De Grote Appel

Verlichting

Wat zal het zijn? Ik scan de horizon, binnen en buiten, het lijf, de wereld, het zijnswezen. Dit is het wat er is. Het is geruststellend veel en weinig. De ademhaling in deze. De ademhaling waarenzonder niets is. Niets in deze Wereld is ooit aanschouwd zonder deze ademhaling. Deze fluistering, deze influistering. Door deze ademhaling, deze trage golfslag, dit bewegen van lucht wordt de wereld beademd, aangezogen, gezongen. Het grote hemellichaam dat allen beademt, de kleine containers van lucht die wij bij ons dragen en door haar worden volgepompt, leeggepompt en weer vol. De grote moeder die ons steeds van lucht voorziet.
Ik sta er bij, ik ben er bij. Ik aanschouw. Ik doe. Ik doe mijzelf, ik doe de wereld. De wereld doet mij. Wij doen elkaar. Graag en minder graag. Altijd in zekere mate graag.
Wij beademen elkaar. In, uit.
En nu wat? Gewoon maar eens kijken hoe ik door de dag beweeg. Hoe de dag zich om mij heen beweegt, zich om mij heen plooit. Zich om mij heen wentelt en draait. Wat voor bekende of onbekende tunnel ik in het totaal van zijn uit zal graven. Ik ben een worm in een reusachtige appel. Ik kan alle kanten uit, maar ja, ik heb mijn gewoontes, mijn voornemens en de grote appel heeft zijn nukken.
Wat is nu eens aardig om te doen? Wie zal ik voor de aardigheid vandaag eens zijn?

Turngoat

Turngoat

Mijzelf rusteloos langs klippen en dalen sturen, zelfs ’s nachts ben ik bezig om in droomland dat in kaart te brengen wat overdag over het hoofd gezien werd.
Het is logisch, dat als het éne het goed wil doen, het in de hand wil houden, het wil organiseren, controleren, het ándere gaat tegenwerken, temporiseren, saboteren. Dat wat zo graag goed wil zijn en dat wat slecht is wil elkaar maar niet ontmoeten, een hand geven.
De aanbidding van het ene roept het andere tevoorschijn. Tenzij… ja tenzij wij, ik, in mijzelf een bedding creëer, mezelf uitstrek zodat ik een ruimte vorm waarbinnen de beide uitersten elkaar kunnen ontmoeten. Als ik zo groot ben vindt alles in mij een plek.

Namgyel Lundup

Rode wolken

Er is dit vroege leven in de yurt, de ronde tent met het houtgestookte kacheltje in het midden. En het bed waar we met zijn allen in sliepen. Alsof ik vanuit mijn moeders schoot in een andere baarmoeder geworpen werd. Elke keer als ik uit de yurt kruip is het alsof ik uit een baarmoeder kruip en dan kom ik vandaaruit weer in een andere baarmoeder terecht. Mijn leraar zegt het zelf: ‘we zijn uit een baarmoeder in deze wereld geboren. En deze wereld is ook één grote baarmoeder. Niemand weet waar we terecht komen als we daaruit kruipen’.
Voorlopig houden we ons schuil achter moeders rokken, achter moeders pappot, achter moeders koffie, wijn, achter de geneugten van het leven en wagen we het niet eens om een blik te werpen naar, tja… naar wat zich buiten deze grote baarmoeder bevindt.
Als dat wat komen gaat er nu al is, dan moet hij zich nu al in mij bevinden, de gezonde ruiter, dat brok energie. Ik voel hem, nu. Wakker, helder. Rechtop te paard.

Zo was het dus, de baarmoeder, de yurt, de nestgeur, brandend hout, het vee, het slachten, de paarden, de yaks. Het eten, de etensgeur. Alsof wij allemaal één grote maag vormden, alsof we de ingewanden waren van de grote buik die ons gezamelijk omvatte. Ja, inderdaad, die gezamelijkheid, dat was zowel een zegen, als een raadsel, als een vloek. Dat laatste is te zwaar uitgedrukt, ik weet het, maar die eenheid heeft sommigen zich vaak zo moedeloos doen voelen, doelloos, richtingloos. Anderen werden boos en opstandig. Hoe kan een man zichzelf tegenkomen in de wereld, als die maag, die buik, hem steeds weer terugzuigt? Je moet haast wel agressief worden, om je los te vechten, om je vrij te breken. Uiteindelijk zijn we natuurlijk alleen maar boos op onszelf, omdat we maar niet in staat blijken te zijn ons los te maken van de grote tiet van de wereld.

Bij mij was het anders. Op een merkwaardige manier ben ik van eenheid tot eenheid gevallen, van kleine baarmoeder tot grote baarmoeder, zonder me onvrij te voelen. Nog steeds, als ik met mijn paard over de vlakte rijd, ervaar ik de koepel van de hemel als een grote yurt, een grote tent, een dak dat ons allemaal bijeenhoudt.
Alsof ik ben geboren zonder dat de vliezen ooit scheurden.