jump to navigation

Synopsis I February 27, 2010

Posted by ideeflux in : Synopsis , add a comment

Sebastian Petersen

Wat er te veel aan willen is laten gaan, niet willoos worden maar vol van besluit tot overgave. De weg voor zich zien en hem al doende lopen, willig en oplettend.

Het zweet druppelde van zijn voorhoofd, prikte in zijn ogen, deed zijn hemd op zijn rug plakken. Hij hijgde. Dit was enkel maar een vingeroefening, een voorspel voor iets veel groters. Hij was geweldig opgewonden. Hoe dieper hij zou graven, hoe meer hij zou blootleggen, hoe meer hij te weten zou komen. Niet zozeer over Galliërs en Romeinen, maar gaandeweg, stap voor stap, schep voor schep, penseelstreek voor penseelstreek, over zichzelf. Alsof de aarde een groot hoofd was en hij zichzelf teruggroef naar een bepaalde lang vergeten herinnering. Alsof hij zichzelf teruggroef naar dat gedeelte van zichzelf dat daar lang geleden begraven was, en dat het onthullen van die nog onbestemde persoon, dat dat de vervulling van zijn leven zou zijn, het rond zou maken, hem zou verzoenen met het onverzoenlijke, de cirkel ongebroken.
Dit zou natuurlijk allemaal geleidelijk aan gebeuren. Voorwerp voor voorwerp zou hij zijn geheugen weer aanvullen, completeren. Details waar hij normaal het geduld niet voor had zou hij met liefde en precisie afborstelen, in kaart brengen, beschrijven, omdat hij wist, vermoedde of enkel hoopte dat deze zoektocht niet alleen voor hemzelf van het allergrootste belang zou zijn.

De dag liep teneinde en ik voelde mezelf ook ten einde lopen. De schaduwen werden langer, het asfalt plakte niet meer. In de wei lag een klein groepje roodbruine runderen, koeien, kalveren en een stier. De stier als sluitsteen van een ring. De stier die geïsoleerd van de kudde veel misbaar zou kunnen veroorzaken nu als bewijs en verzegeling van vrede, omdat hij de juiste plaats in nam. Hij knipoogde naar mij met beide ogen tegelijk. Bemoedigend, bevestigend. ‘Het is goed dat jij op weg bent, jongen,’ scheen hij te zeggen, ‘jij gaat, maar wij blijven. Wij hebben ons leven hier. Begin, midden en eind. Wij zijn rond en jij moet gaan, want jij bent op weg naar je eigen rondheid, je eigen plek van volmaaktheid. Ga in vrede, mijn jongen, ik geef je mijn zegen.’
Zo zijn de dieren. Zij hebben zichzelf al vele malen door de volte van de cirkel geleefd, en komen vervolgens hier terug in hun volmaaktheid om ons op onze weg te bemoedigen te ondersteunen, om ons van steun, advies en wijze raad te voorzien. Hun geduld en willigheid als een voorbeeld, een inspiratie, spreken zij constant in een taal die wij reeds lang vergeten menen te hebben. Zij fluisteren. Zelfs in de nacht bevolken zij onze dromen. zij slapen niet maar zijn zonder ophouden bezig ons leven van vingerwijzingen te voorzien, te verrijken, te sublimeren. Als grootouders hun kleinkind bezien zij ons met toegeeflijke welwillendheid. Alle brokken die wij maken zien zij door de vingers, en al de pijn die we hen berokkenen is al bij voorbaat vergeven.

Het Verkeerde Gevecht Winnen February 21, 2010

Posted by ideeflux in : Een nieuw Begin , add a comment

Het Verkeerde Gevecht Winnen

Wat is de omweg die me naar het doel zal leiden? Als ik maar eenmaal de juiste omweg heb, dan komt de rest vanzelf. De omweg is immers de kortste verbinding tussen twee punten.

