jump to navigation

Het ruischt [XIX] December 22, 2011

Posted by ideeflux in : Schilderijen, De Bulthouder , add a comment

Het Ruischt

Er stroomt een beek langs ons huis. Wij horen steeds het grote verhaal van het bloed van de wereld, de rust van de onrust, het voortdurend gestalte krijgen van dat wat voorbij gaat. Zwedens vijfennegentigduizend meren kijken God recht in de ogen.* Er heerst grote slapeloosheid, een voortdurend wakker, in verbinding zijn. Overdag zijn wij mensen moe, maar ’s nachts gaan we op avontuur, slaan onze vleugels uit of vliegen met bed en al het luchtruim in. Daar ontmoeten we elkaar, dat wat wijzer is dan ons alledaagse zelf staat elkaar bij, helpt elkaar op weg, maar overdag, wanneer we elkaar zonder blikken of blozen in de wielen rijden, weten we van de prins geen kwaad. Het kleed dat ’s nachts wordt geweven halen we overdag weer uit.

Prinses lag op bed. Krachteloos in eerste oogopslag, maar daaronder groots van eindeloosheid, als de wiekslag van het ongeborene, van dat wat nog geen vorm heeft gekregen. Als een idee, als zaad dat de blauwdruk van dat wat te gebeuren staat al volledig in zich draagt. Zij was zwanger van zichzelf, zo zou je het in het kort kunnen samenvatten. Zij was haar eigen baarmoeder, een ei tot barstens toe gevuld met leven.
Alles was in haar aanwezig – kloppend, stromend, ontegenzeggelijk – en er was enkel het wachten dat nog gedaan moest worden, het wachten op het wakkerkussen, op het herkennen, het herkend, herinnerd worden. Het zichzelf herkennen, erkennen, het erkennen van het feit dat er enkel gewacht hoeft te worden tot het inzicht rijpt dat wachten overbodig is. Het kloppen van het hart als de echo van het kloppen op de deur die op datzelfde moment opengaat, al die tijd al open was, en er daarom eigenlijk nooit geweest is. De deur die naar de kamer leidt waar de prinses in ons ligt te slapen.
We maken er een verhaal van, maar er is helemaal geen verhaal, want het begint bij het einde en het eindigt waar het begint. Wij zijn het zoeken dat vinden heet.

Prinses had genoeg van woorden. Zij wilde gevonden worden, en daarmee klaar, zij wilde worden aangeraakt, geopend, als een belegerde stad. Zij wilde haar geheim prijs geven, besmeurd raken door het slijm van begeerte, het bedrog van verlangen. Kortom dat wat leven heet, wilde zij heet en hartstochtelijk door haar aderen voelen kolken, kloppen, stamelen. Zij schreef een brief vol met dat soort woorden en deed hem in een fles die ze uit alle macht in het zwarte meer van de nacht gooide.
Er stond geen afzender op en hij was aan niemand in het bijzonder gericht, maar degene die het bericht zou ontvangen zou beslist weten wat hem of haar te doen stond.

* Harry Martinson, Vägen ut

Orion [XIIX] October 6, 2011

Posted by ideeflux in : De Bulthouder , add a comment

Orion

Voor een ogenblik stond Houder bewegingloos tussen kaars en deur, tussen raam en bed, tussen hemel en aarde. Hij hield zijn adem in en luisterde.
Het was een moment dat hij zich later zou herinneren als tijdloos. Buiten spande de maanverlichte nacht zich als een wijde koepel over de open plek in het bos en binnen in de kleine woonwagen stond alles op zijn gewone plaats, maar met de ogen wijdopen, te wachten op de dingen die komen gingen.
Behoedzaam, alsof hij de plechtigheid van het moment niet wilde verstoren, kwam Houder in beweging, draaide zich in slowmotion om zijn as, deed twee stille passen en drukte zijn oor tegen de deur. Stilte of nee… het trage ademhalen van de nacht, van de eindeloosheid. Zijn hand drukte de klink langzaam naar beneden en voorzichtig opende hij de deur op een kier…

Nog geen twee seconden later lag hij ruggelings in het hoge vochtige gras van de nacht oog in oog met ontelbare sterren. Hij grinnikte in zichzelf want het moest een wel erg grappig gezicht geweest zijn.
Hij zag het helemaal voor zich als een scène uit een stripverhaal: de kleine woonwagen in het maanlicht, waarvan de deur onverwacht en met grote kracht opengegooid wordt, om in haar vaart een jongeman mee te sleuren die boven aan het trappetje met zwaaiende armen zijn evenwicht probeert te bewaren om vervolgens in het gras te verdwijnen.
Wat Houder niet gezien had was dat hij daarbij ternauwernood een kleine donkere gestalte gemist had die zich nu geschrokken uit de voeten maakte.

Het kan zijn dat hij daar een paar uur gelegen heeft, maar misschien waren het maar enkele minuten, want tussen Grote Beer, Poolster en Orion maakte hij in luttele seconden eindeloze ruimtereizen, waarbij hij met het grootste gemak van de ene naar de andere tijd sprong, alsof het ijsschotsen in een rivier waren.
Van vroeger naar veel vroeger, van nog veel vroeger naar de toekomst en nog veel verder en van daaruit, hups weer naar het hier en nu op aarde, waar zijn aandacht ogenblikkelijk getrokken werd door het geluid van voetjes die op het pad bedachtzaam naderbij leken te komen. Even was het stil, maar vervolgens ritselde het onverwacht zo dichtbij dat Houder zich net wilde oprichten toen plotseling de onderste trede van het trappetje voor de tweede keer die nacht kraakte en Houder recht in een paar groene ogen keek die hem aandachtig observeerden.

