Wat Nu?

Wat Nu?

Opeens weer terug op deze plek, aan de sneeuwwitte rand van mijzelf, aan de branding, aan het schoorvoetend begin van een oneindig breed strand. De woorden glijden als voorgesproken kiezels over elkaar, slijpen elkaar tot rond, tot meegaandheid.
Moge ik in mezelf komen tot de plek waar het toe doet, zodat ik weet waar het over gaat, zodat ik weet waarop ik mijn keuzes, mijn handelen baseer.

We lopen door het park, het arboretum, ik weet precies waar. Ik heb blijkbaar een ribfluwelen broek aan want ik hoor zwoesj, zwoesj onder het lopen. We lopen in de zon op zanderig droge kiezelpaden en even later in de paarse schaduw van de bomen. Zo ervaar ik de volwassenen om mij heen ook, als lichtere en donkerder plekken, als warmer of koeler, als nabij of verder afgelegen, toegankelijk of afgeschermd. Ik loop dus als het ware gelijktijdig door verschillende landschappen.
Een eind verder hield de wereld heel beslist op met een soort ruk alsof ik vast zat aan een eind touw. Daar was voor lange tijd geen verder meer, tot uiteindelijk, veel later, toch weer wel. Dan werd het eind van de wereld met een gewaagde uittocht net nog een stukje verder gelegd. En zo is het gebleven.
Mensen zijn nog steeds min of meer ontoegankelijke landschappen en in mijzelf heb ik grenzen afgebakend waar ik maar zelden over heen ga.

Ging ik nog maar eens de goudvissen voeren in dat zelfde park, dat wil zeggen, waarom zou ik niet met een afgemeten kleinheid, overzichtelijkheid op pad gaan. De grote vragen mijden, nee, de grote vragen tarten door ze aan originele kleinheid te meten.
Waarom gaan we niet met moeders en Does wandelen in het bos?
Waarom niet?

Er loopt een kind in ons mee dat maar weinig aan hets trekken komt. Het zeurt allang niet meer want er wordt toch nooit naar geluisterd. Wij zijn afwisselend zonnig, schaduwrijk, bereikbaar en ontoegankelijk voor hemhaar, voor het, voor het vragende, het willende weten, het uitreikende.
Het leunt tegen mijn knie. Wat of ik aan het schrijven ben en of het nog lang duurt.
Ik voel mij open als het gras, als een zachtzonnige weide. Ik til hem naar binnen. Ik til mij naar binnen, op naar de onafzienbare groene vlakte, naar het land van de onbegraasde mogelijkheden.

Of ik Levenslust?

Lenvenslust

Dit heeft me vaak geholpen, dus waarom nu niet weer geprobeerd. Wee gevoel, in de elleboog, de knie, de nek. Zelfgestelde diagnose over een zelfgecreëerde werkelijkheid. Niet zozeer de wil om gezond te worden maar wel om te ontsnappen aan dit zelf.
Niet zozeer kiezen voor leven, maar voor het sussen daarvan, het uitdoven, het eeuwig sluiten van compromissen ter wille van de lieve vrede, en dan de hele wereld, die je daarmee uitnodigt om als een luis op je zere hoofd te komen wonen, vervloeken.
Ik wilde meer, meer van iets nieuws, iets fris, de verlokkingen van de verte kortom, maar toen ik aankwam bleek het enkel meer van hetzelfde. Oh gladstrak staalblauw meer omzoomd door de prille lichtgroenheid van berkenbomen. Belofte van wat nog gaat komen, meer van de eeuwige jeugd, van het naar voren schuiven, van het oplossen door door te sturen naar later, naar anders, naar nieuwe vorm.
Ik ben nu onverhoeds in het spinnenweb van mijn trage zelf terechtgekomen. Niet zonder reden natuurlijk. Ik vertraag mijn stap tot ik omval, spin mijzelf in, maak een klein gaatje bij mijn nek en zuig zo de laatste levenssappen uit mijzelf weg, laat mijn lichaam als een verschrompelde lege zak achter.
Laat de kwaliteit van het resultaat dat je uiteindelijk wil bereiken, sturende zijn aan het proces dat je moet doorlopen om dat resultaat te boeken. Met andere woorden: als je iets moois wil, laat schoonheid dan je gids zijn. Als vrede je doel is, dan moet vrede je weg zijn. Als gezondheid je doel is, harmonie, liefde, laat deze drie koningen dan de juiste ster vinden, en volg die ster.