Eenmaal aan de armoede ontsnapt was er voor de meeste families geen groter genoegen dan zich rond tafels volgeladen met het meest fantastische voedsel te scharen en zich te goed te doen, de schaarste te vergeten door zich zat te eten. Er werd gelachen dat het een lieve lust was, soms werd er gezongen en gedanst. Later waren het de barbecues, want het moest vooral vlees zijn, veel vlees, bergen van vlees, want vlees is een teken van rijkdom.
Het was meer de blije uitgelaten en opgeluchte stemming dan het eten zelf waaraan iets in haar ziel zich hechtte, en toch was het logischerwijs haar lichaam dat de eerste tekenen ging vertonen van haar overmatige eetlust.
- ‘Zou je niet eens wat minder…’ begonnen de stemmen om haar heen te suggereren.
- ‘Het is niet erg flatteus voor een meisje om zo dik te zijn, …en je hebt zo’n mooi gezichtje!’
Iets in meisje draaide zich om. ‘Ik weet dat eten goed voor me is, het voelt immers goed. En bovendien: ik bepaal altijd nog zelf hoe ik mijn leven zal leiden.’
En dat is wat ze deed. Ze keerde zich met al de kracht van haar jeugd tegen de stroom van het leven zoals dat aan haar werd aangeboden, vastbesloten haar eigen spoor te trekken, haar eigen leven op originele wijze vorm te geven. Ze trok weg van waar ze vandaan kwam, reisde over uitgestrekte prairies, eeuwenoude bossen, meren, rivieren, oceanen. Precies in de tegenovergestelde richting van waar haar voorouders een eeuw geleden vandaan waren gekomen, precies daar ging ze naartoe. En ze genoot met volle teugen, van het leven, van de liefde en… ja, natuurlijk, van eten. Uiteindelijk streek ze neer met haar enorme hemellichaam, voldaan over wat ze in haar eigengereidheid tot stand gebracht had, en niets vond ze mooier dan via haar kookboeken haar wereldreizen nog eens dubbel en dwars over te doen. Maar de krakende levenslust van haar jeugd, had ze onderweg, zoals de meeste van ons, achter zich moeten laten.
Op een dag werd ze ziek. Een oude kraai landde op het voeteneinde van haar bed en begon zachtjes te lachen.
- ‘ Wat zit je daar toch, ouwe lijkenpikker en wat valt er in hemelsnaam te lachen.
- ‘Ach meisje, gun een ouwe kraai toch zijn simpele genoegens, ik ben enkel hier om je te feliciteren’.
- ‘Jij mij feliciteren, terwijl ik hier ziek in bed lig?’
- ‘Jazeker’ zei de kraai terwijl hij een denkbeeldig pluisje van zijn zwarte jas plukte, ‘jij hebt immers gewonnen’.
Meisje haalde haar sierlijke wenkbrauwen op, boven haar fonkelende ogen.
- ‘Ik lig hier in bed en jij, zwart als de dood, komt zich een beetje vrolijk over mij maken?
- ‘Meisje, kalm toch. Hoor, luister, ik zal het je uitleggen.
En de kraai begon haar geduldig en met veel voorzichtig gekozen woorden te vertellen hoe ze als kind had besloten om een gevecht aan te gaan met haar ouders, haar broers en zusters, haar leraren, kortom haar hele familie, om hen te tonen dat ze haar eigen weg zou kunnen gaan. Ongelukkigerwijs had haar familie altijd veel aandacht gegeven aan haar uiterlijk, haar eetpatroon, en haar omvang en dat was uiteindelijk de focus geworden van haar strijd en hij, Kraai, was enkel hier om haar te vertellen dat ze die gewonnen had.
- ‘Hoe bedoel je dat, Kraai,’ zei Meisje nu een beetje milder, ‘gewonnen?’
- ‘Ik wil eigenlijk twee dingen zeggen.’ zei Kraai nu met een zeker air van gewicht. ‘Ten eerste dat je het gevecht tussen jou en je ouders, over eten en al of niet dik worden in je voordeel beslist hebt: je hebt gewonnen.’
- ‘Nou mooie overwinning is dat, daar moet ik zeker blij mee zijn.’ Meisje was het huilen nader dan het lachen.
- ‘Nee, juist, eh… natuurlijk niet, want dat is precies mijn volgende punt: je hebt dit gevecht dan wel gewonnen, maar je hebt al die tijd de verkeerde strijd gestreden, het is het verkeerde gevecht geweest. De strijd die je aangegaan bent heeft zich tegen jezelf gekeerd’ Kraai keek haar triomfantelijk aan.
- ‘Het verkeerde gevecht?’ Meisje dacht na en Kraai zei niets.
Het was lange tijd stil.
- ‘Ja… nu begrijp ik het,’ zei Meisje dapper terwijl ze bedachtzaam haar hoofd knikte. Er rolden tranen uit haar mooie ogen over haar wangen, op haar pyjama, op haar kussensloop.
Toen Kraai weg was nam ze een besluit. Ze had zichzelf bewezen dat ze haar eigen wil kon volgen tegen de stroom van alles en iedereen in, maar nu zou ze bewijzen dat ze haar eigen wil kon volgen ten bate van haar eigen geluk en gezondheid. En dat is wat ze deed. Alles wat teveel aan haar was liet ze achter zich, ze werd licht van gewicht en nog lichter van gemoed. Mensen die haar kenden waren verbaasd over de elegante verschijning die hen tegemoet kwam, haar opgeruimdheid, wijsheid en levenslust. En als de mensen haar vroegen hoe dat zo kwam dan zei ze altijd: ‘Als je aan het vechten bent weet je eigenlijk automatisch al dat je op het verkeerde spoor bent, want de authentieke weg van eigenheid wordt niet uit tegendraadsheid geboren. Ga met je stroom mee, dat is de weg naar geluk, overvloed en gezondheid.’

