Degene met de Beste Argumenten heeft daarmee nog Geen Gelijk

Hoofd

Ik zag de kop van de politicus weer opduiken die zich jaren geleden, volgens het bijschrift, de woede van zeer velen op de hals gehaald zou hebben. De gebroeders de Witt indertijd, bij de gevangen poort. Het hoofd dat te grazen wordt genomen door de darmen, d’armen van geest. Het hoofd dat al die tijd dictaten opdringt aan de handen, het hart, het onderlijf. Het ongelofelijk irritante van die gelijkhebberige blik, de afgeslotenheid daarvan, het zelfbeschermende, denigrerende, het hoog boven in de ivoren toren gejaagde. Ik herken mijzelf, mijn eigen moed der wanhoop wanneer ik met argumenten mijn eigen ongelijk met een intellectuele draai in een zegen wil veranderen. Niet luisteren naar dat wat er zo onbeholpen gezegd wordt, enkel omdat het zo onbeholpen gezegd wordt.
Als iemand niet in staat is zijn of haar betoog van de juiste argumenten te voorzien, zich in het daarvoor iedereen ter beschikking staande Algemeen Beschaafd Nederlands uit te drukken, dan hoef Ik als Hoofd daar toch zeker niet naar te luisteren. Ik kan toch zeker geen aandacht besteden aan elke burp, boer of scheet uit de regionen van de onderbuik.
En dan verbaasd staan te kijken wanneer de vandalen komen, wanneer het gepeupel, het losgeslagen straat gewoel, bij wijze van argument met een mes gaat zwaaien of een bom gaat gooien. En dan de voorspelbaar bekakte reactie van het hoofd. Hé, hé, dat hadden we zo niet afgesproken, zo doen we dat toch zeker niet in een democratie.

Het hoofd heeft zich niet alleen meester gemaakt van de macht, maar ook van alle machtsmiddelen. Het heeft zich de taal toegeëigend en een absolute censuur ingesteld op alle andere uitingsvormen. Alles wat niet door die censuur, de ambtenarij van het hoofd komt, alles wat niet van de juiste leestekens voorzien in drievoud wordt ingediend, wordt simpelweg niet gelezen, sterker nog: voor het hoofd bestaat iets eenvoudigweg niet als het bestaan ervan niet wetenschappelijk is aangetoond.
Dit plaatst het hoofd in het ongekende isolement waar alle alleenheersers mee te maken krijgen. Uit puur lijfsbhoud buigen alle ministers en dienaren als knipmessen en de zonnekoning zelf kan nergens een plekje schaduw ontdekken, omdat de donkere plekken nu eenmaal per definitie onzichtbaar zijn vanuit het stralende middelpunt dat hij zelf is. Zo meent hij in alle oprechtheid de volledig foute conclusie te kunnen trekken dat er geen schaduw bestaat.

Sire uw einde is naderende, uw koninkrijk houdt binnenkort op te bestaan. Wat zegt die man, wat is dat voor koeterwaals, kunt u dat voor me vertalen? Gooi die snoodaard buiten, hij vergat mij almachtige te noemen. Hij sprak niet met twee woorden. Hij beargumenteerde zijn stellingname niet correct. Wij duelleren hier met het floret, wilt u zo goed zijn uw houwdegen af te doen?
Het hoofd zal struikelen wegens het gebrek aan voeten. Om opnieuw te kunnen bloeien dient het hoofd opengebroken te worden. Dat hoeft geen bloedbad te worden, maar onvermijdelijk is het wel. Het is niet genoeg voor het hoofd om een andere taal te leren, zich bij te scholen. Het hoofd zal zich moeten buigen, zich willig dienstbaar moeten maken aan dat wat het eerst met koele blik meende te overheersen, het hart, de handen, de longen, de darmen, de seksuele organen, de dieren, het warme lijf van moeder aarde.
Lief hoofd, lief klein hoofd, huil je ogen nat, word zo klein als je bent, leg je moede zelf te rusten in je armen, in de armen van geest.

