven. Zijn huis was een Grote Burka, een Tora Bora. Als het verstand daar binnen kwam deed het automatisch zijn kleren uit en kwam als herboren naar buiten. Jan legde het verstand nooit het vuur aan de schenen. Hij trok zelf het kleed van nederigheid aan, dat hij voor haar bestemd had.
Tot Bestaan Gezongen March 14, 2009
Posted by ideeflux in : Een nieuw Begin, ++ , add a comment
Word weer naar de rand van de Oceaan gezogen, naar de oersoep, de bron, dat waar alles uit voortkomt en zing mijn lied van verlangen. Kijk wat ik los kan zingen uit haar armen, wat of ik tot bestaan kan zingen, in razendsnelle evolutie kan doen ontstaan, kan doen ontwikkelen tot glanzend schijnbeeld.
Ik ben een strijder voor het licht. Het zwaard van de lichtmeesters verandert in een bliksemflits wanneer ze het verheffen tegen het kwaad. De paladijnen, de gevallen engelen. Lucifer. Ik train elke dag anderhalf uur, ik ben zwaardvechter. Ik heb vier eden gezworen. Ik spreek de waarheid, ik gebruik mijn kracht om dat wat kwetsbaar is te beschermen. Mijn enorme buik is als een schild tussen mij en de wereld.
In mij huist iemand die kwetsbaar is.
Ik heb heel veel broers. Bij ons in het dorp zijn we allemaal broers van elkaar. Mijn vader was hoofd van het dorp. Hij had vijf vrouwen. In het dorp was geen elektriciteit, maar we wisten wel van het bestaan van Parijs, en dat het de lichtstad genoemd wordt, omdat het er altijd licht is. Het had van jongs af aan een ongelofelijke aantrekkingskracht op ons. We werden als het ware als motten naar dat licht toe gezogen. Onze gedachten werden als motten naar dat licht toe gezogen en later zijn we onze gedachten gevolgd.
Dat maakt het dat we hier zijn, dat ik hier ben, dat je me hier steeds ziet met telkens weer een andere broer. Bij ons is het normaal dat de jongere broer voor de oudere diensten verricht, dus laat die borden maar staan, mijn broertje doet de afwas.
Het is oudejaarsavond. Job en ik zitten rond wat er over is van de kerstkrans, één van de kaarsen is blijven branden en heeft zich een gat door de kerstkrans gegeten en schijnt door marsepein en glanzende korst heen. De vrouwen liggen op de matrassen, de broers slapen tegen elkaar aan op de bank, hun oogleden als merkwaardig kwetsbare kalligrafische lijnen. Net zo onverwacht als het zuivere roze van de tong die ze uitstaken om de hostie te ontvangen, het vlees van Christus.
Als we later naar de Périferique lopen blijkt alles volop in leven. Niks verlaten snelwegen. Het verkeer buldert 4 banen breed in twee richtingen en het stopt nooit.
Ik was dus met die vrouw mee naar huis gegaan, ze had me meegenomen. Ze was zo blij, ik maakte haar gelukkig. Ze noemde mij haar prins, haar chocoprince. Toen ik wegging gaf ze mij een overhemd mee van haar overleden echtgenoot. Ik vond haar ook wel leuk en daarom vind ik het jammer dat ik niet verder met haar kan, want ik had gelijk gezien dat ze het boze oog had. Ze had me meegetroond naar een café om iets te eten, maar ik wilde niet met haar aan één tafel zitten en dus zocht ik een plekje aan het raam waar de tijdschriften lagen, en toen werd ze zo kwaad dat ik het meteen door had. Later bleek ook wel dat ik gelijk had, want toen ik haar nog eens wilde opzoeken kon ik haar straat niet meer vinden.
De straat waar ze woonde was met huis en al verdwenen.