- ‘… en de omweg dan?’ Kraai hoort het je denken.
Hij lacht stilletjes voor zich uit terwijl hij zich met zijn gevingerde vleugels een weg door de koude winterlucht ploegt.
- ‘Dat is een… mooi raadsel. Ik kan het niet voor je oplossen.’ Kraai vloog even met zijn ogen dicht. Hij wist dat hij zo zou sterven, al vliegende met de ogen dicht, maar nu nog niet, nee, nu nog lang nog niet.
Was er nog iets meer te zeggen. Kraai sloot zijn ogen weer en lachte, de kleine kraaienpootjes naast zijn ogen glommen in het licht van de ondergaande zon. Hij lachte om het raadsel. Om het leven. Om het raadsel dat leven heet.

Rijst Vis Eend… January 29, 2010

Posted by ideeflux in : Recepten , 1 comment so far

Rijst Eend

Zachtjes tegen de deur duwen. Wat daarachter is niet verstoren, voorzichtig naar binnenglippen. Dit is de plek waar vanuit wij leven, de stille plek, de alomvattende plek. De plek waar wij elkaar, onszelf kunnen ontmoeten.

Ik lag in bed. Ik was zo zwak en kon maar niet beter worden. Pas toen ik gebutste pannetjes met tot pap gekookte rijst te eten kreeg krabbelde ik langzaam maar zeker overeind. Buiten was het prachtig. Weidse meren bedekt met lotusbloemen tegen de achtergrond van theebergen.
Aan de rand van het meer stonden eenvoudige huisjes, de meeste niet groter dan één of twee kamers en voor één daarvan zat een man aan de rand van het water met een primitief soort hengel, een korte stok met een vislijn er aan gebonden.
Juist op het moment dat wij aan kwamen wandelen had hij beet. Hij schoot voorover, zo hard werd er aan de lijn getrokken en na wat heen en weer gebalanceer op de rand van het meer moest hij het water wel in springen om te voorkomen dat de lijn zou breken. Het was een magisch gevecht van geven en nemen, waarbij de man op een gegeven moment tot aan zijn oksels in het water stond.
Uiteindelijk keerde hij terug als overwinnaar met een glimlach van oor tot oor op zijn stralende gezicht en in zijn armen een enorme karper – een waarachtige goudvis, oranje, goud en geel glanzend en spartelend en spattend als het zonlicht zelf – die hij ogenblikkelijk trots en met opgetogen sprongen zijn huisje binnen droeg.
Later op de dag toen we terug kwamen van één van de theebergen at ik in mijn eentje bijna een hele eend op die, van top tot teen, van snavel tot zwemvoetjes, diagonaal in reepjes van zo’n twee centimeter gehakt was. Het was die eend – ik ben er hem of haar nog steeds dankbaar voor – die er voor zorgde dat ik uiteindelijk mijn kracht weer terug kreeg.

Ahumm. Het schrapen van de schrijfkeel na een maand van onbruik. Weer thuis raken in onmetelijke vrijheid. Daar kind aan huis zijn. De hemel aftappen, een wijn bereiden van dat wat op eigen vat gegist is.

Ik was weer ziek. Ik lag lange tijd in bed en als ik probeerde overeind te komen werd ik met zachte doch besliste hand weer terug in de kussens geduwd. Ziek zijn als onverbiddelijk sein van beter worden. Ziek zijn als richtingaanwijzer voor gezondheid.