Het Ongeschrevene [XVII] October 2, 2011

Posted by ideeflux in : De Bulthouder , add a comment

Het Ongeschreven

Het is miraculeus, maar alles staat precies op zijn plaats. Alles hangt, staat, zit, ligt of gaat precies waar het wezen moet. Alles past perfect binnen zijn eigen grenzen en raakt juist door die begrenzingen zichzelf en al het andere aan.
Het is een daad van liefde dat wij en de dingen dat doen.
Maar de dingen hebben geen keus, zegt u?
Dat is zo, de dingen hebben geen keus, maar het enkele zijn van de dingen, het zijn van onszelf, dat is de daad van liefde. Wij hebben geen keus dan – in wat voor vorm dan ook – liefde te zijn.

Houder zat.
De maan scheen door het raampje dat overdag als kassa dienst deed of zou moeten doen want tot nu toe waren er geen bezoekers geweest. Elke dag werden er voorstellingen gegeven, een matinee om drie uur en een avondvoorstelling om zeven uur, maar aan de kleine tafeltjes vlakbij de piste zaten alleen maar de circusartiesten zelf die naar de verrichtingen van hun collega´s keken. Ofschoon Houder en Moustafa elke voorstelling hun kelen schor schreeuwden, verkochten ze nooit een enkel programma. Houder vond dat wel vreemd, maar hij hield zich er niet erg mee bezig want er waren wel meer vreemde zaken gaande in het circus.
Hij had een kaars op de tafel voor het raam gezet en hij schreef. In de stapel troep in de hoek onder de discobal had hij een groot in oud leer gebonden boek gevonden, dat heel erg leek op het boek dat Madame Mime hem had laten zien. Het boek had geen titel, maar op de voorkant stonden de afdruk van een zon en een maan in het leer gestempeld. De bladzijden aan de binnenkant waren leeg, op een kleine handgeschreven regel na die bij wijze van opdracht in een ouderwets handschrift met kroontjespen en paarse inkt op de eerste pagina was geschreven.

“Het staat niet geschreven tot jij het schrijft”, stond er.

Dat leek Houder zo vanzelfsprekend dat hij er niet lang over nadacht, maar hij had het wèl opgevat als een uitnodiging om te gaan schrijven, om het boek als een soort dagboek te gebruiken waar hij alle avonturen die hij had meegemaakt – en nog zou meemaken – in op zou schrijven. En zo was hij begonnen waar alles altijd een aanvang neemt. Bij het begin. Of bij wat we denken dat het begin is. Met de hulp van zijn goede vriend Willebrord had hij al zijn oude herinneringen op papier gezet. Het was een dierbare avond geworden, want het was fijn om samen terug te kijken en herinneringen aan de goede oude tijd op te halen. Af en toe was hij gestopt met schrijven en keek ver voor zich uit naar de maanbeschenen bomen in de verte. Willebrord voelde zo liefdevol en zo dichtbij, alsof hij een deel van zijn hart was dat hij zomaar aan zou kunnen raken.
En weet je, zei Willebrord zacht, alsof hij het in zijn oor fluisterde, dit is nog maar het begin. Wie weet wat er allemaal nog gaat komen. Je lichaam is zo’n groot huis, het leven is zo’n groot lichaam! Omdat Willebrord een bult was geweest gebruikte hij af en toe vreemde zegswijzen die op een vreemde en dichterlijke manier toch iets op zodanige wijze onder woorden wisten te brengen dat Houder precies begreep wat hij bedoelde.

Van de kaars was nog maar een stompje over en de maan die een grote boog aan de hemel beschreven had was ongemerkt uit het zicht verdwenen. Houder had nu enkele uren achter elkaar zitten schrijven en voelde zich een beetje koud en stijf van het lange tijd in dezelfde houding zitten.
De Geheimzinnige Verdwijning van de Kameel, schreef hij, zo mooi als hij kon, want dat was de titel van het nieuwe hoofdstuk. De inhoud ervan zou voorlopig even op zich laten wachten, want Houder was moe. Het was mooi geweest voor vandaag.
Hij rekte zich uit en net toen hij de kaars of wat er van over was wilde uitblazen werd zijn aandacht getrokken door een geluid. Het was nauwelijks hoorbaar geweest, maar in de stilte van de nacht was het onmiskenbaar. Houder wist gelijk wat het was want hij zou het uit duizenden herkennen.

Het was het geluid van de onderste traptrede van de wagen.
Er moest daar iemand zijn, aan de andere kant van de deur.

Sofus [XVI] September 26, 2011

Posted by ideeflux in : Ideeflux, De Bulthouder , add a comment

Sofus

Alles staat voortdurend op zijn plaats
de diepe rust der dingen
altijd hier en nu

Zit stil en voel de brand van vrede
als je helemaal niets doet
wordt alles gedaan.

Houder was nog bezig de woorden van mevrouw Mime op zich in te laten werken toen er plotseling op de deur geklopt werd. Sofus schrok wakker. De deur zwaaide open en het breed lachende gezicht van Mustafa keek om de hoek.

