Vogelenzang July 30, 2008
Posted by ideeflux in : Het Mompelen, +++ , add a comment
Ik had het me niet gerealiseerd toen ik door de deur stapte, maar… elke uitgang is een ingang. Op het zelfde moment dat je ergens weg gaat, kom je ergens anders aan. Tezelfdertijd. Zo vol is de wereld, er is geen plaats voor niets of nergens.
Ik hoef niet succesvol te zijn, ik herhaal het nog maar eens voor mezelf. Het duurt even maar dan is daar weer dezelfde ontroering als gisteren, dezelfde herkenning, de lichamelijke gewaarwording van waarheid, volheid. Geen lapje meer voor het bloeden, maar het bloeden zelf. Niets meer ophouden, niets meer te verwezenlijken dan hier, aan zelf genoeg zijn. Thuiskomen, thuis blijven. Deur door deur door deur. Door de draaideur bij mezelf uitkomen. Ten lange leste. Eindelijk.
Zo graaf ik mij manmoedig het geboortekanaal naar degeen die ik al die tijd al was en hoopte te worden. Ik graaf mijzelf een weg door mijn slokdarm omhoog, van binnenuit stoot ik de deur open en het zijn deze woorden die als eerste naar buiten komen vallen, als iets volkomen onbegrijpelijks, als iets totaal overbodigs, als een lied.
De Talibaan, mijn Vriend June 20, 2008
Posted by ideeflux in : Buikspreker, Vanuit de Schaduw, +++ , add a comment
Je vraagt om argumenten? Ga van ons land. Ga van ons land, ga van ons land.
Als je de essentie tot je neemt hoef je niet te eten. Kleine staalharde pillen, zwart als teken, door het hoogste gezegend. Mijn paard schijt enkel nog droge kogelharde keutels. Het zwart van onze ogen is een gat waardoorheen deze met gene wereld samenstroomt, het ziet zowel naar buiten als naar binnen exact hetzelfde landschap. Bloed en stenen. Er is aan niets teveel en juist dat is ons genoeg. Zo vallen wij terug op wie wij waren.
Herken je ons dan niet? Dat wat wezenlijk is in ons is het door jullie zelfgeschapen tweelingdeel, de schaduw van jullie zelfvoldaanheid, de ontkenning van je schuld, door jullie zelf doorheen de historie opgejaagd van land tot land van moord naar moord. Jullie hebben ons gemaakt tot wie wij zijn, wij hurken in de schaduw van jullie gedachten. Achter elke struik, elk rotsblok bevinden wij ons, wij zijn de schaduw die jullie zelf wierpen tot leven gekomen, dat wat jullie destijds achterlieten zijn nu onze wapens geworden. Wij zijn de vijand niet. In ons bevecht je de angst die huist in jezelf. Wij willen jullie vrouwen denken jullie, maar nee, zo is het niet. Dat jullie vrouwen ons zouden willen, dat is jullie angst. Ga van ons land.
Ik tart je ons te zien als wie we zijn. Indiaan, neger, Tibetaan, maori. Ik mag sterven, maar doodgaan zal ik niet. Je mag mij hangen, kruisigen, vierendelen, vermoorden, vergassen. Ik ben onuitroeibaar. Altijd sta ik op in jou als dat deel dat je gemakzucht, je ijdelheid, je hang naar een gemakkelijk leven weerspreekt. Ik leg de heilige boeken maar op één enkele manier uit, ik maak er een zwaard van, een rapier, waarmee ik jou kan scheren of kelen. Dat boezemt je angst in, is het niet? Dat ik in je slaap in je op zal staan. Dat jij je als mijzelf herkent ergens diep in jou. Dat je op een zekere dag wakker wordt en zal moeten zeggen, toegeven, mompelen, het was alles tevergeefs, het was een vergissing, ik wedde op het verkeerde paard. Dan zal mijn harde hand je zuivere vriendschap geven. Maar tot die tijd: ga van mijn land. Geef mij mijn land terug, mijn zinnen, mijn zuiverheid, mijn ongerijmdheid, mijn ongereptheid, mijn onschuld, mijn ongelijk. Geef terug mijn land.
