Moedergod

Moedergod

Er was iets nieuws in de stad. Een gebouw met zachte wanden, zonder ramen. Een smalle hoge deur, rood licht binnen. Een zacht gemompel van stemmen. Vrede, vrede, vrede, genoeg, genoeg, genoeg…
Zieken werden uit hun huizen er naartoe gesleept. Invaliden, ontredderden van geest, zij die heimwee hadden, zij die oud waren en der dagen zat. De ontheemden, de dak- en de moedelozen. De geofferden, de verongelukten. Laat de kinderen tot mij komen stond er boven de deur, en iedereen stroomde tot haar, werd liefdevol ontvangen, welkom geheten, terug op de plaats van oorsprong, de moederschoot, de bron, om later, na een lange of een korte tijd, daaruit weer tevoorschijn te komen, fris en jong en nieuw, als herboren.
In en uit ging het, in en uit Moeder God. In haar hoofd zoemde het zachtjes. Ze droomde. Dit is het wat zij droomde, wij zijn het die ze droomde. Continue reading “Moedergod”

De Hond van Mozes

Mozes

Mozes staf was een slang, werd een slang, werd een staf. Hij sloeg zich er een weg mee door de rode zee. Hij sloeg op de rots en er was water. Mozes in ons loopt rond met zijn slangestaf en slaat op de rotswand. Water, water, water, in no-time staat het tot aan zijn knieën.

God vroeg Mozes: ga rond in de wereld en vind iemand die in alles minder is dan jou en breng hem hier bij mij. Mozes ging op weg, maar waar hij ook keek en wie hij ook ontmoette nergens vond hij iemand die minder was. In ieder die hij tegenkwam herkende hij kwaliteiten die groter waren dan die van hemzelf. Toen hij uiteindelijk moest erkennen dat hij niemand kon vinden, en de berg weer opliep naar God om Hem dat te vertellen, zag hij een dode hond liggen. Wel, dacht hij bij zichzelf, dit is een hond, ik ben een mens, bovendien, deze hond is dood en ik ben levend, misschien heb ik eindelijk gevonden wat ik zocht. Hij haakte het kromme uiteinde van zijn staf in de bek van de hond en begon hem met zich mee te slepen, maar terwijl hij dat deed krulden de lippen van de hond omhoog en ontblootten zich een rij prachtige sterke witte tanden. Mozes dacht aan zijn eigen tanden, schudde zijn hoofd en liet de hond liggen. Zo kwam hij met lege handen voor God te staan, aan wie hij niets hoefde uit te leggen.
Mozes, sprak God, het is goed je hier alleen te zien, want als je nog één meter verder was gelopen met die dode hond, dan had ik me voor altijd van je afgewend. Continue reading “De Hond van Mozes”

Ons Best

Ons Best

dat gaan we dus niet meer doen
we hoeven namelijk
helemaal nergens naartoe

laat datgene
wat zo graag bij ons wil zijn
maar naar ons toekomen

of beter nog
bij ons
zijn

daar hoeven wij eigenlijk
helemaal niets
voor te doen

of ja
misschien toch wel
een beetje

namelijk
niets

dat is wat we
er voor moeten doen
of laten

voor sommige mensen
is dat best wel
een beetje moeilijk

die moeten daar soms vreselijk
hun best
voor doen

voor anderen
daarentegen
gaat dat

automagic