Nog voor Houder ook maar een begin van aanstalten had gemaakt om op te staan en afscheid van madame Mime te nemen, was Sofus van de witbestippelde roze stoel gesprongen en tussen de benen van Mustafa door naar buiten geslipt. Hij wist voorlopig genoeg en had er behoefte aan om in stilte en eenzaamheid zijn gedachten te ordenen en waar kon hij dat beter doen dan onder de rododendron die de afgelopen zomer zijn favoriete hang-out was geweest?

Maar eerst moest hij een plekje vinden waar de aarde zacht genoeg was om er een ondiep kuiltje te graven. Hmm, ja hier, zo, onder de vogelkers, waarom niet?
Gehurkt over het kuiltje, staarde Sofus naar een onbestemd punt in de verte terwijl hij voelde hoe zijn darmen zich leegden. Eten was natuurlijk, zoals we allen weten, een steeds terugkerend hoogtepunt in het leven van alle dag, maar het zich ontdoen van al het overtollige, om het zo maar eens uit te drukken, geeft eigenlijk een nagenoeg even grote voldoening en dus was het op zijn minst merkwaardig te noemen dat er in romans en tijdschriften zo weinig aandacht aan geschonken werd.
Voor Sofus was er op de hele wereld niets heerlijkers dan om zo’n beetje over het leven te filosoferen, maar juist vandaag de dag waren er belangrijkere zaken die zijn aandacht vroegen, en dus rukte hij zich los uit zijn overpeinzingen, rook tevreden aan het resultaat van zijn eh… onderneming en was juist bezig een en ander met krachtige bewegingen van zijn achterpoten een laatste rustplaats onder de aarde te bezorgen, toen hij een geluid hoorde.
Instinctief stopte hij waar hij mee bezig was en keek van onder een laaghangende tak in de richting waar het geluid vandaan kwam.

Op het terrein tussen de bosrand en de achterkant van de grote circustent stond een grijswit bestelbusje dat Sofus nog nooit eerder gezien had. De spatborden hadden roestplekken, de rechterachterkant was ingedeukt geweest en men was ooit begonnen de schade met plamuur en grondverf te herstellen, maar duidelijk nooit aan afspuiten toegekomen. De aanwezigheid van het busje riep bij Sofus een onheilspellend gevoel op, maar tegelijkertijd moest hij constateren dat het busje ook een zekere aantrekkingskracht op hem uitoefende. Het stond gewoonlijk waarschijnlijk ergens geparkeerd – een garage of een loods, dat kon Sofus vanaf deze afstand niet precies uitmaken – waar een wat oudere kater regelmatig zijn geurvlag achterliet. Het moest een interessant –vermoedelijk roodharig – beest zijn en een nader onderzoek zou waarschijnlijk heel wat boeiende informatie kunnen opleveren, ware het niet dat Sofus zich dan dichtbij het busje zou moeten wagen en dat was nu juist waar hij niet zo´n trek in had. Dat had hij goed aangevoeld, want op datzelfde moment opende zich een spleet in de zijkant van de roodwit gestreepte tent en uit kwam een been met netkous en rode pump, vervolgens een minirok van spijkerstof met een, naar Sofus bescheiden mening aantrekkelijke derrière, gevolgd door een ander been met netkous, maar dan zonder pump, dan een felgroene sweater met capuchon waar een grote bos rood haar onder vandaan kwam. De jonge vrouw gebaarde opgewonden door de spleet naar binnen, die zich even later weer opende voor de missende rode pump die door een mollige met gouden ringen versierde zwarte hand werd aangereikt.
Toen de pump weer aan de voet bevestigd was ging de jonge vrouw verder met waar ze klaarblijkelijk mee bezig was: het naar buitenslepen van een groot vormeloos voorwerp dat in dekens was gewikkeld en met touwen bij elkaar werd gehouden.

Ontstaan van Verlangen [XV] September 25, 2011

Posted by ideeflux in : Ideeflux, De Bulthouder , add a comment

Ontstaan van Verlangen

In mij broeide het even van ander leven. Iets met fietsen in de ochtendzon of zo.
Een moment aarzelde ik op de deurmat en overwoog een ander te zijn, maar nu zit ik toch weer hier als de meer voor de hand liggende versie van mijzelf, mijn gemakkelijkere, meer comfortabele zelf, degene die zich door gewoonte en neiging bestaansrecht geschapen denkt te hebben, die met zijn sloffende stappen in het zachte vlees van zijn zinnen een pad heeft uitgesleten, een patroon, en die zich – bij gebrek aan beter – daarmee identificeert, zich daarin denkt te kennen. Die er in zijn hart niet meer aan twijfelt dat hij degene is die dit soort dingen doet, er in alle vrijheid voor kiest ze te doen en er op een perverse manier zelfs van geniet dat niet te kunnen veranderen. Natuurlijk kan zelfs onvrijheid als een soort bevrijding ervaren worden, namelijk als bevrijding van de vrijheid zelf.
Nu kan ik wel doen voorkomen dat ik de trap ben opgegaan om mijzelf op het spoor te komen en te ontmaskeren, maar het is niet meer dan toeval geweest, een flits van genade, dat ik mijzelf ten lange leste in een van de lange gangen van mijn eindeloos grote lichaam tegen het lijf ben gelopen.