Na een korte of een lange tijd moest ik aan bovenstaand verhaaltje denken, ik richtte een gedachteslang omhoog om dat vaatje af te tappen, en die avond at ik rijst, tot pap gekookt als voedsel voor de zuigeling die ik ondertussen geworden was. Ik was aan haar genade overgeleverd en juist daardoor wist ik me – uiteindelijk – te openen. De dorstige vis die in mijn oceaan leeft opende eindelijk haar mond. Ik opende mijn mond voor de genade van grote Moedergod en zij tilde mij aan haar borst.
Daarna maakte ik als vanzelf een wandeling langs de merkwaardig onbegrepen plekken waar ik in mijn leven aan voorbij ben gegaan, de voetstoots aangenomen dingen die zich pas bij een intensere beschouwing willen openbaren. Zoals het spiegelend oppervlak van water de geheimzinnige wereld daaronder afdekt, zo heeft alles een spiegelend oppervlak. Alleen als mijn gedachtevis, mijn droomvis, die zwemt in de zeeën van mijn bewustzijn, haar mond opent kan het ongedachte een weg naar het gedachte vinden. De Chinees ving de vis en bracht haar als een feestmaal zijn huis binnen. Ik haalde mijn vis uit de kleine vijver en gooide haar in een veel grotere, een meer, de zee, de oceaan.
Nu maak ik mij op om de theebergen te beklimmen. Tussen het zachte groen omhoog lopen, mijn huid laten bestrijken door de jongste puntjes, die naar men zegt de zuiverste smaak hebben. Ondanks al mijn goede voornemens span ik me toch nog teveel in en bovengekomen moet ik voor lange tijd op de grond liggen. Ach deze zwakte die zich steeds weer aan me opdringt en die ik even zo vaak van me af probeer te duwen. Wanneer leer ik zwakte mijn vriend te maken, gebrek mijn vervulling, onnozelheid mijn gids?

Tussen de lotusbloemen scharrelt een eend. Met zijn ongeschonden gave voetjes hangt hij in het onbekende water, zijn bewegelijke lijf bevindt zich in het even onbekende heden. Hij is zo levend, zo druk doende.
Geef mij ook een roeping, Vadergod, zodat er een ritme, een melodie door mij zal stromen, waarop ik kan bewegen.

Laatste Schaapwoorden [VIII] December 30, 2009

Posted by ideeflux in : Het Hart Helen , add a comment

Laatste Schaapwoorden

Mmmm. De ochtendzon over sneeuw. Ikzelf in een kamer die zijn bestemming nog moet krijgen, een ruimte vol leegte, vol van verwachting.

Er zijn altijd mogelijkheden om dat wat je wenst dat komen gaat nu reeds te proeven, nu reeds naar je toe te halen. Dat wat je graag wil moet er in zekere zin al zijn, anders kan het immers niet komen.
Het is goed als we het einde scherp voor ons zien, dan kan het verhaal zich al gaande een weg banen naar waar het einde als een stralend baken in de donkere nacht staat.

We waren – zo begon het – vanuit Leiden naar de Prinsenhof in Delft getogen om de tentoonstelling van Dirk Bouts te zien. Als vijfjarige vergaapte ik me aan de Middeleeuwse wreedheid van vierendelingen, afgehakte borsten en het hoofd van Johannes de Dooper op een schaal. Omdat het kunst was, was het veilig.
Net voordat we weggingen liep ik door het poortje heen en keek, met mijn rug naar de kerk over het brugrijke perspectief van de Oude Delft. Het was alsof ik wegschoot in een reeds levende toekomst, of ik me op dat moment voor even verloor in dat wat voor een substantieel deel mijn leven zou worden.
Het verhaal dat ik – nog altijd – bezig ben te schrijven moet hier zijn glorieuze einde vinden, maar dan met een omgekeerd perspectief, dus vanaf één van de bruggen in de richting van de Oude Kerk, waarvoor ik als vijfjarige in de toekomst sta te gapen juist voor mijn moeder me in mijn nekvel grijpt om me – voor even – de veiligheid van de auto in te sleuren, ver weg van alle vleselijkheden waar Dirk Bouts zojuist mijn ogen voor geopend heeft.

Zij waren met elkaar in gesprek geraakt, de oude witte krokodil en het meisje. Eerst zwijgend, stamelend, woord voor woord. Angstig, verlegen, vanuit wederzijdse gereserveerdheid, bevooroordeeldheid jegens zelf en ander. Dat dit onmogelijke gesprek plaatsvond was omdat ze beiden niets meer te verliezen hadden.
Op een avond – er moet een maan geweest zijn want ik weet nog goed hoe ik kon zien hoe bij mijn vriend, die zich nog altijd in zijn schuilhoek bevond, de tranen over zijn wangen stroomden – strekte het meisje haar arm over het roerloze water en legde haar hand zonder te aarzelen op de schubbige kop van de krokodil, juist tussen de eilanden van zijn ogen, die zich ogenblikkelijk sloten om als hongerige vissen op zoek te gaan naar de ongehoorde warmte die zich langzaam in zijn voorhoofd verspreidde.
Vanaf die dag is alles snel gegaan, zonder dat mijn vriend de ontwikkelingen verder nog heeft afgewacht. Tot diep in de nacht sleutelde hij aan zijn motorfiets, aan zijn reptielachtige vriend, zijn prehistorische monster, zijn dierlijke zelf. Het ging goed en voorspoedig, hij humde en zong dwaze liedjes, kinderliedjes, zelfgemaakte wijsjes en woorden, wreef zich met zwarte olie over het voorhoofd terwijl hij voor zijn geestesoog langs hel bemaande hemel scheerde.

