Mijn Naam January 5, 2008
Posted by ideeflux in : Tot Jou gesproken, +++ , add a comment
Ik hoorde mijn naam roepen met dat wat ik dacht dat een Oost-Europees accent was. Er moest iemand buiten staan, hier in de sneeuw in Uppsala. Ik gleed mijn bed uit, tot Nina mij terugriep: je was het zelf, je droomde, je riep je eigen naam in je droom.
De avond tevoren was het weer zo geweest dat ik als een gast, als een vreemde, door mijn eigen leven liep. Ik was op de sofa gaan zitten. Wat gebruiken we woorden toch achteloos. Al deze raadsels om ons heen en wij gaan op ze zitten alsof we weten wat ze zijn. Buiten viel de sneeuw uit de glazen hemel.
Sneeuw, witte vormen traagvallend, slowmotion. De lucht is een soort vloeistof. Wij wandelen op de bodem van een nauwe oceaan, de vogels zijn de enige vissen. Wij happen naar lucht.
De kat komt langslopen. Ik weet niet wie hij is. Het lamplicht valt zijn ogen binnen. Hij kijkt in mijn richting. Hij weet ook niet wie ik ben. Hij neemt niet eens de moeite een naam voor me te verzinnen, hij is thuis in de naamloze wereld, ik ben daar alleen af en toe te gast.
Wie riep mij zo-even? Ik dacht dat het mijn leraar was, mijn meester, degene die ik de rug heb toegekeerd, die ik uit mijn hart heb laten vallen als een steen. Was hij het die me riep? Ik probeer mijn hart naar hem te openen, maar er is niets dat resoneert. Dan moet het iemand anders zijn. Je was het zelf zei Nina. Ik was het zelf? Wie is dat dan, wie roept mijn naam met een donker accent, wie staat er buiten in de sneeuw, zo ver weg van huis? Dat wat geen naam heeft kan mij bij naam noemen. Hoe noem ik mijzelf, hoe spreek ik mijzelf aan? Het moment waarop je een kind de naam van een vogel leert is precies het moment waarop het kind de vogel, dat onnoembaar raadsel, voor de laatste keer zag.
Misschien geldt dat ook voor je eigen naam. Het moment waarop je leerde hoe je heette was precies het laatste moment waarop je jezelf, dat onnoembare raadsel, voor de laatste keer zag.
De ogen van de kat kijken glasachtig naar mij. Het lamplicht weerkaatst erin, het onnoembare kijkt mij aan. Ik roep mijzelf, ik roep degene aan in mij die geen naam heeft, het naamloze. Het lamplicht valt mijn ogen binnen, hoog uit de hemel sneeuwt het. Ik roep om binnengelaten te worden. Hij denkt dat ik zijn meester ben. Ik ben het zelf die roept. Hij kent zichzelf alleen maar bij zijn naam. Ik roep hem als naamloze. Vaak laat hij mij roepen, maar nu laat hij mij binnen. Wij zitten warm op de sofa. Ik groet u, ik roep u, ik roep u bij uw naam, maar degenen die reageert, die zich kent bij zijn of haar naam, diegene zoek ik niet.
Ik zoek in jou diegene die geen naam heeft.
Desondanks December 28, 2007
Posted by ideeflux in : Het Vernietigen, +++ , add a comment
Hoe stevig een toren ook gegrondvest is, dat wat zich in de toren bevindt zal er alles aan doen om de toren teniet te doen, neer te halen, af te doen breken. Wij denken dat ziektes slecht zijn, vermijd dienen te worden, maar, is dat waar? Wij zijn als torens tegen elkaar geplaatst, het zuur uit de ene toren tast de grondvesten uit de andere aan. Als de vijand een stad of een kasteel verovert kan hij twee dingen doen. Of hij maakt het zich eigen, versterkt de schansen en wordt weekdier in andermans schelp of hij breekt de toren tot de bodem af.