Geef mij het leven terug, de horizon, de aarde, de lucht, het water en alles wat daar groeit. Ga van mijn land.
Ode aan het Onbedoelde June 12, 2008
Posted by ideeflux in : Lieve Gedachten, +++ , 2comments
Het verlies van bladeren, naalden, huidschilfers, roos, de kleuren die naast het schilderij terecht gekomen zijn, in de spoelbak, op het palet. Het zaad dat niet in vruchtbare aarde maar in lakens, in sokken, pyjama’s zijn voorlopig einde vindt. De woorden die weliswaar gezegd zijn maar nooit gehoord, wel geschreven maar niet gelezen. Dat wat met de wind verspreid werd en in een hoek van de tuin, op een plek in het bos, ergens onder een struik toevallig samenwaaide en daar een nieuw leven start. Een uitzendbureau voor dat wat kansloos geacht werd. De miraculeuze boom die daar op een goede dag uit groeit. Gedachten die terloops, nonchalant, betekenisloos, doelloos te hoop lopen, zich door broei en smet bevruchten, broedplaats worden van voosgedachte eieren en juist zodoende een geheel nieuwe theorie tot leven wekken. De geschiedenis van de kansloze overlevers, de teken, de taaien, de schubkevers, de schorsgravers. De restvorm die hoofdvorm wordt. Dat wat uit je kleren te voorschijn komt wanneer je ze uitschudt, tot leven gebracht, op rijm gezet. Al mijn vergeefsheid tesamengeveegd tot iets monumentaals en alsnog geëerd voor wat het waard is. Al die gedachten die geen vorm konden krijgen omdat het bed ervoor nog niet gespreid was, het beleg dat niet de rustplaats van een broodje vond.
Het smachten, het onvervuld wijdbeense. Tijdbladeren die van een kalender afdwarrelen en ik die ze opvang, er alsnog iets van maak, iets leuks, iets voor op de schoorsteenmantel.
Ik had een rode jas gekregen met gouden knopen. Tijdens de voorstelling hield ik de gordijnen open voor de paarden, de goochelaar, de contorsioniste. Dat wat na een voorstelling onder de circusbanken achterbleef verzamelde ik in een plastic zak. Op die manier gaf ik al die toevalligheid een nieuwe identiteit. Ik was dichter zonder het te beseffen. Ik verdichtte toevallige rommel tot de voorlopige identiteit van een gevulde vuilniszak, een kleine en misschien niet eens noodzakelijke fase in een eindeloze reis. Onze bewuste daden lijken zo vaak hun doel te missen maar het onbedoelde vindt altijd feilloos zijn weg.
Alles op de Juiste Plek June 3, 2008
Posted by ideeflux in : Het Mompelen, +++ , 1 comment so far
Ik loste bijna op in het zonlicht, het weerkaatslicht, het stoflicht doorheen ramen, winkelruiten, het verschuivend perspectief waarbinnen de avond viel. Hoe verder we kwamen, des te dieper viel de avond.
Ik kneep steeds mijn ogen dicht als een kat, ik spon. Later vond ik mijn plekje in een slonzig hotel. Slonzig niet als een verwijt, maar meer als een romige omhulling. Ik vind altijd mijn plek. Alles vindt altijd zijn plek, omdat alles net als water het laagste punt opzoekt.
Ik was met een groep mensen. Hun licht weerkaatste zich in de vensters van anderen. We waren transparant van toegankelijkheid. Door onszelf heen konden we de ander zien en doorheen de ander zagen we onszelf. Af en toe kneep ik mijn ogen dicht in het felle licht, het weerkaatslicht.
Alles, maar dan ook werkelijk alles ontvouwde zich zoals het… het had geen keus dan om – eenmaal losgelaten – de juiste plek in te nemen.