De krokodil zelf kreeg ondertussen zijn groene kleur terug, want toen meisje haar hand weghaalde was er een groene afdruk tussen de borsten van zijn ogen blijven staan in de vorm van… ja, inderdaad, een soort van vijgenblad, die zich na verloop van tijd als vanzelf over zijn hele lichaam uitspreidde.
Een lange of een korte tijd later waagde zij zich zelfs wijdbeens op de gladde knokige rug en na de eerste voorzichtig rondjes in het botenhuis waren de krokodil en het meisje steeds stoutmoediger geworden, en allengs verkenden ze het nachtelijke zwart van de Delftse grachten tot ze uiteindelijk in volle glorie het einde van dit verhaal binnenvoeren. Over de Oude Delft richting de van verbazing en verrukking opengevallen mond van mijn vijfjarige zelf terwijl mijn vriend op zijn motorfiets grommend van vreugde een perfecte cirkel maakte, rond de torenspits van de Oude Sint Jan, rond de maan, rond de verre planeet van zijn eigen hart.

Zoo Lang December 1, 2009

Posted by ideeflux in : Lieve Gedachten , add a comment

Zoo Lang

In dat lange lijf van mij helemaal van daar naar hier gereisd. Van daar waar mijn voeten in een grazige weide aan de rand van een beek staan naar hier waar ik me hoog in de stad te slapen leg. Mijn lieve lijf zo lang dat ik er niet uit kan vliegen, treinen. Altijd maar weer thuis komen in deze, deze dierbare, dit dierbare. Overal zo thuis zijn, zo kind aan huis, zo vertrouwd.
Ik neem mijzelf mee als een kind aan de hand. Ik vertel mezelf het een en ander over wat er zoal te zien is. Ik maak iets te drinken. Neem stapels door van wat allang geen post meer genoemd zou mogen worden. Ja, ik ben nu hier, nu weer hier in mijzelf. In mijzelf deze kostbare plek weer teruggevonden.

Ik kan mij niet meten aan anderen, omdat ik zo deze ben, omdat ik zo een ongelofelijk lang lijf heb, omdat ik in hier zo thuis ben.
Ik weet dat er veel rumoer is in de wereld, veel verdriet en onzekerheid, boosheid. Zoveel onrechtvaardigheid, zoveel gebrek aan dromen. Ik doe mijn best om er iets van mee te krijgen, maar ik hoor enkel de reflectie, het weerkaatsen van het geluid als van voetstappen in een nauwe straat.
Ik ben zo bereid om… dood te gaan, om achterin de rij te gaan staan, om af te zien van enige aanspraak op, en nochtans krijg ik dit allemaal. Het is bijna te veel.
Nu dit weer, deze woorden. De rubberbanden op asfalt, de tram die over de stalen brug zingt. Mijn beperkte vermogens die juist precies toereikend zijn om… tot hier te komen. Mijn lijf dat precies zo lang is dat mijn voeten de vloer raken. Het brein dat – wat een geluk – bereid is bij tijd en wijle te stoppen, zodat ik uit de gedachtetrein kan stappen in het oneindige landschap van vrijheid. Het hebben van een taal, het hebben van woordvoeten in een oneindig wit sneeuwlandschap.

Kom November 28, 2009

Posted by ideeflux in : Het Hart Helen , add a comment

Kom

Ik ben zowel in als buiten mijzelf aanwezig.
Alles vindt niet alleen zijn einde maar ook zijn oorsprong in deze die ik klaarblijkelijk ben. Het is… alomvattend. In Mij lost alles zich op. Mijn innerlijke ruimte is zo groot als de wereld. Vrede zij met U.

Alles keert zich om. Het hart dat eerst een bron van onrust leek wordt een oceaan van stilte, een paleis van vrede. Elke vreemdeling is er welkom, de paleisdeuren staan altijd open. Elke morgen schrob ik de stoepen. Wie woont er in dit mooie paleis, wordt er aan mij gevraagd. Ik weet het antwoord niet, maar in mijn grenzeloze onnozelheid probeer ik er natuurlijk wel iets over te zeggen. Het moet de schittering van schoonheid zijn die ik door mijn jarenlange schrobben naar binnen gelokt heb. Of misschien is het juist andersom. De schoonheid die hier woont heeft mij tot schrobben aangezet. Dan begin ik te stamelen en uiteindelijk spreek ik waarheid. Ik… ik weet het niet, ik ben enkel de toegewijde dienaar van degene die hier woont.

