Heilig de Zondag

Heilig de Zondag

De sabbat, een sabbatical jaar, een sabbatical leven. Give way to the greater pull. Wat is werkelijk van belang, wat zou je absoluut nog gedaan willen hebben, gezegd, gelachen, gezwegen?

Vanwege het zondagsgevoel heeft hij een ietwat gekreukeld maar krakend schoon overhemd aangetrokken. De rest van de dag ligt navenant voor hem, een beetje gekreukt door de slaapplooien op zijn gezicht, maar kakelvers. Een dankdag voor het gewas, voor alles wat er is. Deze dag hoeft er – eindelijk – niets nieuws bij te komen. Deze dag is – eindelijk – genoeg aan zichzelf. Bij deze man, dit leven, hoeft niets nieuws meer aan te komen waaien, kleurige klederdrachten, vreemde oude gebruiken, talen, de eigenheden waarin een cultuur uitdrukking geeft aan zichzelf. Zelfs de ontmoeting met een verlichte persoon staat niet meer zo hoog op de toch al afwezige agenda. De ontmoeting met die wijze kan hoogstens nog een innerlijke tegemoetkoming zijn, een innerlijk buigen voorbij zelfgenoegzame stramheid.

Heilig de sabbat, de woestijn, de kale vlakte, het niemandsland, het ongeboorte. Heilig de rots, het droge wachten, het niet-meer-wachten, het zijn-wachten, het zijn. Het meer van zijn dat ligt te wachten, dat altijd en overal dichtbij is als de volgende ademhaling. De volledige vervulling die binnen handbereik is, maar paradoxaal genoeg juist met het reiken er naar op afstand gezet wordt.

Of ik Levenslust?

Lenvenslust

Dit heeft me vaak geholpen, dus waarom nu niet weer geprobeerd. Wee gevoel, in de elleboog, de knie, de nek. Zelfgestelde diagnose over een zelfgecreëerde werkelijkheid. Niet zozeer de wil om gezond te worden maar wel om te ontsnappen aan dit zelf.
Niet zozeer kiezen voor leven, maar voor het sussen daarvan, het uitdoven, het eeuwig sluiten van compromissen ter wille van de lieve vrede, en dan de hele wereld, die je daarmee uitnodigt om als een luis op je zere hoofd te komen wonen, vervloeken.
Ik wilde meer, meer van iets nieuws, iets fris, de verlokkingen van de verte kortom, maar toen ik aankwam bleek het enkel meer van hetzelfde. Oh gladstrak staalblauw meer omzoomd door de prille lichtgroenheid van berkenbomen. Belofte van wat nog gaat komen, meer van de eeuwige jeugd, van het naar voren schuiven, van het oplossen door door te sturen naar later, naar anders, naar nieuwe vorm.
Ik ben nu onverhoeds in het spinnenweb van mijn trage zelf terechtgekomen. Niet zonder reden natuurlijk. Ik vertraag mijn stap tot ik omval, spin mijzelf in, maak een klein gaatje bij mijn nek en zuig zo de laatste levenssappen uit mijzelf weg, laat mijn lichaam als een verschrompelde lege zak achter.
Laat de kwaliteit van het resultaat dat je uiteindelijk wil bereiken, sturende zijn aan het proces dat je moet doorlopen om dat resultaat te boeken. Met andere woorden: als je iets moois wil, laat schoonheid dan je gids zijn. Als vrede je doel is, dan moet vrede je weg zijn. Als gezondheid je doel is, harmonie, liefde, laat deze drie koningen dan de juiste ster vinden, en volg die ster.

Wie is diegene die zich gelukkig meent te prijzen met de levenssappen die hijzij zo arglistig, zo genadeloos aan mij ontfutseld heeft? Die persoon ben ikzelf, natuurlijk. De uitleveraar – de compromissenmaker – en de uitzuiger zijn precies dezelfde figuur.
De eerste wil vrede tegen elke prijs, wil daar zelfs de hoogste prijs voor betalen, de tweede wil een gratis ritje naar het paradijs.

Ik laat het maar even staan zo, in disharmonie. Twee noten die elkaar nog niet kunnen vinden. Laat het toonverschil, laat de discrepantie, het kleurverschil, het verschil van mening nu maar eens mijn leidraad zijn, mijn proces bepalen. Als ik me niet vergis, is dit mijn nieuwe ster. Wat zou het kind kunnen zijn dat zich in dit badwater verscholen houdt, waar zou een proces van het benoemen van de tegenstellingen toe kunnen leiden? Laat het duidelijkheid zijn, laat het waarheid zijn, moge het gezondheid, vitaliteit en levenslust zijn.

Nachtleven

Nachtleven

Ik ving een nachtvlinder in mijn koplampen. Wij waren volledige vreemdelingen voor elkaar, ik in mijn machinewezen en dit dartelend vrije in de avondlucht.

Ik kan zien, maar ik ben ook blind. Ik ben voornamelijk een blinde en daarnaast kan ik ook nog zien. Mijn lichaam is als een blinde mol in de duisternis, het voelt zich een weg, het voelt zich een leven als een worm in een appel. De tempel van het lichaam is het voelpaleis, het voelparadijs, het zijnswezen. Het lichaam is altijd met gesloten ogen, naar binnen luisterend. Omat ik met mijn ogen het lichaam kan zien meen ik dat het lichaam zelf kan kijken, dat het zichzelf in licht baadt.
Ik heb nog steeds de onhebbelijke gewoonte om, zoals dat heet, vrouwen met mijn ogen te verslinden. Het is een rudiment uit een vorig leven waarin ik min of meer door mijn libido bestuurd werd.

De handen van de blinde vrouw masseerden mijn schouders maar reikten diep in mijn lijf, rechtstreeks naar mijn lust, mijn sluimerend verlangen. Er was onmiddellijke aanraking en herkenning, de brand sloeg uit, maar toen ik me omdraaide en naar haar keek, blusten mijn kijkers, mijn ogen, de afstandshouders van de ziel, de dienaars van de rechterlijke macht van mijn zogenaamde bewustzijn, ogenblikkelijk het lichaamsvuur. Ik zag haar blinde ogen en ontkende bij hoog en laag dat ik haar gekend had, ik loochende onze diepe verwantschap, onze gelijkheid, onze vriendschap, het diepe weten van mijn blinde lichaam.

De nachtvlinder lichtte helwit op in de koplampen, maar waarschijnlijk was ze grauw. Ze was één met de avondbries en de lichtgevende velden onder een donkere hemel. Ik was een vreemde in een niet-voelend lichaam met ogen op steeltjes.