Tweezaamheid

Alles geeft elkaar een hand. Ook dat wat geen hand heeft, ook dat wat geen hand wil geven. Ik geef mijzelf een hand.

Zonder het te beseffen was hij weer begonnen contact te leggen en zich dingen af te vragen. De ongelofelijke nabijheid der dingen bijvoorbeeld. Alles zo trouw aan zichzelf. Of de wind hoog en verweg. Kleuren, vormen, geluiden en stemmingen die elkaar afwisselen.
Voorzichtig, zonder het minste geluid te maken, gleed hij terug naar de plaats waar alles zijn oorsprong heeft. De woordloze plaats, gevreesd en gezocht. Stil en vol. Wij leven bij de gratie van de dood.

De dingen die we tussen ons heen en weer schuiven wachten geduldig op een blik van herkenning.
Zij hebben slechts één verlangen. Herkend te worden als wat ze werkelijk zijn.

Met Open Ogen

Met Open Ogen

Ik gooide wat zwarte vegen op het witte doek, maar de oude truc leek niets op te leveren. Of toch? Links onder in beeld was opeens duidelijk een drakenkop te zien die zichzelf in zijn staart beet.

Ik word wakker. Ik zoek houvast in dit oneindige, dit tomeloze. Mijn handen glijden over gladde lakens, mijn harige lichaam kan zichzelf niet ontkennen, zich niet verstoppen en zo gauw ik mij ontdekt heb, trek ik mijzelf aan mijn eigen staart uit het moeras van mijn droom omhoog. Eenmaal op het droge geslingerd word ik geschoren en met zachte dwang onder de douche geduwd. Ik spoel het droomslijk van me af, de drakenschubben, dat wat slaap genoemd wordt.

Ik heb een nieuw stuk gereedschap, waarmee je op een snelle en eenvoudige manier een paardebloem uit het gras kan verwijderen. Er stonden zo overweldigend veel paardebloemen in het gras, dat ik nooit overwogen zou hebben er de strijd mee aan te binden als dit apparaat het niet mogelijk had gemaakt. Elke dag haal ik zo minstens twee emmers paardebloemen op. Ik voel me een beetje een onnozel. Zo, denk ik, vecht de Amerikaan met de Talibaan. Omdat het mogelijk is, omdat ze er de machines voor hebben.

Of ik van mijn leven geniet?
Die vraag overvalt me en ik laat me er de verkeerde kant door op sturen. Het lijkt me niet helemaal de juiste vraag, zeg ik. Of nee, dat is het niet, de vraag is misschien wel okay, maar, zoals elke vraag veronderstelt het een zekere bekendheid met een aantal zaken die, op de keeper beschouwd, misschien wel helemaal niet zo be- of gekend zijn. Op deze sluipende manier manipuleert elke vraag haar antwoord, insinueert haar als het ware of bepaalt op zijn minst de bandbreedte waarbinnen zij gegeven kan worden.

Weet ik wat leven is? Is het van mij? Word ik geacht er van te genieten en zo ja, wat is dat dan, dat genieten, hoe ziet dat er uit? Waar is het de vragensteller eigenlijk om te doen?

Het paard achter de wagen spannen, de vraag achter het antwoord. De vraag als schepper van antwoorden, de uitvinding als schepper van behoeften. Wij als schepper van ons leven. Het stellen van de juiste vraag.
Alle deuren zijn open. Midden op de dag staat de ronde deur van de droomwereld wagenwijd open. Alle antwoorden zijn daar te vinden. Zij zweven daar rond in vrijheid en verbazing.
Ik sta met gebogen rug terwijl ik paardebloem uit het gras trek. Ik sta met mijn rug naar die ronde opening. Zij fluisteren mij van alles in het oor, maar ik verkies vaak niet te luisteren.
Of ik van mijn leven geniet?
Het is ongehoord spannend! Als je me de juiste vraag zou stellen zou ik ‘ja’ zeggen.

Waneer ik nog een keer naar het witte doek kijk zie ik iets… opzienbarends.
Het is niet zo dat de drakenkop zichzelf in de staart bijt. Nee, ik zie heel duidelijk dat de drakenkop zijn mond openspert en langzaam maar zeker uit zichzelf te voorschijn komt, zich uit zichzelf te voorschijn trekt, schoksgewijs, trillend als jong gras, eierlevendbarend.

Bij Voortduring

Bij Voortduring

Ik luister maar zit mijzelf voortdurend in de weg, want wil zo graag dat door mij. Dan luister ik weer: wekker, getjilp en oorverdovende stilte. Weer luisteren, maar nu door u, U, gij. Vrede, alles op juiste plaats, mededogen, een constant wenen van vreugde over het thuiskomen van verloren zonen, zoekgeraakte dochters. We hoeven niet naar troost op zoek te gaan want troost vormt de grondslag, de grondtoon van dit universum. Hoe diep je ook valt, je valt altijd in de wijdopengesperde armen van wat is. We komen thuis met elke hartslag, elke ademtocht. To belong is to belong to this moment. Mijn ademsarm, mijn gedachte-arm reikt niet verder dan dit.
Ik zit op het dak van mijn huis en wacht op een bootje dat me zal redden, of op een vloedgolf die me op zal tillen, mee zal voeren, oneindig licht zal maken. Er is levensloop en het beloop van de sterren, het draaien van de grote caleidoscoop van het universum, verschuivende prisma’s, verschuivende perspectieven.
Deze woorden zijn als roomsoesjes gevuld met niets en juist daardoor zijn ze zo… licht, zo betekenisloos, zo zalig smakend. Ik kleed me uit, ik bewonder mijn slanke lichaam, mijn gladde lange spieren, de kwetsbaarheid van de huidplooien, het teveel aan huid, de verkleuringen. Ik leg mij te rusten of ik sta weer op. Ik loop, ik sta, ik zit of ik lig. Het gaat al maar door. Wij gaan al maar door. Wij raken nooit vermoeid, wij dansen als de sterren, wij ontvouwen, wij ontvouwen onze bladeren in sprakeloze verwondering. Wij worden onophoudelijk een ander en blijven enkel daardoor steeds dezelfde.