Over de Blauwe Bulten in het land van de altijdbloeiende jasmijn ligt een groot ovaal meer dat de hemel weerspiegelt als een oog. Aan dat meer ligt een kasteel met zoveel kamers dat niemand er ooit in geslaagd is ze te tellen. Oudgedienden vinden er enkel en alleen maar de weg omdat zij en de macht der gewoonte generaties lang ondiepe paden in de harde stenen gangen hebben uitgesleten. Het is alsof niet zijzelf, maar enkel hun voeten de weg weten.
In één van de kamers woont de prinses. Niemand weet in welke kamer ze woont en waar die kamer zich dan wel zou bevinden. Niemand heeft de prinses ooit gezien, maar iedereen weet met zekerheid te vertellen dat ze mateloos mooi is. En niet alleen mooi, maar ook liefdevol en wijs. Een enkele blik van haar zou voldoende zijn om je van al je ziektes te genezen, al je problemen weg te doen branden en één enkel ogenblik in haar aanwezigheid doorgebracht doet je hart openbloeien met een hartstocht dat het vuur ervan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid nooit meer te blussen zal zijn. Mocht het je zelfs vergund zijn haar handen of voeten te kussen, dan gaan de hemelpoorten voor je open en – zoveel is zeker– die gaan daarna nooit meer dicht.
Niemand weet of de prinses werkelijk bestaat of dat ze enkel een fictie is, een sage, een verhaal dat ons in staat moet stellen om verder te gaan met ons noeste arbeidzame leven, een sprookje dat we als een soort luchtspiegeling en droombeeld voor ons uit in de verte projecteren om ons althans het gevoel te geven een doel te hebben in dit leven. Maar ondanks al deze onzekerheden is ons geloof in haar krachtig en zuiver, onaangetast door vrees of twijfel.

Prinses zit op de rand van haar bed. Ze had haar sokken al aan en was juist bezig haar schoenen aan te trekken toen ze plotseling door zo’n grote golf van moeheid, een alles overweldigend gevoel van weerzin en hopeloosheid werd overvallen dat ze zichzelf nog maar met de grootste moeite op kon richten om zich weer op bed uit te strekken. Zo lang had ze zich goed gehouden, zich gezond en stralende geweten, dat het ontbreken van die geestesgesteldheid – die zij als haar natuurlijke staat beschouwde – de vloer onder haar bestaan leek weg te slaan.

Het ovale meer in de verte weerspiegelde de hemel op het plafond van haar kamer, dat golfde en bewoog alsof het ademde en leefde. Haar borst, haar bloed, haar hart, alles in haarzelf golfde en bewoog van datzelfde leven, dat als altijd groot en wijd en van een oneindige overvloed was, maar opeens, als bij toverslag ontoereikend leek, betekenisloos, leeg.
Een scherpe pijn van redeloos gemis doorsneed het zachte weefsel van de vreugde van haar wezen, als een pijl het zachte vel van een konijn, de spieren daaronder, het weerloos kloppende hart, de kern van al wat is.

Zo lag zij, dagen nachten en nog meer dagen achtereen op haar bed. Overdag spiegelde de zon van de hemel zich in het meer, het meer zich in het plafond van haar gedachten en het plafond zich in haar hart. ’S avonds was het de maan die precies hetzelfde deed. Zij werd aldus dag en nacht omringd door alle liefde die zich in het universum bevindt –zoals wij allemaal, hoe weinig wij ons daar ook maar bewust van mogen zijn – en hoewel zij weer tot rust en op krachten was gekomen, toch was het niet genoeg.
Op een nacht, de maan was half, het plafond glinsterde mysterieus, haar borst daalde en rees als de tijdzee, vormden haar lippen letters en de letters vormden woorden en de woorden vormden een zin.
Een enkele zin.
Het was alsof haar mond met die zin een wezen baarde waarvan niemand de vader ooit zou kennen.

Ik wil gevonden worden.

Prinses proefde de zin op haar lippen, voelde dat het goed was, en viel in een diepe slaap.

Zeeanemoon [XIV] August 10, 2011

Posted by ideeflux in : De Bulthouder , 1 comment so far

Annemoon

Madame Mimes mollige bleke handen lagen op het versleten leer van het boek als twee grote witte vissen, aangespoeld op een ver strand. Ze zuchtte.
- Wij zijn erg blij dat je gekomen bent, moet je weten. We hebben lang op je gewacht.

Houder zat naast haar en voelde zich één groot vraagteken. Hij zag een soort cartoon voor zich van een vraagteken op een bloemetjessofa en hij zou er om gegrinnikt hebben als het moment niet zo plechtig was geweest. Hij was net zo nieuwsgierig als dat hij zich ongemakkelijk begon te voelen en vroeg zich langzamerhand af waar hij nu eigenlijk precies beland was. Ondertussen gaf hij geen kik, verroerde zich niet, maar keek onafgebroken naar het boek en de zachte vissehanden van Madame Mime waaronder hij de titel probeerde te raden. Sofus lag op de roze stoel en deed alsof hij sliep.