Open het zeil voor de wind.
Laat je blazen. Gooi de gebroken kom niet weg. Behandel haar met tederheid en je kan nog jaren plezier aan haar schoonheid beleven. De barst die je ziet is de plek waar het licht door naar buiten zal stromen.

Kom Terug November 28, 2009

Posted by ideeflux in : Kaïn en Abel , add a comment

Maria

Ik zet mijn eerste stappen in het versbesneeuwde wit van deze ochtend.
Dat beeld verdwijnt gestaag als ik verder wandel, want als ik straks al mijn voetstappen met één oogopslag kan overzien lijkt er van dat wit maar weinig meer over te zijn.

Alles wat gezegd is, al onze gebaren blijven bestaan. De ziel van ons hart, zij/hij die onze zuivere leidraad is, raakt ermee bespikkeld, besmeurd. Wij proberen hier en daar een vlekje weg te poetsen, maar het lijkt wel of we ons wezen nooit meer helemaal schoon kunnen krijgen. Het verdriet daarover verleidt ons vaak tot drieste daden. Het opsteken van toch maar weer een sigaret bijvoorbeeld. Uit onvrede met onze schijnbare beperktheid herbevestigen we doelbewust het bezoedelde in ons, om daarmee het door ons ingebeelde noodlot definitief over ons af te roepen, alsof we de herinnering aan het verloren gewaande licht met wortel en al uit willen rukken, uit willen drukken als diezelfde sigaret, zodat het ons niet meer kan pijnigen met haar zoete herinnering.

Spreek nu vanuit dat wat al die tijd schoon is gebleven. Luister van daar uit. Het kan pijnlijk zijn om te erkennen dat hij/zij er nog steeds is. Ongeschonden, gaaf, veelbelovend, heel, wonderbaarlijk oprecht, zuiver, mededogend. Als je je met die plek in jezelf durft te verbinden kan het niet anders zijn, dan dat je je oorspronkelijke schoonheid terug zult vinden. Zij is nog altijd daar, als het wit onder de woorden, de roos onder de sneeuw, de sneeuw van het wit van de morgen.
Verheug je daarover. Verblijf daarin. Vereenzelvig je daarmee. Leef vandaaruit. Vanuit die plek doorschenen verliest dat waarmee wij ons eens bespikkelden, besmeurden, dat waar wij ons verzwelgend in onderdompelden, alle kracht.

Maria is het uiterlijke symbool voor onze innerlijke zuiverheid.
Nog nooit is er iemand geweest die zich tevergeefs beriep op haar goedertierendheid.
Bid tot Maria, Heilige Maagd Maria bid voor ons.
Maria die in ons is, bidt altijd voor ons.
Ik Bid voor Maria in ons.
Ik ben Maria in mij.

Het Graven Zelf is de Schat November 19, 2009

Posted by ideeflux in : Gedichten , add a comment

Rainforest

Ik weet dat hier iets kostbaars in de aarde ligt
in mijn hart
in mijn manier van doen
in mijn hier aanwezig zijn
in mijn manna-creëerende aanwezigheid

ik heb zolang door de woestijn getrokken
mijn volk mort
mijn maag knort
ik heb mijzelf zolang aan het lijntje gehouden
met boodschappen als
we zijn er bijna en
de reis is het doel

ik zet geen stap meer
want als het ergens is
dan is het hier
als het ooit is
dan is het nu

ik blijf hier
tot dit zand vruchtbaar land
tot deze onbeschreven witte woestenij
een weelderige tuin
tot ik wortel schiet en openbloei
in kleur en betekenis

totdat ik ben
wat ik ben

Uit de Kraamkamer van de Geest November 7, 2009

Posted by ideeflux in : Kaïn en Abel , add a comment

Uit de Kraamkamer van de Geest

De Visserkoning is ziek. Er staat een zwaard in zijn hart geplant. Zijn hart is als steen en zuigt zich om het zwaard. Niets komt nog tot beweging. Degene die het zwaard eruit weet te trekken zal de nieuwe koning zijn. Zij die proberen het zwaard uit het hart te trekken gebruiken hun niet geringe spierkracht, maar dat werkt niet. Natuurlijk werkt dat niet, want dat is immers juist waar de koning zo ziek van geworden is, het gebruik van spierkracht heeft het hart tot steen gemaakt.
Er is iemand die het zwaard eruit kan trekken. Hij loopt al rond, maar niemand kent nog zijn naam. Het is het jongste in mij, degene die zijn hele leven alle wijze lessen heeft opgeslorpt die hij van gene zijde aangeboden gekregen heeft.