Guy de Maupassant schrijft steeds weer over hoe edele jonge lieden zich vergrijpen aan de weerloze dochters van diegenen die hun dienen. Hoe dat wat zogenaamd edel is zich buiten zijn eigen muren tegoed doet aan dat wat groen en fris is, hoe het zaad als salpeterzuur de omgeving vergiftigt, en uiteindelijk door schuldgevoel of misplaatste heldhaftigheid, vaak geholpen door alcohol, het brein verwekelijkt. Of hoe er sprake is van een vreemd soort gerechtigheid wanneer het stuifmeel van de ene boom de andere bereikt, ondanks weer- en afstand. De weeromstuit is altijd in actie. Torens staan vaak in poelen van mistroostig groen water. Waar komt dat water vandaan? Wie heeft er zoveel gehuild? De jonkvrouwe die erin opgesloten was? Het vrouwelijke dat zich hoe dan ook zal bevrijden, is het niet ondanks dan toch zeker dankzij de muren die haar gevangen houden. De muren als transportmiddel, de muur als deur. Torens vol schaamte, vol schuldgevoel, dansen ongemakkelijk op hun grondvesten, geen steen blijft op de ander. Hoe hoger de muur, hoe dieper de val, maar vaker is het een krachteloos verglijden, iets van ontbinding, inlossen. Het heeft met verlangen te maken. Verlangen naar vergetelheid, naar gehouden worden, gezien worden, naar zelfkennis. Niet het slijpen van de geest, maar haar vermolming schijnt verlossing te brengen. Wijsheid desondanks. Zwakheid als meesterlijke eindzet in een lange schakeling van opeenstapeling van stenen. Oude muren die schuldbekennen. (more…)
Buurman van Dakloosheid December 8, 2007
Posted by ideeflux in : De Toekomende Tijd, +++ , 2comments
Ik gleed met mijn geschreven voeten over de lakens mijn bed uit. Of eigenlijk waren het de voeten van Anna Blaman, want ik had net een verhaal van haar gelezen en het was net of alles zich enkel nog door haar woorden aan mij voor wilde doen. Met dat precieze voelen, maar ook met dat verhaal over de wereld, dat tussen ons en de wereld in kan gaan staan. Deze voeten, dit laken. Deze persoon met dit gemis, alsof het leven iets anders zou moeten zijn dan wat het klaarblijkelijk is, zodat het leven eigenlijk nooit woordloos genoten kan worden, nooit tegemoet getreden als iets onbenoembaars zijnd.
Ik bekommer me er allang niet meer om begrepen te worden. Zo lijkt het althans. Zo laat ik ongearticuleerd de woorden uit mijn mond kruimelen, morsen. Een morsige man, nurks. Het blauwe licht dat uit de wat hoger gelegen kamer schijnt. Met flarden muziek, een man en een vrouw die zich afzonderen van het feestgewoel. Hun schaduwen die zich naar elkaar neigen op het balkon. Als gazellen, als dorstig.
Ik las haar Eenzaam Avontuur toen ik in mijn eentje aan het liften was. Ik liftte als het ware gelijktijdig door dat boek en door Zuid-Frankrijk. Als ik niet meegenomen werd, zat ik uren in dat boek, als ik wel meegenomen werd zat ik in een auto. Ik nam eigenlijk nooit de moeite te vragen waar we precies heen gingen. Ik vond het al heel wat dat we vooruitkwamen, dat het bewoog, dat het landschap om ons heen bewoog. Dat de globe een ander deel onder ons tevoorschijn draaide als een toverbal. Ik was toch eigenlijk al die tijd al precies waar ik wezen moest. Net als nu. (more…)
De Herfstsint December 5, 2007
Posted by ideeflux in : Gedichten, +++ , add a comment
De wintermaanden knagen weer
aan hemelpoort
van rustloos zeer
en dragen vage vragen weg.
