Het Doorgangshuis

Het Doorgangshuis

Zij was aangekomen in een ander gebied van zichzelf. Ze kon niet vertellen hoe het gebeurd was, wat ze ervoor had moeten doen of laten, of wat haar had geholpen. Het enige dat ze ervan kon zeggen was dat ze op een ochtend simpelweg onder een andere hemel wakker was geworden, in een soort verbazingwekkende licht- en openheid. Alsof de grauwe deken die vijf jaar lang over haar heen gelegen had van haar was afgetrokken.
Moest ze nu spijt hebben van die vijf jaar?
Nee, natuurlijk niet. Spijt is de klauw van de grauwe deken in een laatste poging je terug te trekken in dat wat voorbij is. Ze lacht. Het gaat nergens over. Het gaat nergens naartoe. Ik ben oneindig licht. Ik heb mij door mijn angsten op laten eten en er is niets meer van me over dan een vrouw met overgewicht. Dat gewicht draag ik met sierlijkheid, met mijn eigen potsierlijkheid. Ik ben deze, ik ben eindelijk deze geworden. Ze zoent me op de mond, wij dansen, wij dansen en draaien, we verdwijnen en komen terug. Vanochtend in bed bedacht ik me: ik sloop het plafond uit mijn kamer en dat wat daarachter zit, schilder ik hemelsblauw.

Bloem

Bloem

Ik wil iets, iets met woorden. Is het woordloze niet goed genoeg? Jawel, jazeker, maar het woordloze wordt zo smakelijk, zo transparant, zo tastbaar met een klein woordje erbij, als een koekje bij de thee.
Ik fluister woorden van liefde. Kijk, voel, zie, hoor. Ik lispel in mijn oor, ik tjilp in mijn boom, ik ga met ranke vleugelslag van tak tot tak. Ik zit nog even binnen met mezelf hoewel buiten een stralende dag vraagt of ik buiten kom spelen.
Gisteren deed ik een puzzel. Gaandeweg loste ik de puzzel op. Ik at de gezellige geborgenheid van het puzzelen op, juist door te puzzelen. Af en toe keek ik op, zodat ik wist wat ik aan het doen was en hoe gezellig het was, hoe geborgen, hoe veilig, hoe onnozel. Zo thuis. De kaarsen brandden.
Later ging ik omhoog om te schilderen. Ik schilderde een man als een bloem, openbloeiend, als een uit zichzelf geboren worden.

Mijn Eendje

Mijn Eendje

Ik kwam bij het Westen, de poort van de emoties, en er was niets. Leegte, weidsheid. Alsof over en voorbij. Alsof niet meer nodig.
Buiten kreunt en raast de moloch van geld en tijd. In het station staren mensen onbewogen naar de verrichtingen van het leger. Ons leger in een ander land.
Wij hebben onbetrouwbare bondgenoten en toch lopen we mee. Misschien valt er onderweg een vette hap van de wagen, je weet maar nooit. Soms draagt lafheid het gezicht van moed. En soms is het andersom.
Ondertussen draag ik dit leven naar de zee, draag ik dit leven voorwaarts, op deze benen. Wat is het dat ik draag? Waar draag ik het naartoe?
Welke woorden geef ik aan dat wat is, aan de ik die is? Ik kan er andere woorden aan geven. Ik kan mijzelf verplaatsen, een andere plek in mijzelf opzoeken. Een andere plek op de wereld opzoeken.
Een eend kan vrij overal naartoe vliegen en toch vind je sommige eenden in een meer in de natuur, anderen in een vijver in een park en weer anderen in een vervuilde gracht of sloot. Hebben zij geen vleugels? Heb ik geen vleugels? Kan ik mijzelf toestaan naar dat meer te vliegen, dat meer van minder. Meer tijd, minder drukte.
Wat bindt de eend? Wat bindt mij? Wie bindt zich in mij? Wat houdt zich soms, in mijzelf, aan zichzelf vast? Kan ik mijzelf toestaan te vliegen? Kan ik vliegen in mijzelf? Kan ik in mijn eendje zijn?