jump to navigation

Ochtendgymnastiek July 28, 2010

Posted by ideeflux in : Het Mompelen , add a comment

Ochtendgymnastiek

Hoe de levensstroom ons meevoert. Hoe de levenssappen door ons lichaam stromen. Hoe wij langzaam openen voor wie we werkelijk zijn.
Dit ademen is natuurlijk meer dan genoeg. Wat is onze ambitie?
Twee weten meer dan één.
Twee nooit gedwongen, nooit gezongen, twee averecht.
Een gerecht voor twee.

Het ongekende lichaam met haar ongekende mogelijkheden.
Of wij er wonen? Het is ons nest, we vliegen er af en aan, om de jongen te voeren. En dat is dan ook de enige tijd die we er doorbrengen. We hoeven zelf niet meer te eten. Het hoeft niet meer. Wij downloaden de goddelijke manna rechtstreeks uit de hemel, zoals te doen gebruikelijk was bij de oude volkeren, toen wij nog jong waren. Lijfelijk sterk en geestelijk volgroeid.

Ik zoek iets, dat weet ik zeker. Ik weet niet exact wat ik zoek, maar ik zoek iets door middel van deze woorden. Ik wil… iets gestalte laten krijgen, gedaante laten aannemen. Het is… de geur van vrijheid, de geur van het schijnbaar onmogelijke dat binnen handbereik ligt. De onwaarschijnlijke vreemdheid van het leven. Het zelfcreërende daarvan, het zelfzoekende, zelfbevestigende.
Vergeet wat je weet, zet de deur open, laat de adem van God langs je wanden stromen. Dat de levende dag je hebben mag.

Wat Nu? July 22, 2010

Posted by ideeflux in : Dialoog met Zelf , add a comment

Wat Nu?

Opeens weer terug op deze plek, aan de sneeuwwitte rand van mijzelf, aan de branding, aan het schoorvoetend begin van een oneindig breed strand. De woorden glijden als voorgesproken kiezels over elkaar, slijpen elkaar tot rond, tot meegaandheid.
Moge ik in mezelf komen tot de plek waar het toe doet, zodat ik weet waar het over gaat, zodat ik weet waarop ik mijn keuzes, mijn handelen baseer.

We lopen door het park, het arboretum, ik weet precies waar. Ik heb blijkbaar een ribfluwelen broek aan want ik hoor zwoesj, zwoesj onder het lopen. We lopen in de zon op zanderig droge kiezelpaden en even later in de paarse schaduw van de bomen. Zo ervaar ik de volwassenen om mij heen ook, als lichtere en donkerder plekken, als warmer of koeler, als nabij of verder afgelegen, toegankelijk of afgeschermd. Ik loop dus als het ware gelijktijdig door verschillende landschappen.
Een eind verder hield de wereld heel beslist op met een soort ruk alsof ik vast zat aan een eind touw. Daar was voor lange tijd geen verder meer, tot uiteindelijk, veel later, toch weer wel. Dan werd het eind van de wereld met een gewaagde uittocht net nog een stukje verder gelegd. En zo is het gebleven.
Mensen zijn nog steeds min of meer ontoegankelijke landschappen en in mijzelf heb ik grenzen afgebakend waar ik maar zelden over heen ga.

Ging ik nog maar eens de goudvissen voeren in dat zelfde park, dat wil zeggen, waarom zou ik niet met een afgemeten kleinheid, overzichtelijkheid op pad gaan. De grote vragen mijden, nee, de grote vragen tarten door ze aan originele kleinheid te meten.
Waarom gaan we niet met moeders en Does wandelen in het bos?
Waarom niet?

Er loopt een kind in ons mee dat maar weinig aan hets trekken komt. Het zeurt allang niet meer want er wordt toch nooit naar geluisterd. Wij zijn afwisselend zonnig, schaduwrijk, bereikbaar en ontoegankelijk voor hemhaar, voor het, voor het vragende, het willende weten, het uitreikende.
Het leunt tegen mijn knie. Wat of ik aan het schrijven ben en of het nog lang duurt.
Ik voel mij open als het gras, als een zachtzonnige weide. Ik til hem naar binnen. Ik til mij naar binnen, op naar de onafzienbare groene vlakte van het land van de onbegraasde mogelijkheden.

De Gedachte God May 29, 2010

Posted by ideeflux in : Syrion , add a comment

De Gedachte God

God van de gedichten, de gedichte gedachten, de Verdichte-Gedachten-God, het Goddelijke dat gedachten verdicht tot dat wat substantie van leven wordt… hoor mij aan. Zing in mijn oor, herschep mij tot hemelse muziek, tot een structuur van harmonieën. Breng mij naar de plaats waar alles op zijn plek valt. Laat mij op die plek gaan staan en van daaruit mijzelf naar huis roepen. Voor mijzelf een licht hooghouden over de woelige baren, in de donkere nacht.

