Wie Weet?

Wie Weet?

Wie weet welke woorden waarheid willen? Waarom wijze woorden waarachtig wijzen?
Ik zocht mijzelf te bevrijden uit een web van woorden. Ik riep andere woorden te hulp, zoals heggenschaar, bijtel, cirkelzaag. Maar u weet hoe woorden zijn, ze laten niet af, ze zijn af en aan. Zelfs onder de woorden lijken zich woorden te bevinden.

Ik ben er pas sinds kort achter dat ik alles doe vanuit angst, misschien niet direct vanuit angst, maar wel met angst als basis. Ik doe alles met een basisgevoel van angst, van zenuwachtigheid, nervositeit, onbehagen, faalachtige gespannenheid, onzekerheid, onveiligheid. Vanaf zo lang als ik mij kan herinneren is dat gevoel mijn metgezel. En juist omdat het er altijd was heeft het zolang geduurd voor ik er achter kwam dat het er was. En nu wil ik het niet meer.

Ha, ha! Ogenblikkelijk klinkt er hol gelach.
Dat wat je niet wilt groeit door de aandacht die je het geeft.
Ik voel het in mijn buik. Zij zwelt op.
Een nerveus paard in een te kleine weide.
Ik ben niet dat paard. Ik ben die weide.
Ik maak mijzelf weider, wijder, tot over de horizon zo wijd.
Het paard freakt out, galoppeert, steigert, slaat met de achterbenen, net zoals Pico destijds op de binnenplaats van de manege, centre court van mijn angst.
Nu vermoeit en vermijt het zich in eindeloze draverijen, het afrollen van zand- en grashellingen, het slobberen van helder water. Zie het oog diep begroeid met mossen de hemel weerspiegelen. Grazen met de bek, het gras kort boven de grond afscheuren. Uit enkel gras en water zo’n fantastisch paardelijf opbouwen. Dat kan alleen een paard.

Ik ben zelf ondertussen geluidloos vertrokken. Tot voorbij de horizon. Het paard is niet meer dan een teken van leven, van levenslust in een eindeloze ruimte.
Dat is meer dan genoeg ik en zelf voor mij.
Wij laten het zo, wij zagen dat het goed was.
Wij verlieten onszelf omdat het er te benauwd was, te klein, te bedompt, te afgesloten.
Wij vonden onszelf aan de andere kant, weidser, groter, nauwelijks hoorbaar ademend. Het paard van aanwezigheid, van alertheid, snuift de precieze schoonheid van alles te voorschijn.
Wij begrijpen eerlijk gezegd niets van wat wij, het paard en ik, geschreven hebben, en toch voelen wij ons beter. Juist daardoor voelen wij ons oneindig veel beter.

Zo Moe[t het?]

Zo Moe

Het verhaal mist weliswaar innerlijke logica, maar juist daardoor raakt het aan de waarheid. Iemand waarvan de argumenten aantoonbaar onjuist zijn kan niettemin gelijk hebben.

Ik was zenuwachtig. Ik was tot brakens toe nerveus. Ik kon met mijn wal het schip niet keren. Daarom vaar ik niet meer. Ik vaar niet meer uit naar verafgelegen havens. Ik heb mijn schip op het droge getrokken, ik inventariseer de averij die ik heb opgelopen, ik rust.
Het zijn allemaal woorden, ik weet het. Licht als de lucht, wendbaar, afzienbaar. Hij creëert zijn eigen angsten door er voor weg te lopen, door de weerstand te voeden tegen dat wat er is.
Ik vraag aan mijn braken, mijn baken, mijn vraagbaak, waarom, hoe voel je je, wat is het dat je me wilt zeggen?
Het antwoordt simpel: je dwingt mij dingen te doen die ik niet wil doen. Je doet dat de hele tijd, mijn hele leven al val je me lastig met verwachtingen van anderen of jezelf. Leave me alone, ga buiten spelen.
Zou ik nooit meer zeilen om de klippen te vermijden, de tegenstromen, de windstiltes? Of zou ik toch nog leren te dansen met die zaken, die dingen, die innerlijke gestaltes?
Wij lagen in het gras, jij en ik, als een onmogelijkheid. Ik voelde me eindelijk weer eens groeien op de plek waar het zo lang stil was geweest, maar behendig en wijselijk weken we uit naar mijn droom.