Wie is diegene die zich gelukkig meent te prijzen met de levenssappen die hijzij zo arglistig, zo genadeloos aan mij ontfutseld heeft? Die persoon ben ikzelf, natuurlijk. De uitleveraar – de compromissenmaker – en de uitzuiger zijn precies dezelfde figuur.
De eerste wil vrede tegen elke prijs, wil daar zelfs de hoogste prijs voor betalen, de tweede wil een gratis ritje naar het paradijs.

Ik laat het maar even staan zo, in disharmonie. Twee noten die elkaar nog niet kunnen vinden. Laat het toonverschil, laat de discrepantie, het kleurverschil, het verschil van mening nu maar eens mijn leidraad zijn, mijn proces bepalen. Als ik me niet vergis, is dit mijn nieuwe ster. Wat zou het kind kunnen zijn dat zich in dit badwater verscholen houdt, waar zou een proces van het benoemen van de tegenstellingen toe kunnen leiden? Laat het duidelijkheid zijn, laat het waarheid zijn, moge het gezondheid, vitaliteit en levenslust zijn.

Ik ben de Deur

Ik ben de Deur

In eerste instantie is er niets, althans, zo lijkt het. Witte lakens, wit papier, het gescheur van auto’s, een tram. Alle lichamelijke gewaarwordingen, het zitten, de rug, de vingers op het toetsenbord. Eerst lijkt er niets, maar als ik er met mijn vinger langs strijk komt er van alles tot leven, alles beweegt, ademt.
Eigenlijk is het meer dan genoeg, maar toch wil ik meer. Ik wil dat zich onder deze aanraking een deur opent. Naar wat? Goeie vraag, goeie strikvraag, goeie uitnodigende vraag. Het beantwoorden van die vraag is het openen van de deur.
Een deur naar weidsheid, naar een ver verschiet, naar openheid, naar vrede. Een deur naar een mooi verhaal, een deur naar een lang vergeten verhaal, een vergeten oksel, een vergeten vleselijke schuilhoek, een teder gebaar.
Er is zoveel in deze voorraadschuur. En het mooie is dat alles dat ik erin heb opgeslagen van waarde is veranderd omdat ikzelf veranderd ben. Als ik er nu iets uit haal en bekijk en het tegen het licht houd lijkt het zoveel aan waarde gewonnen te hebben ten opzichte van het moment dat ik het er in stopte. Elk voorwerp heeft aan aanraakbaarheid gewonnen. Elk voorwerp spreekt vanuit een diepere laag, een laag die ik er vroeger nooit onder vermoed kon hebben.
En dan is het nu het juiste moment dat één van die voorwerpen zich in mijn hand legt, zich in mijn hand openbaart. Er is nog geen voorwerp, maar de hand is er al, het houden, het in diepte doorvoelen.
Er komt niets. Dat wil zeggen… het overhemd met lange mouwen, zwart geel geblokt, mijn allereerste overhemd met lange mouwen dat ik tot mijn grote teleurstelling niet aanmocht omdat het zulk mooi zomerweer was, dat overhemd komt op onverklaarbare wijze binnenzeilen en ik had het bijna afgedaan als niet goed genoeg wanneer ik mijzelf niet beloofd had volledig eerlijk te zijn. Bijna had ik het roeibootje met God erin weggestuurd om op iets beters te wachten. Later ben ik dat overhemd of stukken daarvan nog tegen gekomen in de lappenmand. Ik moet het als poetsdoek gebruikt hebben bij het verven. Ik voel de stof die iets bobbelachtigs had nog in mijn hand. En daar doorheen de tederheid van mijn jonge huid, de huid van mijn jonge armen. Mijn jonge frisse wezen, als de adem van het meisje van de toneelschool dat op kusafstand gedichten aan me fluistert, haar ogen groot als meren, zacht, wijd romig, dromerig.
Ik had haar graag aangeraakt, maar in plaats daarvan raak ik nu mijzelf aan, mijn eigen jongheid, jonkheid, frisheid, dauwbedruptheid. Ik voel mijn eigen schoonheid op het moment dat ik schoonheid zie. Het is werkelijk waar, ik voel me altijd net zo mooi als het voorwerp of degene die ik bekijk. En er is zoveel schoonheid, er is… enkel schoonheid.
Ik heb mijzelf naar houden van geschreven. Naar het mooiste dat zich achter welke deur dan ook kan bevinden. En… alles kan die deur zijn, alles is die deur, wij zijn die deur naar alles. Wij zijn het voorwerp van liefde, van schoonheid, van stille aanbidding, van geluk, van vreugde.
Ik ben de deur naar de wereld. Door mij, jij, jullie, wij.
Door mij… ik, door mij… dit.