- Voordat ik dit boek kan openen, mag openen, moet ik je eerst een verhaal vertellen.
Ze zuchtte nog een keer diep, haar vingers bewogen als zeewier, de kamer rimpelde als het oppervlak van een vijver waar zojuist een steen in gegooid is. Ver weg blafte Momo’s hondje.
- Je weet waar ik het over heb als ik over de Blauwe Bulten spreek?
Houder wist niet waar ze het over had. Wel moest hij ogenblikkelijk aan Willebrord denken – wat zou hij graag even de tijd nemen om met hem te praten. En dan, al zijn andere bulten. Hij had jonge en oude bulten gehad, rode en witte, veelbelovende en kalme, maar blauwe? Nee, nu hij er over nadacht kon hij met zekerheid zeggen dat hij zijn hele leven nog nooit een blauwe bult was tegengekomen en dus schudde hij bedachtzaam zijn hoofd.

- ‘De Blauw Bulten’, zei Madame Mime plechtig, alsof het de titel van een boek was. Zó heten de bergen die je op een mooie dag vanaf een heuveltop of een andere hoog punt – de kruin van een boom of de nok van de circustent bijvoorbeeld – in het Oosten kunt zien liggen. Ze worden Bulten genoemd omdat ze rond zijn aan de bovenkant, maar het zijn in werkelijkheid hele hoge ongenaakbare bergen die er alleen maar blauw uitzien omdat ze zo ontzettend ver weg liggen.
De reis over de Blauwe Bulten naar het land dat daar achter ligt is lang en vol gevaren. Hoe lang het precies duurt is niet te zeggen, want de één volbrengt de tocht in zeven jaar de ander in zeven maanden. Er zijn er die er maar zeven dagen over doen, maar er zijn er velen die er zeventig jaar of zelfs zeventig mensenlevens of nog langer voor nodig hebben om de tocht te volbrengen, hetgeen betekent dat niet iedereen die er aan begint ook werkelijk aan zal komen.

Nu vraag je je natuurlijk af waarom mensen eigenlijk op het idee komen om zo’n lange en gevaarlijke tocht te ondernemen en wat ze hopen te vinden.
Houder knikte.
Dat is weliswaar een hele goede vraag, maar niet zo eenvoudig te beantwoorden en dat komt omdat het antwoord voor iedereen anders is. Iedereen heeft immers een andere droom waarnaar hij of zij op weg is.

Houder keek glazig. Er zweefden op dit moment een heleboel vragen door zijn hoofd.
Droom?
Had iedereen een droom?
En, zo ja, wat voor dromen waren dat dan? En… wat voor een soort droom zou hij zelf hebben? Had hij eigenlijk wel een droom?

De witte vissehanden vouwden zich open en dicht, als een zeeanemoon, alsof ze een perspectief wilden bieden op het antwoord, alsof ze een oprechte poging wilden doen het geheim te ontsluieren, om haar vervolgens met dezelfde vriendelijke zachtaardigheid maar even besluitvaardig en definitief weer af te dekken.
Even meende Houder een paar letters op het verweerde leer te zien, maar het zouden net zo goed tekens geweest kunnen zijn of symbolen.

De Maag [XIII] August 7, 2011

Posted by ideeflux in : De Bulthouder , add a comment

De Maag

Houder lag meer dan dat hij zat op de knusse bloemetjessofa in het kleine huisje. In zijn buik bevond zich een naar het scheen onmetelijke berg onverteerde poffertjes met – dat had Neus goed geroken – poedersuiker en op die buik lag Sofus de kat te spinnen als een oordeel. Het was allemaal erg behaaglijk en warm. Houder doezelde een beetje weg in de zachte kussens terwijl Madame Mime haar witte haardos en brede rug naar hem toe gewend had en voor het piepkleine aanrechtje met een koffiepot in de weer was.
Nu had hij de tijd om de kamer eens goed in zich op te nemen, maar daar slaagde hij maar matig in want hij moest al zijn krachten aanwenden om zijn ogen open te houden. Uiteindelijk gaf hij toe aan de zwaartekracht van zijn oogleden en viel languit in een korte maar onverwacht scherpe droom.

Hij was een reus en op zijn schoot die erg ver weg leek zat een mini-uitvoering van een vrouw met lange zwarte haren waar Houder met zijn enorme handen voorzichtig overheen streek. De vrouw had het klaarblijkelijk naar haar zin, want ze spon tevreden terwijl ze op haar beurt de kleine kameel aaide, die opgerold als een kat op haar schoot lag. Toen Houder zich vooroverboog om beter te kijken, verloor hij zijn evenwicht en tuimelde in vliegende vaart naar beneden, over de schouder van de vrouw, richting de zwarte lokkende ogen van de kameel, en hij zou zeker in de peilloze diepte daarvan zijn verdwenen als Madame Mime hem niet wakker had doen schrikken door met een ferme klonk twee kloeke koppen zwarte koffie op tafel te zetten. Ze schoof een roze stoel bij met kleine witte stippen en vergulde krullen en ging zitten. Ze ademde zwaar.

- Vertel, zei ze, terwijl ze hem verwachtingsvol aankeek en een slok van haar koffie nam. Houder zag meteen dat de vrouw met de lange zwarte haren die in zijn droom bij hem op schoot had gezeten een jongere uitvoering van Madame Mime was, en vroeg zich meteen af of ze misschien iets met de kameel van doen had, maar hij durfde niets te vragen.
- Eh… de eh… het was erg lekker, zei hij, daartoe aangespoord door Maag die in het tonen van dankbaarheid altijd een nuttige investering voor de toekomst zag.
- Morgen maak ik wafels, en dan ben je natuurlijk weer van harte welkom, dat spreekt vanzelf, de vrouw maakte een uitnodigend gebaar met beide handen.
Maag werd dus op zijn wenken bedient en Houder moest moeite doen een opkomende golf halfverteerde poffertjes te onderdrukken toen maag spontaan probeerde een salto te maken om uiting aan zijn vreugde te geven. Sofus sprong geschrokken op de grond.
- Maar eh… ter zake: wat kom je hier doen.
De vrouw keek weliswaar vriendelijk maar uit haar manier van spreken kon je opmaken dat het haar ernst was. Ze verwachtte een antwoord.