En ik dan, of, en jij dan, vroeg een verre schaduw van een oude vriend. We glimlachten. Het was eigenlijk geen vraag meer, sinds alles immers op de juiste plaats lag en ieder rustte in uitgelezen eigenheid. Vreemd genoeg leek juist daardoor alles ineens inwisselbaar. Gelijkwaardig, gelijkaardig
Wij droommompelden in onze halfslaap en schurkten op vriendelijke, lieve en dierlijke wijze onze lichamen tegen elkaar. In de droomwereld was blijkbaar geoorloofd wat in de wakkere wereld geheim had moeten blijven. In de droomwereld gebeurt blijkbaar wat in de wakkere wereld verboden is.
Alles krijgt altijd een plek. Ik zoek als water naar een uitgang van dit verhaal. Ik hoop mij op tegen de drempel, ik lek weg langs een spleet in de rotswand. Ik lig in jouw armen, in Orfeus armen, in de armen van de Grote Moedergod. Ik fluit door mijn neus. Ik doe niets en doordat ik niets doe wordt het juiste gedaan.
Als dan toch nog eens… April 23, 2008
Posted by ideeflux in : Het Mompelen, +++ , add a comment
‘Ik ben het oog van de wereld. Mijn meer is het oog van de wereld, ik kan alles zien. Ik kan dan misschien wel niet overal naartoe – wegens gebrek aan water – maar ik kan wel alles zien, achter alles zien. Ik kan zelfs met dat wat ik niet kan zien in verbinding treden.’
Karper was innig tevreden met zichzelf zoals hij lag te peinssoezen tussen het mosgroen, het goudgroen. Dwars door het koele water behielden de zonnestralen hun warmte, hij voelde hoe ze op zijn schubben weerkaatsen en toch warmte achterlieten. ‘Schitterend,’ mompelde hij voor zichzelf het woord dat hij vond passen bij de situatie waarin hij zich bevond. Het was opmerkelijk. Karper was zich terdege bewust van zijn eigen schittering, zijn eigen goddellijke verschijning, zijn eigen majesteit, zonder dat hij er op een of ander manier mee op de loop ging.
‘De wereld rijpt in mij en ik rijp in de wereld… hmm, zo goed, zo fluistergoed, zo één in ander, zo ik in ander. Ik in karper, karper in meer, meer in wereld, wereld in meer, meer in karper, karper in mij. De wereld is een legpuzzel waar gewoon geen plek is voor een ontbrekend stukje. Zij is altijd kloppend, altijd vol van zelf.’ Het was zalig. Dit was het optimum. Niet bewegen, hangend in het water, overpeinzen. ‘Tot ontstaan komen door te laten gaan van bestaan.’ Karper maakte een hele flauwe beweging met zijn staart. Niet om vooruit te komen, oh nee. Enkel en alleen om wat water langs zijn gladde lijf te doen stromen, wat fris water door zijn kieuwen te laten gaan. (more…)
Ik ben de Brug naar Nieuw April 21, 2008
Posted by ideeflux in : +++, Het Hart Helen , 1 comment so far
De hoge piep van een vrachtwagen die achteruit rijdt. In mijn droom zoen ik steeds jonge vrouwen. Omdat alles wat ik droom voor een aspect van mijzelf staat, verlang ik er blijkbaar naar om frisheid te liefkozen, mijn eigen frisheid. Mijn eigen bedauwdruppelde huid.
Mijn eigen nieuw zijn in oudheid.
Als het zacht weer is kunnen wij onszelf eindelijk weer eens binnenstebuiten keren, onszelf luchten. We waren gisteren allemaal op de been of fietsend, een tikje verbaasd dat alles er nog was, dat wij er zelf nog waren. Goedkeurend knikten we naar elkaar. Een vrouw was op een geïmproviseerde manier haar ramen aan het zemen, ze lachte tegen mij. Tegen mij!
Wat gaat dit voor zomer worden? Zon op huid. Langzaam het water inlopen tot je er door bent, om even later weer op te drogen aan de warme lucht. Vogels zien, bloemen. Het zich ontvouwen van de bladeren, de frisse nieuwsgierigheid van jonge dieren.