Er is alleen maar rust. Langzaam ademt een zomerwind over de stille Zuidzee van mijn middenrif. In mijn onderbuik schemerflitsen traag, onbegrepen, niet-herkende onderwaterwezens van allerlei soort. Er is rust en er is beweging. Soms komt één van die tot dan toe gezichtsloze monsters het strand van mijn blikveld opstrompelen en veroorzaakt ogenblikkelijk chaos en consternatie onder de badgasten die daar in minieme kleding liggen te genieten van wat ze hun welverdiende rust noemen. Bijna altijd richt die paniekachtige reactie oneindig veel meer schade aan dan dat wat het vaak onschuldige schepsel door eigen actie veroorzaakt.

Ik train mijn badgasten nu om kalm te blijven, om hun volle aandacht en zo mogelijk mededogen te geven aan dat wat in zekere zin hun familie is, een nakomeling uit het hetzelfde eindeloos lange geslacht van gedachten.
Zelfde bloed, zelfde angsten, zelfde consistentie.
Zelfde God.
Zelfde Gedachte God.

Zoveel te Doen May 2, 2010

Posted by ideeflux in : De Toekomende Tijd , add a comment

Zoveel te Doen

Er is zoveel te doen, ogenschijnlijk. Een reis boeken, de tuin en het huis opruimen, een afspraak maken. Ik kies ervoor om deze afspraak met mijzelf na te komen, de afspraak om mijzelf af en toe te zien, te voelen, door te luchten.
Er zijn zoveel verschillende mensen op de wereld. Als zij zingen laten zij hun hart spreken. Ik zie hun schoonheid.
Mijn hart zingt op deze wijze. Ik zie mijn schoonheid.

’S morgens loop ik naar de schoolbus met een tas op mijn rug. Ik ben een oudere man nu, maar toch ben ik pas elf jaar oud. Eerst loop ik de straat uit die eindeloos lang lijkt. Het gaat traag alsof ik tegen een berg oploop. Aan het eind van de straat ga ik naar links en dan rol ik als het ware haast vanzelf naar het busstation. Gistermorgen realiseerde ik mij pas dat ik elke morgen met mijn voeten een berg op de aarde teken. Er is een zekere platheid aan de manier waarop de wereld rond is. Daar bedoel ik mee, dat zelfs het rond zijn van de aarde niet meer dan een idee is net als het idee dat wij afgescheiden van elkaar zijn.
Omdat we in een droomwereld leven is het van het allergrootste belang hoe we onszelf en alles om ons heen interpreteren – de zon schijnt heel even naar binnen, mijn hart opent zich als een bloem.
Dat wat we menen te kennen, dat waarvan we menen te weten wat het is, onttrekt zich juist daardoor aan onze waarneming. Ik stelde mezelf de vraag: wat is het dat ik zie en juist op dat moment liepen twee jongemannen met stevige pas mijn blikveld binnen en even later er weer uit.
Zij betekenen pas iets voor mij als ik ze mee naar binnen neem.
En ja, ik herken ze wel, die woorden: jongemannen met stevige pas.
Het zijn Baire en ik op weg naar ons doel. ‘Eén bloeiende bloem trekt honderd bijen aan,’ zegt hij, ‘daarom moeten wij samen het begin maken. Het maken van het begin is het allermoeilijkste.’

In deze zoveelheid zijn, in zowel zonlicht als vogelgezang. En ook nog een lichaam en een huis en andere lichamen. En ook nog muziek en eten en kleuren en warmte.

Hoe interpreteren we onze droom. Hoe geven we een plaats aan elkaar in onszelf? Hoe spreken we met onszelf? Wat voor woorden houden we onszelf voor? Hoe fantastisch en beweeglijk staan we de wereld toe te zijn? Wat is de bandbreedte, de speelruimte van onze woorden?