Houder had – zoals we allemaal weten – helemaal geen antwoord.
Hij zat even met zijn mond vol tanden en begon toen een onsamenhangend verhaal over het volgen van Neuzen en het houden van Bulten, waarbij hij er terdege op lette om de naam Willebrord niet te noemen. Mensen zouden dat vast niet begrijpen en hem er maar vreemd op aankijken. Het voelde niet eens als verraad, want het was Willebrord zelf die het hem in de gauwigheid had toegefluisterd.
- Ik zie het al, zuchtte de vrouw die zichtbaar moeite had gedaan het warrige verhaal te volgen, je hebt geen enkel idee. Dan moet ik het je maar vertellen.

Mevrouw Mime liep naar een witgeschilderd kastje met scheefhangende deuren die ze met moeite openwrikte. Het was Houder opgevallen dat ze als ze door de kamer liep regelmatig met haar handen steun zocht op tafelblad, rugleuning, aanrecht of wat er ook maar voorhanden was in het overvolle kamertje. Van onderuit een stapel losse papieren trok ze een groot dik boek met bruinleren omslag te voorschijn waarmee ze om de tafel heen liep en Houder gebaarde wat op te schuiven.

Ze ging zonder verder omhaal naast hem zitten, schoof de koffiekoppen van zich af en legde het boek tussen hen in op tafel.

De Neus [XII] August 4, 2011

Posted by ideeflux in : De Bulthouder , add a comment

De Neus

Houder ging zijn neus achterna, het edele orgaan dat ons in staat stelt subtiele boodschappen waar te nemen die zich al of niet moedwillig via de lucht aan ons mededelen.
Wij noemen het ruiken, maar als we onze neus in een roos of een andere bloem steken weten we niet precies wat er gebeurt, want het blijft een hoogst abstracte en bijna onbeschrijfelijke belevenis om een geur diep op te snuiven. Het is als het zich openen voor een woordloze wereld, want het rijk van de geuren – net zoals alles op deze wereld trouwens – blijft een mysterie, zelfs als je je er middenin bevindt.
Maar er is nog iets anders. Als je je ogen sluit kan je voelen hoe er een hele reeks van zenuwbanen op de punt van de neus samenkomen, die het gevoel geven alsof de neus een soort radar of antenne is. Het is daaraan dat gerefereerd wordt als men zegt dat iemand zijn neus achterna gaat, hetgeen niet hetzelfde is als het volgen van een intuïtie – wat eerder te maken heeft met het handelen vanuit een onmiddellijk begrip van een bepaalde situatie. Maar, door zich achter zijn neus te scharen geeft men de intuïtie wel een kans en men zou dientengevolge kunnen zeggen dat de neus naast reukorgaan ook het orgaan is waarmee de intuïtie gevoed dan wel gestimuleerd wordt.

Door wat laten we ons leiden in ons leven? Een mooie en diepe vraag waar niet zo eenvoudig een antwoord op te geven is. Er zijn verschillende lichaamsdelen waar wij achteraan kunnen gaan en de neus is daarvan het meest onschuldige en ongetwijfeld het meest inspirerende. De hersenen en daarmee het verstand staan in deze wereld weliswaar erg hoog aangeschreven, maar dat is ten onrechte, want op het moment dat je iets zeker meent te weten sluit je je immers af voor het raadsel dat de werkelijkheid in diepste grond is en je hoeft maar om je heen te kijken om de gevolgen daarvan waar te nemen.
Dan zijn er organen als de maag, die zoals we straks zullen zien ook een directe verbinding met de neus hebben en andere belangrijke en belangwekkende organen waar we maar al te graag achteraan lopen die we op deze plek buiten beschouwing zullen laten.
Het meest laten we ons door gewoonten leiden of door onze ideeën over wat we zouden moeten doen of laten en ze worden allebei vaak gevoed door meningen en gedachten die ons door onze ouders, familie, buren en schoolkameraden, kortom door de hele wereld om ons heen, worden aangereikt. Gewoonten en ideeën zijn vaak goed en nuttig, maar van tijd tot tijd moeten we ze opnieuw kritisch onder de loep nemen om na te gaan of ze ons eigenlijk nog wel van pas komen, en of we ze niet bij zouden moeten stellen of zelfs over boord gooien.