Uiteindelijk bleek mijn auto niet meer te repareren. Toen de cylinderkoppen waren afgevlakt en met een dikkere koppakking weer gemonteerd, bleek het carter compressie op te bouwen. Een nieuwe motor was de enige mogelijkheid, harttransplantatie. Ik heb mijn auto voor 100 euro verkocht, maar mijn hart houd ik. Ik heb geen zin in transplantatie, dat lijkt me niet zinvol. Ik houd mijn eigen hart, hoewel mijn hart net zoiets heeft. Het maakt geen volle slagen, de slagen die het doet zijn niet voor 100% effectief. Ik ben zelf niet voor 100% effectief. Misschien wordt er compressie in het carter opgebouwd, misschien is er iets met de kleppen.
Het is moeilijk volledig te rusten in iets wat niet rustig is, maar het is wel mijn hart. Ik wil het ermee doen. Ik heb haar zelf zo in mijn borst laten groeien.
Als alles omkeerbaar is – en waarom zou dat niet zo zijn – dan groeit zij weldra tot rust in mij. Ik groei weldra tot rust om haar, als een brug over woelig water, zo vlij ik mij neer.
Het Onsegbare April 17, 2008
Posted by ideeflux in : Een nieuw Begin, +++ , add a comment
Dit hier is een mesthoop. De plek waar dode rotte bladervragen terchtkomen, uitgedroogde haarpunten, slijm, snot, de dagelijkse lichaamsuitscheidingen, de uitgediende woorden. Alles wat me niet meer van nut is komt hier terecht. Degene die ik ben wordt in leven gehouden door wat nog onontbeerlijk is, niet af. De vragen waarop nog geen antwoord is gegeven, de woorden waarvan ik de betekenis nog moet doorgronden, dat wat nog geen verhaal wil of kan worden: het raadsel, het onsegbare, het gezwegene, dat is waaruit ik besta en dat is wat me doet voortbewegen, dat wat in mij nog maar een kiem of een zaadje is.
Ik ben alles vergeten en toch hecht ik eraan boven op al het afval, het afvallige, dat wat niet meer mee hoeft te doen, gedaan is, afgedaan, doorwrocht, doorploeterd, doorzocht, doorgeneusd, ontneusd, dat ik daarbovenop nog een laagje huisvuil drapeer – dode bloemen of zo, uienschillen, preiresten – dat het aanzien waard is, dat het er een beetje goed uitziet voor de buren, dat het de toevallig voorbijkomende zwerver toch uitnodigt er met zijn wandelstok een beetje in te porren om te kijken of er nog iets van zijn gading bij is. Een aantrekkelijk laagje laatse afscheiding. Voor zolang het duurt natuurlijk. Het proces van afscheiding mag dan wel onregelmatig zijn, het is ook permanent.
Toch gebeurt het soms dat, als je je zak van overtolligheid, van gedane doen, van gedachte denken, uitstort op de mesthoop je opeens op een onverwacht juweel stuit. Een bloem die niet uitgebloeid is, een knop, een bol, een wortel waar nog een hele boom uit zou kunnen groeien. Een kind dat je bijna met het badwater had weggegooid.
Ik heb dat veelbelovende bovenop gelegd, – het is het eerste woord dat u gelezen hebt –zodat ik, als ik de volgende keer hier kom, het weer zal zien, er weer naar zal kijken.
Ik heb groote syn er aen te proeven, te ruycken er mede te speelen, het doar mynne haenden te laeten gaen. Min ygen spraeke te spreken. Min fryheit te voelen, te foelen, te foolen. Alles wat ik op un unbegriepelycke wijze weet, om datt toe forgeten. Op te staen ut d’n dood, ut d’n sluymer, ut d’ underdrucking, het terneerdrucken, het slaefmaken, dat dat wat meent te weten doet met dat wat noch ende nyt ende weet. Ik hys en nye flag! Ick huys en nye Siel! Ick sing en Ny lied!