Uit dat wat de oorzaak van ziekte, pijn en strijd is, wordt haar genezing geboren. Zo is Jezus geboren, onbevlekt ontvangen in een donkere wereld. Geboren, niet uit vlees, maar ergens uit een holle ruimte van het hart, ergens uit de kraamkamer van de geest. Hij was een visser, hij viste naar de zielen van mensen. Hij viste naar zijn eigen ziel in die van andere mensen. Zonder die andere zielen was hij reddeloos verloren, zou zijn leven geen zin gehad hebben. Wij maken dat Zijn leven zin heeft door het onze zin te geven. Wij vissen naar zijn ziel. Hij klampt zich vast aan elke uitgeworpen lijn.
Wij bouwen ons een huis om het te verlaten, wij vinden een geliefde juist om naar haar op zoek te kunnen gaan.

Ik lag ziek te bed in mijn kasteel van illusies. Ik ijlde. Ik zweefde boven de aarde. Mijn bloedmooie dochters draafden af en aan alsof… alsof er iets geboren stond te worden. Ik was het bloed van Jezus, uitgestort in een gouden beker. Ik liet mijzelf zien aan iedereen die wilde, die nieuwsgierig was. Ze herkenden me niet, of ze vergaten de juiste vraag te stellen.
Nu weet ik ondertussen de juiste vraag wel omdat ik haar ergens gelezen heb en ik stel haar zonder haar wezenlijke betekenis te doorgronden, en zelfs dat maakt niet uit want het juiste antwoord komt toch altijd.
Wat dient de graal, wat dient het bloed van Jezus?
Dat kan enkel het jongste in mij zijn, datgene dat al die tijd de wijze lessen van de oude wijzen via osmotische druk door de huid naar binnen heeft laten sijpelen.

Eindelijk is het moment aangebroken waarop alle raderen die van te voren zo zorgvuldig op elkaar zijn afgestemd in elkaar grijpen. De tijd kromt haar rug en de hele machinerie van leven komt in beweging. Het jongste in mij grijpt het zwaard dat in Zijn hand licht als een strootje is. Hij lacht, hij is licht van gewicht, zwaardloos, baardloos. Hij trekt het zwaard dat ogenblikkelijk verandert in een levende slang, de staf van Mozes. De fontein van levenswater, van bloed wordt moeiteloos opgevangen in de gouden schaal die op datzelfde moment aan zijn reis begint naar het beloofde land. De jongeman wordt tot Koning gekroond. Hij zal zijn eigen bloed achterna reizen.
Later, als zijn hart versteend is, is uit diezelfde verstening alweer allang een nieuwe god geboren, een nieuwe gezegende. Wij verneigen ons voor dit raadsel.
Wij dienen de graal met ons eigen bloed.
Wij betalen met ons ziek zijn voor onze eigen gezondheid.
Wij zijn visser naar onze eigen ziel.

Het Allerkostbaarste in Mij November 4, 2009

Posted by ideeflux in : Kaïn en Abel , add a comment

Het Allerkostbaarste in Mij

Wat is er van Prins geworden, van Mozes? Zij hebben hun tenten opgetrokken aan de voet van de stad die zij belegeren. Wat zij begeren bevindt zich binnen de muren. Door de stad te belegeren maken zij haar ontoegankelijk voor zichzelf. Het beloofde land blijft ver weg, juist omdat ze het willen betreden. Eigenlijk leven ze al sinds mensenheugenis in het beloofde land maar ze zijn niet in staat om dat werkelijk te ervaren door de muren van verlangen die ze om zichzelf hebben opgetrokken. En nu wankelen hun eigen muren, zoals ze hoopten dat de muren van de stad die zij belegeren zouden wankelen.