Ik reed in mijn glanzend felblauwe bestelwagen, slordig, gehaast. Bij de ingang van de parkeergarage schampte ik het linkerportier tegen de deurpost. Even later nam ik een bocht te ruim en met auto en al dook ik anderhalve meter omlaag; ik reed nog wat snelle rondjes om te kijken of alles het nog deed.
Toen was ik opeens vanaf afstand aanwezig. Ik keek toe hoe ik de auto verkeerd parkeerde. Hoe ik gestrest, nonchalant opnieuw parkeerde. Ik zag hoe, toen ik uitstapte en de achterdeur open deed er allerlei zaken op de grond vielen.
Ik liep van achteren op mezelf toe, op mijn pijnlijk gestreste zelf. Ik legde mijn handen op mijn voeten, omarmde mijn benen, mijn hele zelf. Ik nam hem, mij, in mijn armen. Ik omhelsde, verwarmde, berustte.

Mijn hele leven, ik ben er zo moe van, zo oneindig moe… steeds weer voldoen aan wat ik denk dat ik… daarbuiten is zoveel zorgeloos leven, zoveel zijnsleven, zoveel geboren worden en sterven.
Ik houd mijzelf in mijn armen als een verlepte bloem, als een karkas, als een lege doos, een omhulsel.
Ik word omarmd als door de lentewind, een moeder, een geruststelling, een graf, een heuveltop.

Ik – als altijd – met mezelf

Ik met mezelf

Ik werd wakker in een vreemd land, in een vreemd lijf. De maan keek laag en strak mijn kamer binnen als een witte oogappel in een donker oog. Ik trachtte mezelf te vinden op de plaats waar ik me de vorige dag had achtergelaten, maar mijn levenslust – lees mijn geilheid – lag buiten handbereik. Ik bevond me op een andere plaats in mezelf, maar daar waren de deuren nog niet open, daar had ik mijzelf zogezegd nog niet ontsloten.
De weg vinden in een landschap zonder polariteit, zonder zuigende trekkracht, zonder richtinggevend verlangen.
Nog vrijer worden.
Ik probeerde terug te grijpen, maar niets hielp. Ik moest en zou met onzekere pas vooruit blijven gaan, buiten de begaande paden treden. Ik kijk op om dan tenminste ergens vandaan een vorm van leiding te vinden en gaap weerom recht in het gezicht van maan. In haar aangezicht, haar weerkaatsgezicht, haar blinde allesziende maangezicht. Zonder aanziens des persoons. Niet persoonlijk is zij en toch, of juist daarom, ook mij persoonlijk volledig omvattend. Zij straalt in mijn hart, in mijn wezen, mijn zijn. Zij straalt bij mij naar binnen, waar een ruimte zichtbaar wordt, zacht glooiend bebost, open. Het landschap van mijn jeugd, de eeuwige jachtvelden – ik heb er paardgereden.
Er zijn zoveel plekken geweest waar ik met mezelf alleen liep, steeds weer alleen liep. Niet teloor, maar verloren gevonden, mezelf gevonden in teloor lopen. Mezelf in die alleenzaamheid teruggevonden, mijzelf herkenend in die boom, dat stadsdeel, die brug. Dezelfde passen in dezelfde schoorvoetende nieuwsgierigheid. Voortgedreven door enkel de gewoonte om een volgende stap te zetten.
Ik zie mezelf daar lopen en kom mezelf daar tegen. Steeds weer. Gisterenavond nog, terwijl de anderen praatten over god-weet-ik-wat. Ik nam mezelf naar buiten of mijn voeten, mijn benen deden dat. Ik probeerde eerst nog even met de kinderen te spelen, maar zij hadden meer dan genoeg aan zichzelf. Toen liep ik om het huis heen en daar vond ik me. Zittend in een stoel, luisterend naar het vallen van de avond, de merels, het bronstig hert.
Ik kan mijzelf niet scherper definiëren dan de vager wordende schaduwen aan het eind van een warme dag. De wereld die de tijd nog even rekt met geluiden. Dan de nacht. Nu het doodshoofd van de maan.