Of vragen daaglijks vaaglijk: zeg
hoe was dat vroeger toch ook weer
met bordkarton en schaar en lijm
en woorden steeds op zoek naar rijm.
Zo vallen wij reeds ruggelings
in gaten groter dan geheugen
wij vallen aan het woord voorbij
wij vallen sneller dan de leugen.
Waar vind je troost als alles valt
als alles eindloos einde vindt
in bladervallend bad van wind
dat zinloos zich tot zinnen balt.
Wij kunnen zijn slechts in het gaan
en enkel in het vallen staan
herinnering aan een gemis
aan iets dat al vergeten is.
Sintelklaas November 25, 2007
Posted by ideeflux in : Gedichten, +++ , add a comment
Een dag, u weet het al, duurt even
als een jaar, een week, een eeuw
een mensenleven
Gister nog werd onze God geboren
zijn naakte onschuld slaapt nog steeds
in ’t hoge koren
Sint zag zich in de spiegel van ’t gelaat
er ging een kille huiver langs
zijn ruggegraat
hij zag zich in zijn volle naaktheid aan
hoe eerst hij kinderen verwekte
uit een pekelton,
en later dat wat oud en moe was
meenam in zijn zak weerom
Wie was het
aan wie hij onbedwingbaar denken deed?
Wie neemt het leven zoals ook Hij het neemt
zijn ogen liggen diep zijn grijns
bevreemdt ons
deze kindervriend haalt wat hij zaait
komkom weerom roept hij
wat kind of kinds is kom tot mij
laat hen toch tot mij komen
Hij zwaait de idioot
met staf met zeis met roe met kruis zwaait hij
vanachter kale bomen
komt lachend op ons toe
Makker zegt hij staakt toch uw Wild geraas
hij drukt zich aan je borst
’t is Sintelklaas
zijn ogen gloeiendheet als kolen
Hij is de goede Herder
geen schaap laat hij verdolen
Klaas Vaak is hij maar vaker
Engel Gabriël, de goede vader
in de maneschijn
Gedachte aan wat later
of geweest had kunnen zijn
Een lied een kampvuur
een surprise van papier
een vogel langzaam brandend
tot geboren worden
met een gezicht van klei
Gezwicht te zijn
het lopen op
van averij
het kantelen der kantelen
Wij ridders doolen slechts
wij sterven niet
wij weten wel de melodie
maar niet het lied
Wij schieten steeds tekort
maar raken daardoor juist
het dwaze hart der dingen
in wat wij zijn
Wij zijn het zingen
al die tijd zijn wij geweest wat
wij steeds zochten
maar pas in ’t dovend licht
herkennen wij onszelf
Vrij van betekenis
en van gewicht
zijn wij de glimlach die we zien
op andermans gezicht
Het Convergeren November 12, 2007
Posted by ideeflux in : Lieve Gedachten, +++ , add a comment
Alles komt bij elkaar, als een… onvermijdelijkheid. Het is van nature. Dat wat eerst wegvloog komt nu weer terug. Als vanzelf, geen moeite, geen wens, geen smeekbede. De geliefde woont steeds dichterbij. Alles vindt zijn plaats, terug in het huis van het hart. Alles volgt de innerlijke logica van verbondenheid. Het enige dat gevraagd wordt is geduld, of nee, geduld is niet het goede woord, geduld impliceert dat er gewacht wordt, verwacht, en dat is al veel te veel. Wat gevraagd wordt is dat je de verbinding houdt, de hartslijnen openhoudt naar dat wat zich van je af beweegt. En het komt vanzelf weer terug, dichtbij. En zelfs dat hoeft niet eens. Niets kan zich uit jouw nabijheid bewegen. Deze muziek bijvoorbeeld. Deze viool.