Vraagje [hij probeerde krampachtig zich zo casual mogelijk voor te doen, hij probeerde de terloopsheid van zijn vraag te benadrukken]: ‘wanneer werd de wereld geschapen?’
Hij [parmantig]: ‘wij scheppen de wereld elk moment opnieuw door onze gedachten, door de woorden die we kiezen. Dit prachtige vindt geen einde. Van alle sombere gedachten is geen spoor van bewijs te vinden. Ga je goddelijke weg. Ga je goddeloos goddelijke weg. Bedenkschep de wereld in overeenstemming met je verlangen’

Natuurlijk ben ik Jouw Geliefde April 3, 2010

Posted by ideeflux in : Lieve Gedachten , 1 comment so far

Natuurlijk ben ik Jouw Geliefde

Ik schud mijn glazen toverbol om te zien of het nog werkt, om te zien of er weer wat verrassends uitkomt, iets hemeltergends, iets tongstrelends.
Nog even schudden en dan neerzetten om te zien hoe de sneeuw langzaam neerdaalt en de bekende vormen bedekt en daardoor onbekend maakt, ongekend. Tasten in het duister onder de sneeuw naar wie je meent te zijn. Schudden voor gebruik.
Dit schijnbaar niet perfecte heeft vlak onder de oppervlakte een… hoge graad van volmaaktheid, van juistheid. Scheef in de stoel zitten en het toch als evenwichtig ervaren. De niet-afheid van alles om je heen, de ongeordendheid, als harmonie, als een zacht zingen tot je laten komen.

Het is, eindelijk weer eens ik en mezelf, ik en u, jij en jou. Wij tweeën, jullie beiden, in dit rond zijn, dit af zijn. Wij zijn aangekomen op de plek van bestemming. Niet voor even, maar voor altijd. Wij onderzoeken pijn als iets nieuws, iets dat op eigen wijze meezingt in het grote koor der dingen. Er zijn zoveel melodieën die nog door niemand gezongen zijn.
Er zijn verplichtingen, dat is waar, maar er is de nog veel grotere verplichting om zich daaraan te onttrekken. Om aan de voeten van Jezus te zitten. Zijn voeten met je haren te wassen. Samen te zijn met de geliefde. Het hart te laten breken over het leed van de wereld. Er is geen toeval. Het komt naar je toe om je op rigoureuze wijze te beminnen, je open te breken, je klein te maken en daardoor groot te laten zijn.

Zij woonde in een klein dorpje. Ik schrijf zij, maar ik bedoel natuurlijk ik. Ik woonde in een klein dorpje. Ik heb altijd in kleine dorpjes gewoond. Zelfs steden als Rotterdam, Maastricht en Parijs reduceerde ik moeiteloos tot minieme gehuchten. De bakker, de dokter, de vrouw van de dominee. Ik kende er net zo niemand.
Ze woonde er niet in, maar er juist buiten. Juist buiten het bereik van mensen, het bereik van medelijden, zodat ze in de loop der jaren naar haar eigen vorm was gezakt, compleet haar eigen model had gekregen. Ze had haar eigenaardigheid in grote kleurige bogen op haar eigen hemel geschilderd en daaronder bloeide ze als een merkwaardige bloem tussen alles wat ze vond op land en tuin en straat. Omdat alles een grenzeloze schoonheid had, gooide ze nooit iets weg. Haar schatten stapelden zich op tot meer dan manshoge torens waar ze met blijde trots tussendoor laveerde, terwijl een gigantische blauwe regen die het kleine huisje in een intieme wurggreep had, een dodelijke omhelzing, het slotakkoord vormde van een symfonie van kleuren en vormen, van planten en dieren die zich, aangetrokken door de wet van het toelaten, van tuinhek tot aan voordeur hadden opgehoopt.
Toen ik er op bezoek kwam, door de tuindeur uiteraard, daar de voordeur en het halletje al sinds heugenis, een half mensenleven, een eeuwigheid dus, volledig ontoegankelijk waren, ontgroef zij mij een stoel. Beeldhouwde, schatgraafde, archeoloogde zij mij een stoel vanonder stapels oude kranten en verpakkingen. Ik was de koning te rijk. Ik zat op een troon. Ik was op bezoek bij een echt mens en ik voelde me blij en trots en ook een beetje echt.
Zij ging op zoek naar koffie, maar ze vond thee, en gevulde koeken in drie soorten van onvergankelijkheid: hard dor, zacht droog en pulver licht. Ik proefde, uiteraard, van alle drie een beetje. Het was er licht, de zwaartekracht had er weinig invloed en zij met haar grote lichtblauwe ogen en haar meisjesachtigheid was licht van gemoed, licht van gewicht, als haar eigen over-de-datum-koeken. Ik voelde me gezegend. Ik zat en spoelde droge koek weg met inktzwarte thee. Wij hadden niets te zeggen. Ik had een grote bos ridderspoor meegenomen ter ere van het overlijden van mijn moeder, waarvan zij de getikte vriendin was geweest. Ik ben als haar. Gevormd door dezelfde hand, door dezelfde hand tot milde waanzin gedreven, als wrakhout aangespoeld, uitgeloogd, opgegeven. Even lagen we dus zij aan zij op hetzelfde strand, bezagen elkaar met een blik van herkenning, besnuffelden elkaar als soort- en stalgenoten.
Toen ik wegreed zag ik haar in de achteruitkijkspiegel. Zij stond midden op de weg en zwaaide met wijde armgebaren, alsof wij geliefden waren, alsof wij geliefden waren.
Omdat wij geliefden waren. Omdat wij onze geliefden zijn. Omdat wij zijn als dat wat aanspoelt op een winderig strand. Omdat wij zijn wat wij oprapen en liefkozen, verzorgen als was het te vondeling gelegd. Omdat wij uiteindelijk alleen maar dat zijn wat wij in ons hart te slapen leggen, dat waar wij een bed voor maken.
Wij zijn dat wat aanspoelt en dat wat ons opraapt, wij zijn dat wat ons verzamelt en ons bij elkaar legt als een geraamte van uitgeloogde takken, botten. Wij blazen onszelf tot leven door het zachte weefsel tussen die botten te vormen, door zo zacht, zo leefvoelend te zijn, dat we dat wat toevallig gevonden en bijeengewaaid werd tot eenheid ademen, tot leven leven.
Natuurlijk is zij mijn geliefde, ben ik mijn geliefde, ben ik jouw geliefde.

