Ochtendgymnastiek

Ochtendgymnastiek

Hoe de levensstroom ons meevoert. Hoe de levenssappen door ons lichaam stromen. Hoe wij langzaam openen voor wie we werkelijk zijn.
Dit ademen is natuurlijk meer dan genoeg. Wat is onze ambitie?
Twee weten meer dan één.
Twee nooit gedwongen, nooit gezongen, twee averecht.
Een gerecht voor twee.

Het ongekende lichaam met haar ongekende mogelijkheden.
Of wij er wonen? Het is ons nest, we vliegen er af en aan, om de jongen te voeren. En dat is dan ook de enige tijd die we er doorbrengen. We hoeven zelf niet meer te eten. Het hoeft niet meer. Wij downloaden de goddelijke manna rechtstreeks uit de hemel, zoals te doen gebruikelijk was bij de oude volkeren, toen wij nog jong waren. Lijfelijk sterk en geestelijk volgroeid.

Ik zoek iets, dat weet ik zeker. Ik weet niet exact wat ik zoek, maar ik zoek iets door middel van deze woorden. Ik wil… iets gestalte laten krijgen, gedaante laten aannemen. Het is… de geur van vrijheid, de geur van het schijnbaar onmogelijke dat binnen handbereik ligt. De onwaarschijnlijke vreemdheid van het leven. Het zelfcreërende daarvan, het zelfzoekende, zelfbevestigende.
Vergeet wat je weet, zet de deur open, laat de adem van God langs je wanden stromen. Dat de levende dag je hebben mag.

Wat Nu?

Wat Nu?

Opeens weer terug op deze plek, aan de sneeuwwitte rand van mijzelf, aan de branding, aan het schoorvoetend begin van een oneindig breed strand. De woorden glijden als voorgesproken kiezels over elkaar, slijpen elkaar tot rond, tot meegaandheid.
Moge ik in mezelf komen tot de plek waar het toe doet, zodat ik weet waar het over gaat, zodat ik weet waarop ik mijn keuzes, mijn handelen baseer.

We lopen door het park, het arboretum, ik weet precies waar. Ik heb blijkbaar een ribfluwelen broek aan want ik hoor zwoesj, zwoesj onder het lopen. We lopen in de zon op zanderig droge kiezelpaden en even later in de paarse schaduw van de bomen. Zo ervaar ik de volwassenen om mij heen ook, als lichtere en donkerder plekken, als warmer of koeler, als nabij of verder afgelegen, toegankelijk of afgeschermd. Ik loop dus als het ware gelijktijdig door verschillende landschappen.
Een eind verder hield de wereld heel beslist op met een soort ruk alsof ik vast zat aan een eind touw. Daar was voor lange tijd geen verder meer, tot uiteindelijk, veel later, toch weer wel. Dan werd het eind van de wereld met een gewaagde uittocht net nog een stukje verder gelegd. En zo is het gebleven.
Mensen zijn nog steeds min of meer ontoegankelijke landschappen en in mijzelf heb ik grenzen afgebakend waar ik maar zelden over heen ga.

Ging ik nog maar eens de goudvissen voeren in dat zelfde park, dat wil zeggen, waarom zou ik niet met een afgemeten kleinheid, overzichtelijkheid op pad gaan. De grote vragen mijden, nee, de grote vragen tarten door ze aan originele kleinheid te meten.
Waarom gaan we niet met moeders en Does wandelen in het bos?
Waarom niet?

Er loopt een kind in ons mee dat maar weinig aan hets trekken komt. Het zeurt allang niet meer want er wordt toch nooit naar geluisterd. Wij zijn afwisselend zonnig, schaduwrijk, bereikbaar en ontoegankelijk voor hemhaar, voor het, voor het vragende, het willende weten, het uitreikende.
Het leunt tegen mijn knie. Wat of ik aan het schrijven ben en of het nog lang duurt.
Ik voel mij open als het gras, als een zachtzonnige weide. Ik til hem naar binnen. Ik til mij naar binnen, op naar de onafzienbare groene vlakte, naar het land van de onbegraasde mogelijkheden.