Ik at mijn bord leeg. Er zat nog een beetje rijst in de pan. Ik deed alle rijst op mijn bord, tot de laatste korrel. Zo at de Buddha. Hij at zijn bedelnap altijd helemaal leeg, tot aan de laatste korrel rijst. De Buddha, zo wordt gezegd, at vaak bij arme mensen en door zijn bord helemaal leeg te eten toonde hij zijn dankbaarheid. De Buddha at met grote aandacht. Hij was volledig aanwezig in dat wat hij op welk moment dan ook deed. Als wij in volle aandacht eten, dan eten wij als de Buddha. Dan is er geen onderscheid tussen ons en de Buddha. Dan is er enkel eten.
Dat is hoe alles bij elkaar komt. De telefoon gaat. Er wordt enkel het juiste gezegd. Iemand rijdt langs m’n huis. Ik ken die persoon niet. Ik hoor alleen het geluid van de auto.
Ik doe zo ontzettend weinig. Ik vind het vaak moeilijk om dat tegen iemand te zeggen. ‘Hoe gaat het,’ vragen ze, ‘en… wat doe je tegenwoordig.’ ‘Ik eh… doe eh… niets.’ Er wordt een beetje schaapachtig gelachen. Wenkbrauwen gaan omhoog. Als ik er over praat wordt het alleen maar verwarrender. Ik vind het moeilijk uit te leggen hoe vol alles voelt. Vol van weinig.
Ikzelf vlieg weg, maar ik kom ook aan. Gelijktijdig. En ergens anders natuurlijk. Ik heb een tuin geplant vandaag. In omgekeerde volgorde, misschien dat ik er morgen een foto van kan laten zien. Ik haalde de planten uit de aarde en stopte ze terug in potten. Ik knipte takken af die ik centimeter voor centimeter had zien groeien. Ik was niet verdrietig, niet weemoedig. Ik was dezelfde. Ik bedoel ik was degene die plantte en nu was ik degene die de planten weer ophaalde. Ik was leven en dood.
Het is misschien wel onvermijdelijk dat we samenkomen, samenvallen. Dat wij hetzelfde worden, dezelfde. In de dood ja, natuurlijk. Maar misschien al daarvoor, lang daarvoor. Misschien al nu. Mijn schrijven valt samen met jouw lezen.
Mond November 9, 2007
Posted by ideeflux in : Buikspreker, +++ , 3comments
Een nieuwe snee in de huid en met wat daaruit tevoorschijn welt vult de rubberboom zijn bakje. De rubberboom hoeft niet in zijn bakje te kijken om te weten waar het zich mee vult, want latex is zijn bloed, zijn woorden en zijn zwijgen.
Hij staat met de armen over elkaar, zwijgend. Dat wat hem gekwetst heeft, heeft hem opengebroken. Als een ei. Daarom houdt hij zichzelf vast. Langs die barst komt licht naar binnen, of naar buiten. Hij is opengebroken naar iets wat groter is dan hemzelf, maar of dat veel grotere zich binnen hem of buiten hem bevindt? Wie zal het zeggen? Hij heeft het licht aan moeten boren om dat wat donker was in hem bij te lichten, om zichzelf te helen. Dat is geen verhaal met een begin en een eind. Het is niet zo dat hij gezocht heeft en gevonden en daarom nu heel. Nee, het is eerder zijn bereidheid om te zoeken, dat hem doet vinden; in zijn bereidheid zoekende te zijn wordt hij heel. Zijn zoeken is vinden. In zijn kwetsbaarheid, dat wil zeggen zijn bereidheid het risico te nemen opnieuw verwond te raken, ligt zijn kracht. Zo wordt zijn wond een mond waardoor het verkeer mogelijk blijft tussen hem en het grotere, tussen hem en ginder, tussen hem en de ander. In en uit gaat hij door die plaats. Hij kan in de ander zichzelf herkennen. Daarom voelen anderen zich gezien. Hij inspireert anderen opweg te gaan, op zoek te gaan naar hun eigen licht.