Allah

Al

God heeft zoveel kleren aan, zoveel gezichten, zoveel namen. Elke naam roept in ons een ander aspect van Haar tevoorschijn.
Jezus noemde God Allah, de eenheid, het al.
Geven we God de naam Allah, dan openen onze ogen zich voor het geheel, alles wat we zien en wat we niet zien. God met de naam Allah nodigt ons uit om alles om ons heen met respect tegemoet te treden en om onszelf als onderdeel van dat geheel te zien. De waarheid van die naam openbaart zich in haar klank.

Toen het Christendom onze kant op kwam kreeg Allah de naam van God. In klank en woordbeeld lijkt deze naam uit te nodigen om Hem te zien als van ons afgescheiden. Een God waarvan gezegd wordt dat hij zich in de hemel bevindt. Die sommigen een beetje meer welgezind zou zijn dan anderen, die ons mensen heerser over de natuur gemaakt heeft. Een min of meer individuele God waarvan je hoopt, wenst en verwacht dat hij gehoor geeft aan de in zijn beperktheid misschien wat kinderlijke bede God zij met ons.

Jezus sprak van Allah.
Een taal is een wereldbeeld. In de vertaling uit het Aramees zijn de woorden van Jezus in een andere begrippenwereld, een ander levenspatroon, een andere geschiedenis terechtgekomen. Het is mogelijk dat we Hem nooit gehoord en begrepen hebben. Wat een tragische omweg!
Wij komen niet tot de Vader dan door de Zoon.
Wij komen niet tot Allah, het geheel, dan door onszelf, dan door onszelf zoon van het geheel te maken.
Allah is groot.

Het Zijnworden

Het Zijnworden

Voor dit waarvan ik nog niet weet wat het worden zal uit het ochtendlijke warme bed geslipt. Ons past enkel bescheidenheid. Wie leeft er door ons?
Het water doorstroomt de bedding. De rivier vormt zichzelf door te stromen. In de bedding staan stenen en stukken hout, die gevormd worden door het stromend water en op hun beurt het stromend water vormgeven.
De rivier slijpt zichzelf van rechtlijnigheid naar weelderige meandervormen. Dan doorbreekt zij haar eigen ondoelmatigheid.
De ongelovige honden! Zij denken er met ons leven vandoor te kunnen gaan. Zij hebben de vette kluif van hun gelijk in hun bek. Hun verstand is scherp als een zwaard. Het maakt geen omwegen. Er zijn geen plekken waar het water stil kan staan, de fijnere kleideeltjes uit kunnen zakken, de wereld beschut, geheimzinnig en vruchtbaar makend.
Vertrouw er maar op dat het woordloze leven sterker is. Dat wat geleefd wordt, dat wat van vlees en bloed is. Dat wat gedacht wordt over is enkel dat wat erover gedacht wordt. Ze mogen het tot wet verheffen, het raakt het leven niet. Onzegbaar dichtbij sluit ik mijn hand over de jouwe. Wij zijn wilde rozen. Op een gegeven moment stoten wij dat wat op ons geënt werd af. Niemand staat over onze naakte hemel dan dat wat ons slijpt, dat wat ons geschikt maakt diegene te zijn die we blijkbaar worden. Ons zijnworden is ons testament van waarheid, niet het verhaal dat we erover vertellen.
Wie mogen dat wat is opschrijven? Elkeen die een pen heeft en woorden. Wie zal gehoord worden? Degene met een luisterend hart.
Niemand kan ons een juk opleggen dat wij onszelf niet aangespen. De poort staat open. Het rivierwater stroomt door de straat. De nieuwe tijd is altijd slechts een strobreed van waar wij zijn. Hoor de ademtocht van dat wat veel groter is. Alles gaat verbazingwekkend snel. Houd je vast, stuur goed, geef je over.