Jonkheid April 14, 2008
Posted by ideeflux in : Dialoog met Zelf, +++ , add a comment
Jij kwam in mijn leven als uit een droom. Alsof iets wat ik altijd gedroomd had werkelijkheid werd. Je frisheid, je lach, je optimisme, je schoonheid.
Het was geen droom, het was een herinnering. Ik keek naar mezelf. Door naar jou te zien werd er iets jongs en moois en voor altijd levend in mij weer wakker.
Het leven zit zo… goed in mekaar, zo kloppend. De mastodont die ik ben draagt jouw jongheid, jouw jonkheid, jouw stralendheid aan zijn weerbarstige binnenkant. En diep in jou, aan de binnenkant van je stralendheid, woont een oude dynosauriër. Daarom herken je mij. Daarom ga je me uit de weg, maak je je uit de voeten
Nochthans dansen wij. Wij dansen de hele tijd samen in wilde levendigheid en klamme slow-motion. Alles, iedereen, alle gebaren. De schoonheid en het beest wervelwinden over de dansvloer, mijn binnenkant huwt zich aan mijn buitenkant, gaat weg op reis, komt weer terug. Jij blijft voorlopig je eigen donkerte ontvluchten door liefdes schijnbwegingen, door flirten en door lachen, door eindeloze lichtvoetighied. Ik ga niet eens achter je aan, ik hoef geen moeite te doen je te achterhalen. Als vanzelf val je als een rijpe appel in mijn liefhebbende handen. De tijd is aan mijn kant van de zwaartekracht. Alles valt uiteindelijk naar me toe.
Daarmee is lichtheid niet ontkend. Daarmee is lichtheid nog steeds de oogappel van mijn bestaan. De reden van mijn zijn ben jij. De benen om op te gaan, de schaal die alles bij elkaar houdt, het vat, dat ben ik.
Tactiek April 14, 2008
Posted by ideeflux in : Het Mompelen, +++ , add a comment
Ik sla de deken van me af om te zien wie ik ben.
Ik ben een man vandaag, maar ik heb nog geen flauw idee van zijn naam of van wat zijn bezigheden zijn. Het gevoel van niet volledig geïnformeerd te zijn komt me overigens wel bekend voor.
Hij heeft een leuk huis, een aangenaam bed ook. Hij trekt de deken nog even over zich heen en wordt twintig minuten later weer wakker. Er is geen informatie bijgekomen. Hij stapt uit bed en loopt met eerste wankele schreden naar het toilet. Het is volledig werktuigelijk, gestuurd door een innerlijke drang en toch geeft het richting aan zijn nog maar zo korte bestaan. Een verdieping lager komt hij hier terecht. Hij typt neer wie hij is en wat hij tot nu toe gedaan heeft. Dat is niet erg veel. Hij kan hier nu gaan zitten wachten tot er iets nieuws bijkomt, zich er iets nieuws aan hem toevoegt dat het waard is vermeld te worden.
Hij verroert zich een hele tijd niet, maar om hem heen lijkt alles een en al beweging, de lucht trilt van de dr…
- ‘Kom eens een stapje dichterbij. Daal eens een stapje dieper af in… ja, in deze.’
- ‘In wie nu weer,’ vraag je.
- ‘Ik nodig je uit in deze af te dalen, de voor de hand liggende, de enige echte mogelijkheid als het ware.’
Maar je wil niet, je klampt je vast aan je veilige wolk van onbewustzijn, de schuilhut van je tegenzin.
Nu moet ik tactisch zijn, voorzichtig. Ik moet niet boos worden of ongeduldig, het moet veilig voor je zijn hier beneden, veilig en aangenaam. Je moet blijkbaar een goede reden hebben om naar beneden te komen. Ik moet een goede moeder voor je zijn, een liefhebbende vader. Ik ga naar beneden en dek de ontbijttafel. Dat is al in geen jaren meer gebeurd. Jij kijkt vanuit de hoogte argwanend toe. Is dit een valstrik, wordt er iets van me verwacht, moet ik weer iets?