Wij zijn alleen maar heel mèt onze wond, dankzij de wond. De wond is wijd en open. Er stroomt licht door. Wij bewegen ons van de ene wereld in de andere. Als wij onszelf aftappen komt er geen pus of bloed. Het zijn woorden. Wij dopen de pen in diezelfde opening als die waar wij doorheenvliegen. Wij zijn de wond, wij zijn dat wat langs de randen naar binnen krult. Wij zijn dat wat langs de randen overblijft. Wij zijn de twee werelden die zich met elkaar verbinden.
In Code Geschreven October 13, 2007
Posted by ideeflux in : Het Vernietigen, Schilderijen, +++ , add a comment
Alles ligt op zijn plaats, heeft een vriendelijke glans. Alleen mijn keel is wat dichtgeknepen, alsof er iets uit wil waarvoor het gaatje te klein is.
Wat wil er door mijn keel naar buiten? Vast niet iets aardigs. Iets aardigs wordt over het algemeen geaccepteerd en verwelkomd. Het moet iets zijn waarvan ik denk dat het niet welkom is, iets dus, dat ikzelf niet welkom wens te heten.
Ik was de herberg, de stal, de ruimte voor al wat er is. De man, de vrouw, dat wat uit hen geboren wil worden, de dieren. Even later was ik het glas water. Ik werd door Maria gedronken. Het was een hemelse ervaring. Zinsbegoochelend. En dat is het nog steeds, elk moment dat ik daaraan denk.
Eh, hoe zou het zijn om… gegeten te worden, me te laten eten?
De hongerige tijgermoeder was te zwak om het lijf van de Buddha dat hij haar te eten aanbood, te openen. Dus opende de Buddha zich zelf.
Woorden zijn welwillende maar op zichzelf onnozele dienaren. Hoe we woorden begrijpen is afhankelijk van onze eigen wijsheid. Een leraar kan behulpzaam zijn bij het openmaken van een tekst, een droom, de oude heilige boeken. Het is alsof hij zichzelf opent. Zichzelf te eten aanbiedt. Zichzelf aanbiedt als een wereld waar je je in kunt begeven, een wereld die zich eindelijk laat lezen, begrepen lijkt te kunnen worden.
Alles om ons heen is in code geschreven. De wijsheid die wij in onszelf ontwikkelen is de sleutel waarmee je de code kunt kraken, de sleutel waarmee de wereld zich voor je opent, openbaart.
En ja, het is misschien waar, dat er iets is dat zich dient te offeren. Waarschijnlijk heeft het te maken met manier waarop wij naar de dingen kijken. Maar om precies te weten te komen wat het is dat je zou moeten offeren, heb je helaas juist die wijsheid nodig waar je net naar op zoek bent. (more…)
Alles voor Niets October 11, 2007
Posted by ideeflux in : De Toekomende Tijd, +++ , add a comment
Hmmm. Eerst maar eens een beetje geluid maken. Misschien dat zich aan dat geluid wat woorden rijgen. Zich aansluiten in zwijgende rijen. Misschien dat zich aan dat geluid wat woorden zwijgen. Misschien.
Ik leef nog in de illusie dat wel woorden meer zou zijn dan geen woorden, dat schrijven meer is dan niet schrijven. Dat het maken en plaatsen van een foto meer is dan beeldloos zijn.
Maar dat is wel waar het uiteindelijk naartoe wil, vermoed ik, naar beeldloos zwijgen.
Maar zover zijn we nog lang niet. Eerst nog maar eens lekker zwijgen met een omhaal van woorden, misschien komt er zelfs een verhaal. En daar dan een plaatje bij gezocht, natuurlijk. Toch nog iets van… werk, van ding gedaan, van lied gezongen.
Rumi zegt ergens: de handel hier in deze winkel is leegte, dat is wat we te koop aanbieden. De gedichten zijn hier enkel om u naar binnen te lokken, om het voor u aantrekkelijk te maken om hier naar binnen te komen, ze zijn enkel de verpakking om de handel in te verkopen
Ik, daarentegen, ben nog druk bezig met woorden en beelden, alsof het heuse appels en peren zijn. Alsof hier iets te koop zou zijn, alsof ik wat aan te bieden heb.