Er was geen haar op het hoofd van de Houder dat aan al dit soort dingen dacht. Hij stak zijn neus in de stralende herfstmorgen en rook. De dag was jong en het jaar was oud en zowel het een als het ander deelde zich mee aan de lucht die hij opsnoof. De dauwdruppels op het gras gaven de dag iets vers en jongs en de lucht van paddestoelen vermengd met die van de paardenmest iets meer belegens, als de geur van een warme oksel.
Maar, wacht eens, er hing nog iets anders in de lucht. Iets warms, zoet en smeuïg tegelijk. Het was zijn knorrende maag die het als eerste herkende.
- Dat zijn pannenkoeken, wat ik je brom, knorde de maag.
- Ja hoor, zei de neus sportief. Je hebt gelijk, het zijn pannenkoeken of…
Neus spande zich tot het uiterste in om extra goed te ruiken. Hij baalde er een beetje van dat maag hem zojuist te vlug af was geweest en wilde nu bewijzen hoe goed hij wel niet kon ruiken, en dat er, als het om ruiken ging het toch maar mooi op de neus aankwam en op niets of niemand anders.
- … jaaaah, trok neus zijn fijnproevergezicht, ik denk dat het van die kleine pannenkoekjes zijn, met van die eh… poedersuiker.
- Poffertjes, vulde maag aan, terwijl hij een geluid maakte alsof hij zijn lippen aflikte.

- Poffertjes zei Houder alsof hij het helemaal zelf verzonnen had en hij volgde zijn neus langs de achterkant van de blauwe wagen, waar de lange dunne Pontius zich boven een grote teil dampend water stond te scheren terwijl hij een stukje uit een Italiaanse opera zong. Vervolgens ging het achterlangs de lange groengestreepte tent, waarbinnen je het kon horen schuiven en ritselen omdat het blijkbaar voedertijd was, totdat hij uiteindelijk helemaal aan de andere kant van de grote roodwit gestreepte circustent kwam.
Daar, aan de rand van het bos en een beetje apart van alle andere wagens, stond een klein huisje met een veranda. Uit het dak stak een metalen pijp waar rook uit kwam en op de veranda zat een dame van middelbare leeftijd met een grote bos wit haar op haar hoofd en een grijsbruin gestreepte kat op haar schoot.
Het leed geen twijfel dat de heerlijke geur hier vandaan kwam en Houder liep het water in de mond.

Zo… nieuw! [XI] August 2, 2011

Posted by ideeflux in : Ideeflux, De Bulthouder , add a comment

Clivia

De zon scheen door een spleet van het tafelkleed dat bij wijze van gordijn voor het raampje gehangen was waar doorheen normaal de kaartjes verkocht werden, over de tafel die ervoor stond om vervolgens in de tegenoverliggende hoek op een discobal te stuiten, die daar bovenop een stapel ondefinieerbare rotzooi lag en het licht middels allemaal kleine vierkante vlakjes door de hele kamer verspreidde.
Houder lag er een tijd naar te kijken.
Als hij zijn rechteroog dichtkneep en zijn hoofd een klein beetje naar links verschoof dan scheen het licht van één van die vierkantjes recht in zijn andere oog, dat hij om die reden ook een beetje dicht moest knijpen. Als hij vervolgens zijn linkeroog dichtkneep moest hij zijn hoofd nog een beetje verder naar links verschuiven om het licht in zijn rechteroog op te vangen, maar dan zag de wereld er heel anders uit.
Houder vroeg zich af waarom dat zo was.
Toen vroeg hij zich af wat Willebrord er van gezegd zou hebben. Met alle kou en nattigheid in de geitenstal en de opwinding van de afgelopen dag had hij helemaal vergeten met Willebrord te praten en het gemis van zijn vriend sneed hem plotseling als diepe pijn door zijn ziel.

Als bij toverslag en om voor hem volkomen onverklaarbare reden moest hij aan de kameel denken die hij gisteren in de stallen had gezien.
Wat een wonderlijke ontmoeting was dat geweest. Alsof het dier iets wist dat hij, Houder, zou moeten weten. Of dat – Houder spande zich tot het uiterste in om helder te denken – of dat hij in de donkere ogen van de kleine kameel iets gezien had van wat misschien wel in de toekomst te gebeuren stond. Een soort voorafspiegeling.

- Geen zorgen, vriendje. Wat komt, dat komt. Wat nu is, is nu.
Dat was Willebrord.
Typisch Willebrord zou je bijna zegen. Altijd een beetje ontnuchterend praktisch en realistisch. Maar… hij had gelijk. Er waren praktische zaken aan de orde, zoals bijvoorbeeld eh… het ontbijt!

Houder sloeg de paardendeken – de konijnedeken had hij gisteravond niet eens uit zijn schoudertas gehaald – van zich af, zodat het stof in het zonlicht danste en stond, aangekleed en wel, het volgende ogenblik met de deurknop in zijn hand, gereed om naar buiten te gaan.

Hij luisterde.
Alles klonk normaal.
Normaal en avontuurlijk tegelijk.
Alles was zo… zo nieuw!
Het getjilp van de vogels op deze mooie herfstmorgen klonk schuchter, alsof ze wisten dat één mooie morgen nog geen lente maakt. En dan was er het geschuifel en gesnuif van de paarden in de stal die op dit moment waarschijnlijk gevoerd werden. Ver weg en wat dichterbij hoorde hij stemmen van mensen die elkaar iets toeriepen onderbroken door het schelle blaffen van wat Momo’s hondje moest zijn. Er werd gelachen.
Het was heerlijk geweest om alleen door de wereld te trekken, maar nu voelde het ook weer goed om deel uit te maken van een groep, om ergens bij te horen.