Ik luister naar de lichtstrijder met zijn helderblauwe, priemende ogen – ogen die onderzoeken of de woorden die hij spreekt in oprechtheid ontvangen worden – en ik word, dankzij die blik, ontvankelijk voor de waarheid die in ieder van ons leeft, de waarheid die ons, blijkbaar, tevoorschijn heeft gezongen. Omdat ik zijn woorden helemaal toelaat worden ook andere woorden, die ik voor zoete koek had aangehoord, die ik toegeeflijk als altijd over me heen had laten spoelen, weer wakker, weer springlevend en van vlees en bloed. De lichtstrijder die hij ongetwijfeld is verjoeg in mij de schaduwen van ongelovigheid, van cynisme, van twijfel aan andermans wezen. Daardoor kwamen oude verhalen eindelijk in mij tot leven, werden ze in mij eindelijk weer tot levende mensen, als zaad dat onwaarschijnlijk lang heeft liggen wachten op een regenbui. Begrijp je? Ongeveer zoals we het lichaam van Christus in ons weer tot leven kunnen laten komen.
Het was een gedenkwaardige avond. Het is een gedenkwaardig leven. Het is zo… eindeloos, om steeds weer verbazingwekkend, onweerstaanbaar, tot leven gezongen te worden, mijzelf tot leven te zingen, elkaar geboren te doen worden, in elkaar tot leven te komen.
Spoor in Bellenvat March 10, 2009
Posted by ideeflux in : Dialoog met Zelf, ++ , add a comment
In het middernachtelijk uur hier weer naartoe gezeild, de ontsnappingsartiest op zoek naar verse lucht, op zoek naar zijn eigen ziel. Hier dus neergeschreven dat het niet om de algemene waarheid gaat, maar om de mijne. Hierbij de vrijheid genomen, de eed gezworen deze persoonlijke waarheid te vinden en niet die van anderen. In dit nachtelijk uur daar opgewonden van raken, daar met opengesperde neusgaten naar luisteren.
Weet je, we hebben genoeg gewacht, genoeg gewacht en gezwegen. Het wordt tijd dat ik hartstochtelijk het leven ga leiden dat ik wil leiden.
Deze woorden zijn daar de deur naar, vormen de kleuren van de wanden van het huis dat ik aan het bouwen ben, dat ik aan het afbreken ben. Vanonder deze muren komen weer andere tevoorschijn, bekleed met steeds verdere verten.
Zo begon het dus, met een belofte aan zelf om zelf te vinden, om zelf te dienen. Hier in deze geborgenheid. Dat dit het begin is van die zoektocht, dat deze woorden geen verslag van die zoektocht zijn, maar de bouwstenen ervan, de materie. Dat deze tocht naar dat zijn zich ontspint in woorden, dat doormiddel van deze woorden het zijnde zich vindt.
Komt er nog iets van substantie? Ik kan niets beloven. Het kan zijn dat alleen het zoeken zich hier laat vinden, zo weinig en veel als dat.
Hij zit dus en schrijft en voelt zijn hart kloppen van leven. Alsof hij nieuwe landschappen betreedt. Ik zou graag een outline geven van wat hij zoal tegen zou kunnen komen, om deuren voor hem te openen, om dat wat structuurloos is, ongrijpbaar, toch enige vorm te geven. Misschien geven we hem een omgeving. Een situatie waarbinnen hij zijn onderzoek verricht, zijn graafwerk. Zijn herstelwerkzaamheden. Bezig met dat wat zich buiten hem bevindt raakt hij geïntrigeerd door wat zich aan hem voordoet. Als hij verwoed dieper graaft, schuurt, beitelt, komt hij niets tegen dan zichzelf. De ruwe ongepolijste versie van hemzelf. Het kunstwerk dat hij achterlaat is niet dat schilderij of die roman, maar zijn eigen leven, als een monument van… van zoeken, als spoor in bellenvat, als schietlood in onpeilbare oceaan. Niet tevergeefs, maar glorierijk bestaande uit richting van eigenheid. Spoor in onbekende getrokken. Uitgedoofd, opgelicht. Oplichtend.
Zo klein. Zo eigen.