Het Speelveld March 25, 2010

Posted by ideeflux in : Syrion, Synopsis , add a comment

Het Speelveld

Een wit veld. Een wit speelveld, een wereld zonder lijnen, paden, een zee zonder einde. Een ongehoord weidse ruimte, een grenzeloos begenadigde plaats.
Ik stamp mijn zwarte tekens op de witte zandvlakte. Ik leg hoekstuk en hang peillood, ik trek de kortste lijn tussen twee punten. Ik bouw een wereld van gedachten op een fundament van drijfzand. Trek ik de paaltjes uit de grond dan blijft er enkel één groot land over, geen grens tussen jou en mij, tussen ons en ander.

In gedachten kan ik overal naartoe. Naar alle bekende, on- en minder bekende mensen die mij bevolken, naar alle steden, alle uithoeken van de wereld.
Ik trok mijzelf zwarte kleren aan en zat in een Parijs café met jou. Wij waren op zoek naar het leven, naar de essentie ervan. Wij dronken thee. Op een gegeven moment, zonder directe aanleiding, begonnen we onze handen met vorken te bewerken, geconcentreerd onderzoekend, alsof we op één of ander manier ons zo een weg naar een antwoord konden graven.
‘Ober’, wees een man met een subtiel hoofdknikje in onze richting. Na een vluchtige blik verdween de ober achter de bar en kwam terug met een verbandtrommel. Er was geen consternatie. Alleen een vriendelijk doch beslist mededogen. We waren goede klanten daar. Even later liepen we in een bladerloos park met verband als pluizige wanten om onze handen.
Het zegt alligator in mijn hoofd, maar ik wil geen verhaal met alligator. Dan herinner ik me krokodil. Sommige plaatsen die wij verzinnen bestaan echt zou je zeggen, andere zijn echt verzonnen. Als ik nu iemand tegen kom zie ik eerst zijn of haar talent als een licht voor hem of haar uitzweven, deze speciale manier van zijn die een precies geformuleerd universum opent. Elke persoon als sleutel voor een deur naar een andere ruimte, andere kleuren, andere samenhang. Er is natuurlijk veel lijden, maar ik moet moeite doen om het te zien. Ik zie, eerlijk gezegd, alleen maar glorie.
Mijn krokodil – ik heb geen medelijden met mijn eventuele lezers, u dus, jij dus – is weer van een vol en gezond groen, ik heb hem zachtjes tot leven gezongen en toen getemd. Hij eet uit mijn hand. Zij – mijn ziel – kan hem berijden zoals een ander een ezel of een paard berijdt. Mijn dierlijke vriend. Mijn dierlijke zelf als vriend, als kracht, als bron.
Ik ben niet gehouden aan het spreken van wat de waarheid genoemd wordt. Ik spreek de waarheid door precies onder woorden te brengen hoe ik het graag zou zien.

Later, in een ander café probeerden we te roken met onze wantschoenen aan. Het ging moeizaam, maar het lukte. Waar een wil is, is een weg. Het was een pluizige ervaring. De hele wereld voelde een beetje wattig aan, alsof het gesneeuwd had. Later voerden we elkaar zoete drop, en, je weet wel, van die stengels met zout erop.
Ik had natuurlijk ergens anders naartoe kunnen gaan, maar ik ging hiernaartoe. Ik denk natuurlijk dat ik zelf beslis waar ik naartoe ga, maar dat is niet meer dan een hoogmoedige gedachte. Wie heeft mij hier gebracht? Wat doe ik hier? Wat een aparte plaats is het hier en wie zijn die bijzondere wezens?