Liefhebbende ouders zijn zo mogelijk nog minder te vertrouwen dan boze. Net als verkeer bij een stoplicht. Op rijdend verkeer kan je je oriënteren, maar stilstaand verkeer is onberekenbaar.
De garageman is onder de auto gekomen. Het was zijn boodschappentas die ik bijna twee maanden geleden opengebarsten op de straat zag liggen.
Nu moet mijn auto gerepareerd worden en het vordert maar langzaam. Eerst waren ze met zijn tweeën, maar nu moet Peter alles alleen doen. Hij houdt mij met overtuigende beloften aan het lijntje. Het zijn leugens. We weten het allebei. Ik laat mij doen. Ik wou dat ik iets had om me over op te winden, dan zou ik in no-time beneden zijn, aanwezig, alert, eisend, maar er is niets. Ik zou vorige week vertrekken en ik wacht nog steeds. Het beangstigende is dat het me niet uitmaakt. Dat ik net zo graag hier ben als daar.
Dat ik net zo graag hier niet ben als daar niet ben.
Dit Samenzijn March 29, 2008
Posted by ideeflux in : Het Mompelen, +++ , add a comment
Even had ik het gevoel dat ik had begrepen wat schrijven was. Creëeren.
Eerst is er iets waar je naar verlangt, waar je nieuwsgierig naar bent. Je noemt het terloops en later komt het onverwacht je regels binnengeslopen, op kousevoeten. Je roept iets naar de grote berg van het leven en de echo komt naar je terug en dan ben je verbaasd dat wat er naar je toe komt er zo bekend uitziet. Dat laat zich niet verzinnen. Dat gebeurt als je het verzinnen opgeeft. Hoe kom ik in die staat van me laten gebeuren?
Dat was geen vraag voor de rots, de rots in de zon, de berg aan informatie, het geslotene dat zo open is. Licht weerkaatst tot diep in de steen, licht weerkaatst door de steen. De warmte van de buik trekt in de steen en de warmte van de steen klimt omhoog in de buik van dat wat met volledig waakzame allertheid en intelligentie alles gadeslaat. Elk bewegen. Elk bewegen.
Het giechelen, de nabijheid van vertrouwde onnozelheid, het namen noemen van elkaar, het flirten, en de zon waaronder dat gebeurt. De zon van aandacht. Onder zijn of haar eigen zon lopen.
Wie ben ik?
Er zo’n verlangen naar hebben dat enigszins te weten. Het vermogen te hervinden zichzelf in enkele welgekozen woorden neer te vleien als een panter op een rots. Te zien waar het over gaat, wat de essentie van dit afdalen is. Dat wat we steeds trachten te vermijden terwijl het onvermijdelijk is.
Kom mij te hulp, Grote Geest, strek je hand naar mij uit. Ik tol in het rond. Gadegeslagen door amberkleurige ogen, twee van die ogen en de zon.
Het giechelen is verstomd. Ik ben al veel eerder aan de afdaling begonnen. Ik sta mezelf op te wachten. Hè, hè, ben je daar weer, eindelijk. De één kijkt met een licht verwijt en onderzoekende nieuwsgierigheid, de ander met een mengeling van trots en beschaamdheid. Ze besnuffelen elkaar. Dan vertrouwd weer, getrouwd, getrouw, vervolgen ze hun weg naar de plek waar ze blijkbaar wezen moeten. Hier op deze harde grond. Ik en, naast mij, degene die naast me loopt. Ik met mijn neiging om wanneer het enigszins mogelijk is te vertrekken en hij, die me overal zal volgen.
Wat is het dat mij hier te doen staat? Ik vraag het.
Hij glimlacht niet. Hij zoekt naar woorden. Ik zoek naar de woorden die hij zal spreken, ik oefen het zwijgen waaruit zijn woorden zullen opklinken.
Kom eerst bij zinnen, de rest volgt dan vanzelf.
Het amberkleurige knijpt zich even samen. Ik knik.
Dit samenzijn is het zo’n beetje wat ik hier kom doen, is het niet? Er wordt gezwegen. In mij wordt nadrukkelijk gezwegen.