Hij opende de deur en viel, verblind door het zonlicht, bijna van het trappetje af, waarvan hij het bestaan in het tumult van de vorige dag vergeten bleek te zijn.
Er was niemand te zien en niemand die hem zag.
Wat een heerlijke morgen! De koelte van de nacht hing nog tussen de wagens, de dauwdruppels hingen in het gras en er was zelfs een soort laaghangende ochtendmist die snel zou verdwijnen als de zon straks wat krachtiger werd. Het rook naar stalmest en paddestoelen.

Even overwoog hij om op het trappetje te blijven zitten en de morgen op zich af te laten komen, maar toen zette hij zich in beweging, zijn neus achterna.

Camelia Bulton [X] August 1, 2011

Posted by ideeflux in : De Bulthouder , add a comment

Camelia Bulton

- Deze zijn van Pontius. Nu begrijp je zeker wel waar hij zich hier in het circus mee bezig houdt?
De ronde man had zijn arm vaderlijk over de schouder van Houder gelegd en nu stonden ze gebroederlijk naast elkaar in de lange groengestreepte tent voor een paar houten hokken met tralies ervoor naar weldoorvoede zwarte en witte konijnen te kijken. Een rij hoger stonden een paar gelijksoortige hokken met fijnmazig kippengaas, maar daar zaten duiven in.

Houder knikte. Het kon hem ook moeilijk ontgaan zijn. Op de binnenkant van de halfronde deur had een versleten affiche gezeten van een veel jongere Pontius met een zwierige cape om. De tekst die erbij stond was dan wel in het Frans, maar het geheel liet, met sterren en al, aan duidelijkheid weinig te wensen over. Nu hier, voor de konijnen en duiven, verdween zijn laatste twijfel, maar hij had helemaal geen zin om het juiste antwoord te geven. Hij zat hier toch niet op school?

Terwijl hij zijn hoofd van de hokken afwende begon hij zich zo vriendelijk als mogelijk en tegelijkertijd zo beslist als noodzakelijk aan de wat al te klemmende greep van de ronde man te ontworstelen. Bij binnenkomst had hij namelijk in zijn ooghoek iets gezien dat hij veel interessanter vond. Voorbij de stallen waaruit de staarten van drie paarden, een vos, een schimmel en een zwart paard gelijktijdig wapperden als de vlag van een onbekend land, lag een dier met haar lange poten onder zich gevouwen behaaglijk op het stro en juist op het moment dat Houder zich weer op vrije voeten bevond en naar haar toe wilde rennen draaide zij haar lange nek en keek hem met haar grote zachte ogen aan.

Als zoiets tussen mens en dier al mogelijk zou zijn, dan was dit liefde op het eerste gezicht.
Houder voelde hoe zijn hart in zijn keel klopte en iets in zijn buik zich samentrok, maar voor hij een stap in haar richting kon zetten zag hij zijn weg geblokkeerd door een bonte stoet personen die uit een opening in de zijkant van de tent stroomden waar Houder een doorgang naar de grote circustent vermoede.
Voorop liep een kleine atletische man in een rokkostuum die er mede door zijn grote neus, waarover hij Houder vriendelijk maar onderzoekend met zijn kleine grijze ogen aankeek, uitzag als een pinguïn. Hij greep Houders hand met beide handen en maakte een hoofse knik.
- Ach so, daar is de nieuwe jongen, welkommen, welkommen. Ik heet Adolf, en deze hier is mijn dochter Angelica. De man knipoogde zonder dat er een aanleiding voor leek te zijn, maakte een soort komische grimas die een grote vermoeidheid leek te verbergen en wees met zijn hoofd naar het meisje naast hem dat met haar rode vlechten, lach van oor tot oor en gespierde lijf moeiteloos voor een uit de kluiten gewassen Pipi-Langkous door zou kunnen gaan. Zij had een soort glimmend gouden badpak aan met netkousen en balletschoentjes. Ze lachte zoet, maakte een elegante kniks maar zei niks.
Dit was enkel de inleiding geweest want op datzelfde moment sprong er een piepklein hondje tegen hem op dat aan een enorm dik touw – het soort waar je hele grote boten mee vastlegt – de treurige dikke clown Momo met zich meevoerde in de schaduw waarvan een lange dunne man had gestaan die ook clown was, maar waar Houder de naam ogenblikkelijk van was vergeten. Gelijktijdig werd hij opgetild door drukgebarende zwarte jongens die beweerden broers te zijn maar in de verste verte niet op elkaar leken en gezoend door het meisje van de kassa dat aan een grote vogel met een lange donkere snavel deed denken. Mustafa met grote zwarte snor en een rood uniform met drie gouden strepen erop had een soort speech willen beginnen om hem welkom te heten en te zeggen dat hij er naar uitkeek om met hem samen te werken maar…

Het was Houder gaan duizelen en nu hij hier in zijn geïmproviseerde bedje op de sofa in de kassawagen probeerde de slaap te vatten draaide hij onrustig om en om terwijl hij de hele film nog eens afspeelde.
Tussen alle kleurrijke beelden die in zijn hoofd als het wasgoed in een wasmachine over elkaar heen buitelde was er één beeld dat centraal stond, niet bewoog en niet aan kracht leek in te boeten.
Het was het uiterst scherpe beeld van een elegant gedraaide nek, gevouwen poten, en grote warme glanzende ogen.
Het laatste wat Houder zag voordat hij uiteindelijk in een diepe slaap viel was het beeld van een kleine kameel liggend op het stro.