Waar de één zich als een grenspaal in de grond laat slaan opent zich voor de ander juist een zee van ongekende mogelijkheden.

Jonas March 15, 2010

Posted by ideeflux in : Kaïn en Abel , 1 comment so far

Jonas

Opdat wat ik tot nu toe niet heb willen zien, kunnen zien, durven zien, zichtbaar worde. Wij rijgen woorden aanéén, kammen ze, plooien ze, met geen ander doel dan dat wat woordloos is zichtbaar te maken. We hebben het kroost van woorden nodig om er een wak in te kunnen slaan zodat we een blik kunnen werpen op de diepte daaronder.

Eend trekt zijn sporen over de onbegrepen diepten van de vijver. Hij zegt dat hij daar wel eens wat meer over zou willen weten, steekt zijn kop tussen het kroost naar beneden, naar dat wat hij zegt te willen leren kennen en tegelijkertijd zijn achterwerk omhoog als het bekuifde hoofd van een éénogige blinde naar het onbegrepen blauw van de lucht.
Zit stil en wacht.
Wacht de grondzee tot bedaren.

Er is angst om dat spelvaren te laten varen, om naakt te zijn, onbegrepen. Daar een huis te maken zonder stoel, zonder bed, en toch te rusten. Ik moet voor haar, mijn moeder zorgen, opdat zij voor mij zal zorgen. Ik wieg Vadergod in mijn armen opdat hij tussen mij en de naakte hemel zal staan. Ik weef God uit de kern van mijn wezen, niet uit angst, maar uit verlangen, niet naar geborgenheid, maar naar volmaaktheid, volheid, volledigheid.
Is dit genoeg kroost? Sla dan een wak in mij. Sla een wak in mijn web van woorden, in mijn waterspiegel, in mijn gedroomde leven.
Maak averij, slagzij, breng mij tot zinken.
Jonas in de wallevis zonk naar het diepste van de zee. Daar op de bodem werd de huid van de vis transparant zodat Jonas een klein wormpje kon zien dat daar op de bodem van de zee leefde. In oude woorden: God zorgt zelfs voor dat kleine wormpje in die vergeten uithoek. In nieuwe woorden: ik leef daar ook. In de ongekendste verten. In het verst verwijderde, in het dichtbijste verstverwijderde, in het dichtbijst verbijsterende.

Ik ga weer naar school. Ik moet de taal leren in dit vreemde land. Mijn vrienden zijn diegenen die ook naar school gaan om de taal te leren. Af en toe vertellen ze me over hun vreemde leven, hun verre, nu dichtbij gekomen leven. Zij maken de huid van de wallevis waarin ik me blijkbaar bevind transparant. Ik zie hoe alles leeft, hoe zij leven, hoe zij en ik leven. Hoe wij elkaar kunnen herkennen, hoe wij lotgenoten zijn. Leefgenoten, wijsgenoten. Hoe wij dezelfde huid delen, dezelfde wind voelen ademen, dezelfde vrouw beminnen, dezelfde man. Hoe wij dezelfde kinderen grootbrengen voor hetzelfde lot, achter moeten laten, weg moeten laten vliegen. Hoe onze schil oud wordt, gerimpeld, der dagen zat. Hoe wij van binnen vers zijn als een lychee vrucht. Glad, onaangeraakt, zuiver glanzend, als een eikel, een glans, als een glimlach op de eerste dag.

Synopsis I February 27, 2010

Posted by ideeflux in : Synopsis , add a comment

Sebastian Petersen

Wat er te veel aan willen is laten gaan, niet willoos worden maar vol van besluit tot overgave. De weg voor zich zien en hem al doende lopen, willig en oplettend.

Het zweet druppelde van zijn voorhoofd, prikte in zijn ogen, deed zijn hemd op zijn rug plakken. Hij hijgde. Dit was enkel maar een vingeroefening, een voorspel voor iets veel groters. Hij was geweldig opgewonden. Hoe dieper hij zou graven, hoe meer hij zou blootleggen, hoe meer hij te weten zou komen. Niet zozeer over Galliërs en Romeinen, maar gaandeweg, stap voor stap, schep voor schep, penseelstreek voor penseelstreek, over zichzelf. Alsof de aarde een groot hoofd was en hij zichzelf teruggroef naar een bepaalde lang vergeten herinnering. Alsof hij zichzelf teruggroef naar dat gedeelte van zichzelf dat daar lang geleden begraven was, en dat het onthullen van die nog onbestemde persoon, dat dat de vervulling van zijn leven zou zijn, het rond zou maken, hem zou verzoenen met het onverzoenlijke, de cirkel ongebroken.
Dit zou natuurlijk allemaal geleidelijk aan gebeuren. Voorwerp voor voorwerp zou hij zijn geheugen weer aanvullen, completeren. Details waar hij normaal het geduld niet voor had zou hij met liefde en precisie afborstelen, in kaart brengen, beschrijven, omdat hij wist, vermoedde of enkel hoopte dat deze zoektocht voor hemzelf van het allergrootste belang zou zijn.

