Minzicht [V]

Scaap met Snor

Ik doopte mijn vinger weer in het inktzwarte water van de maanloze nacht. Het was er stil. Toen ik uiteindelijk in mijzelf omhoog kwam als een lang vergeten gedachte, in de onverwacht langgerekte gestalte van een reptiel, meende ik dat dit verhaal misschien wel net zo onverwacht lang zou kunnen zijn, zo eindeloos, zo zonder begin.
Het is alsof wij in onszelf de hele wereld moeten troosten, alsof wij in ons voor alle mensen, alle dieren, al dat eten en gegeten worden, al dat vergeefse bloed, een vluchtheuvel moeten zijn. Wij rollen de rode draad op die door onze familie loopt. De lijn van geslachten en alles wat daaraan kleeft valt in ons mandje. Ik droomde van mijn grootvader. Er was een boek over hem uitgegeven. Achterin waren langwerpige seinvlaggetjes waarop zijn meest voorkomende gedachten geschreven waren, zoals ‘geld stinkt niet’, en ‘na ons de zondvloed’. Ik was verbaasd me over de negativiteit er van, de banaliteit. Toen raakten we verzeild in de Frans-Duitse oorlogen, al die overwinningen die uiteindelijk nederlagen bleken te zijn, al dat verongelijkte gekwetst zijn, al die gehelmde hoogmoed. Hij droeg dat allemaal in zich, niet als inzicht, maar – juist daaraan tegenovergesteld – als minzicht, als gedachten waarvan hij zich afgewend had, gedachten die slechts in negatieve zin in hem aanwezig waren als een soort van zwarte gaten.
In de eindeloze herhaling van feiten zoals ons die door de zwarte gaten, de onafgemaakte levenservaringen, worden opgedrongen was zijn oudste zoon tegen hem in opstand gekomen en gaan vechten in de Spaanse burgeroorlog, om daar tijdens zijn eerste gevechtshandelingen het leven te laten.
Afwenden heeft altijd meer afwenden tot gevolg, tot we ons omdraaien. En juist om die reden, zo begrijp ik het althans, ben ik hier. Alsof het leven mij om die reden hiernaartoe gebracht heeft.

Het Onbreekbare Lam [IV]

Het Onbreekbare Lam

Het was niet goed, niet goed genoeg, en ook nog niet af, bij lange na niet af, en dus moest ik terug, terug naar het botenhuis, naar het maanlicht, het donkere water met de weerspiegelingen en de vriend waar ik het over gehad heb. Hij zat in een donkere hoek, bewoog niet en ademde nauwelijks. Oplettend sloeg hij elke beweging gade, want zelf was hij in zijn verhaal nooit verder gekomen dan dit moment. Het was alsof hij in alles de kunst van schrijvertje dezes wilde afkijken zoals die avond toen ik de willige jonge vrouw steeds dichter naar me toetrok en hij als een volle maan steeds recht voor ons bleef staan.
Nacht aan nacht ging ik daar naar beneden zonder veel wijzer te worden. Het meisje in haar alleenheid, ik zacht ademend, spinnend op een volgend woord en mijn vriend vanuit zijn schuilhoek spiedend.
Het begon bijna een ritueel te worden. Het kraken van een traptrede, het openschuiven van de deur, de steeds wisselende stand en grootte van de maan. Het bezoeken. Wij bezochten deze innerlijke plek. Deze innerlijke plek had een bezoeking kunnen worden, ware het niet dat op een nacht het gladde wateroppervlak zich opengeploegd wist door een paar ogen, een paar neusgaten, een berglandschap van huid, korst.
Wij zijn gewend in deze tijd van beeld naar beeld te gaan, te zappen, van image naar image, en zo de tussenliggende dialogen aan de verbeelding van de lezer over te laten. Dat kan in dit geval niet. Wij moeten hier blijven in deze plaats, tijd, ruimte, deze eenheid van zijn, want wat hier te gebeuren staat is essentieel.
Wat is een ontmoeting? Wanneer is er sprake van een echte ontmoeting? Wij willen dat de ziel spreekt of dat er tot de ziel gesproken wordt.
Het blauwgroene zeil van de badkamer bobbelde en week, kwam tot leven, werd vloeibaar. Zij in mij, was hopeloos verloren, teloor gelopen in de doodlopende straat van haar eenzaamheid. Mijn vriend had zich dicht gegraven in zijn eigen hypotheses. Toen hij ook nog eens zijn beide ouders als schepen achter zich verbrand had was er zelfs geen weg terug meer. Hij was een eiland geworden. Hij in mij was een eiland geworden, een afgesloten eenheid, als een terroristische groepering, een lichaamsvijandige cel. Ik was enkel naar hier teruggekeerd om het zaakje weer op gang te brengen, in beweging. Ik was de enige die de contacten aan zou kunnen knopen en het proces weer op gang zou kunnen brengen en ik wist ook dat ik er in mijn eentje niet toe in staat zou kunnen zijn. Ik richtte me dus deels tot het veel grotere, tot het uitspansel, tot het ongrijpbare, het onbegrijpelijke, dat waaruit alles gestalte krijgt en wachtte.

Ik wachtte op het vreemde wezen dat mijn vriend indertijd aangekondigd had als op iets dat van ergens vanuit de buitenwereld naar me toe zou komen, maar toen ik uiteindelijk uit de steeds scherper wordende contouren kon opmaken wie ik voor me had, begreep ik dat ik het zelf was. Ikzelf was haar krokodil geweest.
Het was niet zozeer een schok voor me om dit te realiseren, meer iets van herkenning, een soort opluchting wegens waarheid eindelijk zichtbaar.
Ik was het die haar roze meisjeskamer was binnengedrongen en als slaaf van zinloos verlangen gestalte had gekregen, zoals een bloem van het behang zich uitbuigt en plotseling een zoete geur begint te verspreiden. Alsof ik in zekere zin toch ook een vleesgeworden deel van haar eigen verlangen was geweest, haar verlangen en haar angst.
Hoe dan ook, dat is waar ik een deel van haar ziel tussen mijn kaken had vermalen en daarmee een stuk van mijn eigen ziel. Daarom waren wij hier.
Ik had al die tijd gedacht dat ik hier was voor mijn vriend, maar mijn vriend was hier voor mij, voor ons, als bemiddelaar. Hij had dit verhaal zoveel eerder aan mij verteld om mij te troosten, mij beter te maken en ik had het nooit begrepen.
Nu dook ik op uit mijn eigen diepte, mijn eigen donkere water als een witte schim die naderende de oppervlakte steeds scherper vorm begon te krijgen. ‘Als ze nu maar niet weg gaat, niet voor me wegvlucht, dan is alles verloren.’ Ik dacht deze woorden met zulk een scherpte, zulk een helderheid, dat ik er van overtuigd was dat het meisje me zou horen. ‘Blijf,’ riep alles in mij.