Prins is op zoek naar de gouden hanger met het gouden hart. Het hart dat open zou zijn naar de hele wereld en tegelijkertijd de hele wereld in zich zou weerspiegelen. In de plaats daarvan heeft hij nu een elektronisch apparaat omgehangen gekregen. Het meet zijn hartslag. Het meet de mate van zijn begeerte, het meet de afstand die Prins heeft tot de vervulling van zijn verlangen.
Mozes wilde vrede. Hij kwam aanzeilen in een biezen mandje. Als in een droom, als in een sprookje. Hij werd als een geschenk ontvangen door degene die hij moest verlaten met medeneming van wat hij dacht dat het zijne was, als een koekoeksjong, als een Paard van Troje.
Wij hebben een adder aan onze borst gedrukt! Later sprong Mozes staf als een adder uit zijn hand. Als een vage herinnering daaraan. De wereld is een berg. Wij schreeuwen. De echo komt naar ons terug. Elke brief komt terug naar de afzender.
Dat wat zich uitverkoren waant, meent zich te moeten afzonderen. De exclusiviteit van het gesteente verdient een bijzondere plek. Daarom is er een slotgracht rond een kasteel, beschermt een draak de parel, staan er muren rond een hart.
Dit land waar wij klein gehouden worden, tot slaaf gemaakt zijn, kan onmogelijk ons land zijn. Het land waar wij open kunnen bloeien tot onze oorspronkelijke schoonheid moet ons beschutten, moet ons veilig maken. Er staan hoge muren rond dat land. Het zijn die muren die Mozes verhinderen dat land te betreden, en daarom is Zijn Volk, alhoewel aangekomen, nog altijd onderweg.
Wat van waarde is, deelt zich, laat zich openploegen, vruchtbaar maken. De parel is op het land, niet in de toren, in het lijf, niet in het hoofd.
Prins breekt zich het hoofd. Hij zoekt zich de muren rond zijn hart te breken, maar niet zijn hart. Hij zou zich uit willen laten stromen als een brede zachte rivier, het land willen bevloeien, zou tot bestaan willen durven komen door op te lossen. Zijn schil willen breken naar het leven. Trouw te zijn aan zijn hoge geboorte door de privileges ervan op te geven.

Ondertussen is er paniek in de onmetelijke paleizen van de zonnekoning. Vanaf deze plek is er geen schaduw zichtbaar. Wij zijn immers het licht.
Dan klinkt het bericht: onze slaven zijn gevlucht. Dat wat in onze schaduw leefde, dat wat voor ons onzichtbaar was en ons van daaruit moest dienen, gaat zijn eigen weg, slaat zich een weg door water [verwerft meesterschap over haar gevoelens] en verdwijnt, ons berooid en eenzaam achterlatend. Nu moeten wij voortaan weer onze eigen was doen, zijn we weer slaaf van onszelf. Het goud van wie we dachten te zijn werd door hen bijeengebracht en nu hebben zij ons verlaten en zij nemen ons goud met hen mee.
Zoo is het nu, in deze tijd. Wij leven in onze lege paleizen. Niets geeft ons leven zin dan dat wij anderen voor ons de was kunnen laten doen, de hete kastanjes uit het vuur kunnen laten halen. Zij leiden [en lijden] hun leven voor ons. Natuurlijk zijn zij het uitverkoren volk. Dat wat zich opricht en haar eigen weg gaat is door die handeling alleen al gezegend.
Wij zijn van het oude land, van het land van de zonnekoning, de farao. De tekens staan op de muren geschilderd. Nog steeds lijkt het of ze over de muren naar binnen willen klimmen, alsof dit het beloofde land is. Maar spoedig begint de uittocht. Dan staan wij plotseling met lege handen aan de buitenkant van onszelf. Wij waren het paleis, nu zijn we de vlakte, wij waren vervuld, nu zijn wij verlangen. Langzaam zal het leven weer bezit van ons nemen zoals de wilde roos haar rechten herneemt wanneer zij uitbreekt van onder het wezensvreemde, het gecultiveerde dat op haar geënt is.

Prins weet al dit, maar hij weet nog steeds niet hoe hij er chocolade van kan maken. Hij weet niet aan welke zijde zijn boterham gesmeerd is.
Wij moeten onze eigen weg gaan. Als er iemand uitverkoren was, dan was jij het, lezer. Jij moet je weg gaan, zoals ik op zoek ben naar de mijne.
Mijn weg is deze die zich naar de poorten van mijn eigen stad geleid heeft, alwaar ik mijn tenten heb opgeslagen. Ik wil met alle geweld de schat die zich binnen de muren bevindt. Ik ben zelf de schat die zich binnen mijn muren bevindt. Ik houd mij stil, bang dat de mokerslagen van mijn bevrijders juist dat wat het kostbaarste is in mij zullen vernietigen. Ik ben het kostbaarste in mij.
Ik weet niet anders dan me in de vorm van deze woorden door een bres in de muur naar buiten te wurmen en achter de rug van de belegeraars om een rondedans te doen, van vreugde, van goddeloze verlatenheid, van extatische vrijheid.