De dag liep teneinde en ik voelde mezelf ook ten einde lopen. De schaduwen werden langer, het asfalt plakte niet meer. In de wei lag een klein groepje roodbruine runderen in de avondzon, koeien, kalveren en een stier. De stier als sluitsteen van een ring. De stier die geïsoleerd van de kudde veel misbaar zou kunnen veroorzaken lag daar nu als bewijs en verzegeling van vrede, enkel en alleen omdat hij de juiste plaats in nam. Hij knipoogde naar mij met beide ogen tegelijk. Bemoedigend, bevestigend. ‘Het is goed dat jij op weg bent, jongen,’ scheen hij te zeggen, ‘jij gaat, maar wij blijven. Wij hebben ons leven hier. Begin, midden en eind. Wij zijn rond en jij moet gaan, want jij bent op zoek. Ga in vrede, mijn jongen, ik geef je mijn zegen.’
Zo zijn de dieren ook. Zij hebben zichzelf al vele malen door de volte van de cirkel geleefd, en komen vervolgens hier terug in hun volmaaktheid om ons op onze weg te bemoedigen te ondersteunen, om ons van steun, advies en wijze raad te voorzien. Hun geduld en willigheid als een voorbeeld, een inspiratie, spreken zij constant in een taal die wij reeds lang vergeten menen te hebben. Zij fluisteren. Zelfs in de nacht bevolken zij onze dromen. zij slapen niet maar zijn zonder ophouden bezig ons leven van vingerwijzingen te voorzien, te verrijken, te sublimeren. Zij bezien ons als grootouders hun kleinkind, met toegeeflijke welwillendheid. Alle brokken die wij maken zien zij door de vingers, en al de pijn die we hen zouden kunnen berokkenen is al bij voorbaat vergeven.

Het Verkeerde Gevecht Winnen February 21, 2010

Posted by ideeflux in : Een nieuw Begin , add a comment

Het Verkeerde Gevecht Winnen

Wat is de omweg die me naar het doel zal leiden? Als ik maar eenmaal de juiste omweg heb, dan komt de rest vanzelf. De omweg is immers de kortste verbinding tussen twee punten.