En toch, in omgekeerde zin, ben ik op mijn manier met hetzelfde bezig. Ik probeer mijn handel, mijn woorden en beelden zodanig te rangschikken, dat ik de leegte verleid hier naar binnen te stappen, de stilte. Opdat het woordloze mijn klant zou worden. Opdat hij op een dag mijn winkel binnen zou stappen en zeggen: ‘ik koop alles van je, alle woorden, alle beelden.’
En dan vraag ik natuurlijk: ‘wat wil je er voor geven?’
‘Niets’, lacht hij dan, ‘ik geef niets voor die hele handel van je.’
En ik? Ik val op mijn knieën, sprakeloos van blijdschap, woordeloos. Niets… wat een prijs. Het is precies waarvan ik nooit heb durven dromen!
‘Verkocht!,’ roep ik, lachend door mijn tranen. Het is beslist de beste koop die ik ooit had kunnen sluiten!
Buik Spreekt October 10, 2007
Posted by ideeflux in : +++, Het Hart Helen , add a comment
Dat wat ik voel in mijn buik. Ik duw het weg. Ik weiger het te voelen, het verstoort mijn vrede.
Jij voelt het ook. Als jij er iets over zegt verwijt ik jou dat je mijn vrede verstoort. Ik zit graag hoog te paard. Het voetvolk bevindt zich in de buik. Ik laat hen het vuile werk opknappen. Zij moeten er maar mee dealen. Ik zit boven in de salon. Ik word alleen wat ongeduldig als ik traag of niet zorgvuldig op mijn wenken bediend word.
Er lijkt van alles aan de hand te zijn. Mij wordt geadviseerd toch maar eens een kijkje te nemen, beneden.
Ik heb veel weerstand, maar uiteindelijk ga ik. Er is de geur van vocht en schimmels, verrotting. Een man met een slecht gebit begroet me met een besmuikte glimlach.
Trappen af, walmende flambouwen. Ik wist niet dat mijn paleis over zulke vertrekken beschikte. Ik kom hier nooit. Wat gebeurt hier? Etensgeuren, gelach en geschreeuw, het geluid van paardenhoeven op een binnenplaats. Waar ik geen weet van heb. Waar ik geen weet van wil hebben. Waar ons soort zich niet mee wil bemoeien. Ons soort? Ja, je weet wel, wij van de bovenlaag, van de schone handen, van het kapitaal, van het denken, van de overvloed.
Mijn buik spreekt wel, maar wat heeft zij eigenlijk te zeggen? Ik spreek haar taal niet en zij niet de mijne.
- Zoals jij voor mij, zo ik voor jou.
Het klinkt als een orakelspreuk, maar ik begrijp het direct. Het is heel simpel. Wij vormen samen één lichaam. Zoals zij van de buik dienstbaar zijn aan mij, zo moet ik dienstbaar zijn aan hen. Klinkt alleen maar logisch en fair. Kan ik begrijpen en ben ik mee eens. Ik weet ook heel goed wat buik voor mij kan doen, maar als ik me afvraag wat ik voor buik kan doen, kom ik in de problemen. Wat is mijn taak als hoofd eigenlijk, hoe kan ik dienstbaar zijn aan buik?
- Dat is toch logisch! Waarheid spreken, integer zijn, respectvol. Alles onder woorden brengen. Luisteren naar buik. Wijsheid van buik laten spreken. Eerlijk verdeling van de middelen. Een gevoel van samen, solidariteit. Niet dan?
Het klink allemaal erg voor de hand liggend. Wij zijn immers één lichaam? Maar hoofd is schoorvoetend. Vindt dat ie er nog een beetje over moet denken. Dat is wat ie altijd zegt. Beetje hoofdpijn. Beetje moe.
Hoofd houdt er eventjes mee op, maar buik is één en al leven.