Eenmaal aan de armoede ontsnapt was er voor de meeste families geen groter genoegen dan zich rond tafels volgeladen met het meest fantastische voedsel te scharen en zich te goed te doen, de schaarste te vergeten door zich zat te eten. Er werd gelachen dat het een lieve lust was, soms werd er gezongen en gedanst. Later waren het de barbecues, want het moest vooral vlees zijn, veel vlees, bergen van vlees, want vlees is een teken van rijkdom.
Het was meer de blije uitgelaten en opgeluchte stemming dan het eten zelf waaraan iets in haar ziel zich hechtte, en toch was het logischerwijs haar lichaam dat de eerste tekenen ging vertonen van haar overmatige eetlust.
- ‘Zou je niet eens wat minder…’ begonnen de stemmen om haar heen te suggereren.
- ‘Het is niet erg flatteus voor een meisje om zo dik te zijn, …en je hebt zo’n mooi gezichtje!’
Iets in meisje draaide zich om. ‘Ik weet dat eten goed voor me is, het voelt immers goed. En bovendien: ik bepaal altijd nog zelf hoe ik mijn leven zal leiden.’
En dat is wat ze deed. Ze keerde zich met al de kracht van haar jeugd tegen de stroom van het leven zoals dat aan haar werd aangeboden, vastbesloten haar eigen spoor te trekken, haar eigen leven op originele wijze vorm te geven. Ze trok weg van waar ze vandaan kwam, reisde over uitgestrekte prairies, eeuwenoude bossen, meren, rivieren, oceanen. Precies in de tegenovergestelde richting van waar haar voorouders een eeuw geleden vandaan waren gekomen, precies daar ging ze naartoe. En ze genoot met volle teugen, van het leven, van de liefde en… ja, natuurlijk, van eten. Uiteindelijk streek ze neer met haar enorme hemellichaam, voldaan over wat ze in haar eigengereidheid tot stand gebracht had, en niets vond ze mooier dan via haar kookboeken haar wereldreizen nog eens dubbel en dwars over te doen. Maar de krakende levenslust van haar jeugd, had ze onderweg, zoals de meeste van ons, achter zich moeten laten.
Op een dag werd ze ziek. Een oude kraai landde op het voeteneinde van haar bed en begon zachtjes te lachen.
- ‘ Wat zit je daar toch, ouwe lijkenpikker en wat valt er in hemelsnaam te lachen.
- ‘Ach meisje, gun een ouwe kraai toch zijn simpele genoegens, ik ben enkel hier om je te feliciteren’.
- ‘Jij mij feliciteren, terwijl ik hier ziek in bed lig?’
- ‘Jazeker’ zei de kraai terwijl hij een denkbeeldig pluisje van zijn zwarte jas plukte, ‘jij hebt immers gewonnen’.
Meisje haalde haar sierlijke wenkbrauwen op, boven haar fonkelende ogen.
- ‘Ik lig hier in bed en jij, zwart als de dood, komt zich een beetje vrolijk over mij maken?
- ‘Meisje, kalm toch. Hoor, luister, ik zal het je uitleggen.
En de kraai begon haar geduldig en met veel voorzichtig gekozen woorden te vertellen hoe ze als kind had besloten om een gevecht aan te gaan met haar ouders, haar broers en zusters, haar leraren, kortom haar hele familie, om hen te tonen dat ze haar eigen weg zou kunnen gaan. Ongelukkigerwijs had haar familie altijd veel aandacht gegeven aan haar uiterlijk, haar eetpatroon, en haar omvang en dat was uiteindelijk de focus geworden van haar strijd en hij, Kraai, was enkel hier om haar te vertellen dat ze die gewonnen had.
- ‘Hoe bedoel je dat, Kraai,’ zei Meisje nu een beetje milder, ‘gewonnen?’
- ‘Ik wil eigenlijk twee dingen zeggen.’ zei Kraai nu met een zeker air van gewicht. ‘Ten eerste dat je het gevecht tussen jou en je ouders, over eten en al of niet dik worden in je voordeel beslist hebt: je hebt gewonnen.’
- ‘Nou mooie overwinning is dat, daar moet ik zeker blij mee zijn.’ Meisje was het huilen nader dan het lachen.
- ‘Nee, juist, eh… natuurlijk niet, want dat is precies mijn volgende punt: je hebt dit gevecht dan wel gewonnen, maar je hebt al die tijd de verkeerde strijd gestreden, het is het verkeerde gevecht geweest. De strijd die je aangegaan bent heeft zich tegen jezelf gekeerd’ Kraai keek haar triomfantelijk aan.
- ‘Het verkeerde gevecht?’ Meisje dacht na en Kraai zei niets.
Het was lange tijd stil.
- ‘Ja… nu begrijp ik het,’ zei Meisje dapper terwijl ze bedachtzaam haar hoofd knikte. Er rolden tranen uit haar mooie ogen over haar wangen, op haar pyjama, op haar kussensloop.
Toen Kraai weg was nam ze een besluit. Ze had zichzelf bewezen dat ze haar eigen wil kon volgen tegen de stroom van alles en iedereen in, maar nu zou ze bewijzen dat ze haar eigen wil kon volgen ten bate van haar eigen geluk en gezondheid. En dat is wat ze deed. Alles wat teveel aan haar was liet ze achter zich, ze werd licht van gewicht en nog lichter van gemoed. Mensen die haar kenden waren verbaasd over de elegante verschijning die hen tegemoet kwam, haar opgeruimdheid, wijsheid en levenslust. En als de mensen haar vroegen hoe dat zo kwam dan zei ze altijd: ‘Als je aan het vechten bent weet je eigenlijk automatisch al dat je op het verkeerde spoor bent, want de authentieke weg van eigenheid wordt niet uit tegendraadsheid geboren. Ga met je stroom mee, dat is de weg naar geluk, overvloed en gezondheid.’

- ‘… en de omweg dan?’ Kraai hoort het je denken.
Hij lacht stilletjes voor zich uit terwijl hij zich met zijn gevingerde vleugels een weg door de koude winterlucht ploegt.
- ‘Dat is een… mooi raadsel. Ik kan het niet voor je oplossen.’ Kraai vloog even met zijn ogen dicht. Hij wist dat hij zo zou sterven, al vliegende met de ogen dicht, maar nu nog niet, nee, nu nog lang nog niet.
Was er nog iets meer te zeggen. Kraai sloot zijn ogen weer en lachte, de kleine kraaienpootjes naast zijn ogen glommen in het licht van de ondergaande zon. Hij lachte om het raadsel. Om het leven. Om het raadsel dat leven heet.

Rijst Vis Eend… January 29, 2010

Posted by ideeflux in : Recepten , 1 comment so far

Rijst Eend

Zachtjes tegen de deur duwen. Wat daarachter is niet verstoren, voorzichtig naar binnenglippen. Dit is de plek waar vanuit wij leven, de stille plek, de alomvattende plek. De plek waar wij elkaar, onszelf kunnen ontmoeten.

Ik lag in bed. Ik was zo zwak en kon maar niet beter worden. Pas toen ik gebutste pannetjes met tot pap gekookte rijst te eten kreeg krabbelde ik langzaam maar zeker overeind. Buiten was het prachtig. Weidse meren bedekt met lotusbloemen tegen de achtergrond van theebergen.
Aan de rand van het meer stonden eenvoudige huisjes, de meeste niet groter dan één of twee kamers en voor één daarvan zat een man aan de rand van het water met een primitief soort hengel, een korte stok met een vislijn er aan gebonden.
Juist op het moment dat wij aan kwamen wandelen had hij beet. Hij schoot voorover, zo hard werd er aan de lijn getrokken en na wat heen en weer gebalanceer op de rand van het meer moest hij het water wel in springen om te voorkomen dat de lijn zou breken. Het was een magisch gevecht van geven en nemen, waarbij de man op een gegeven moment tot aan zijn oksels in het water stond.
Uiteindelijk keerde hij terug als overwinnaar met een glimlach van oor tot oor op zijn stralende gezicht en in zijn armen een enorme karper – een waarachtige goudvis, oranje, goud en geel glanzend en spartelend en spattend als het zonlicht zelf – die hij ogenblikkelijk trots en met opgetogen sprongen zijn huisje binnen droeg.
Later op de dag toen we terug kwamen van één van de theebergen at ik in mijn eentje bijna een hele eend op die, van top tot teen, van snavel tot zwemvoetjes, diagonaal in reepjes van zo’n twee centimeter gehakt was. Het was die eend – ik ben er hem of haar nog steeds dankbaar voor – die er voor zorgde dat ik uiteindelijk mijn kracht weer terug kreeg.

Ahumm. Het schrapen van de schrijfkeel na een maand van onbruik. Weer thuis raken in onmetelijke vrijheid. Daar kind aan huis zijn. De hemel aftappen, een wijn bereiden van dat wat op eigen vat gegist is.

Ik was weer ziek. Ik lag lange tijd in bed en als ik probeerde overeind te komen werd ik met zachte doch besliste hand weer terug in de kussens geduwd. Ziek zijn als onverbiddelijk sein van beter worden. Ziek zijn als richtingaanwijzer voor gezondheid.

Na een korte of een lange tijd moest ik aan bovenstaand verhaaltje denken, ik richtte een gedachteslang omhoog om dat vaatje af te tappen, en die avond at ik rijst, tot pap gekookt als voedsel voor de zuigeling die ik ondertussen geworden was. Ik was aan haar genade overgeleverd en juist daardoor wist ik me – uiteindelijk – te openen. De dorstige vis die in mijn oceaan leeft opende eindelijk haar mond. Ik opende mijn mond voor de genade van grote Moedergod en zij tilde mij aan haar borst.
Daarna maakte ik als vanzelf een wandeling langs de merkwaardig onbegrepen plekken waar ik in mijn leven aan voorbij ben gegaan, de voetstoots aangenomen dingen die zich pas bij een intensere beschouwing willen openbaren. Zoals het spiegelend oppervlak van water de geheimzinnige wereld daaronder afdekt, zo heeft alles een spiegelend oppervlak. Alleen als mijn gedachtevis, mijn droomvis, die zwemt in de zeeën van mijn bewustzijn, haar mond opent kan het ongedachte een weg naar het gedachte vinden. De Chinees ving de vis en bracht haar als een feestmaal zijn huis binnen. Ik haalde mijn vis uit de kleine vijver en gooide haar in een veel grotere, een meer, de zee, de oceaan.
Nu maak ik mij op om de theebergen te beklimmen. Tussen het zachte groen omhoog lopen, mijn huid laten bestrijken door de jongste puntjes, die naar men zegt de zuiverste smaak hebben. Ondanks al mijn goede voornemens span ik me toch nog teveel in en bovengekomen moet ik voor lange tijd op de grond liggen. Ach deze zwakte die zich steeds weer aan me opdringt en die ik even zo vaak van me af probeer te duwen. Wanneer leer ik zwakte mijn vriend te maken, gebrek mijn vervulling, onnozelheid mijn gids?

Tussen de lotusbloemen scharrelt een eend. Met zijn ongeschonden gave voetjes hangt hij in het onbekende water, zijn bewegelijke lijf bevindt zich in het even onbekende heden. Hij is zo levend, zo druk doende.
Geef mij ook een roeping, Vadergod, zodat er een ritme, een melodie door mij zal stromen, waarop ik kan bewegen.