Het Speelveld

Het Speelveld

Een wit veld. Een wit speelveld, een wereld zonder lijnen, paden, een zee zonder einde. Een ongehoord weidse ruimte, een grenzeloos begenadigde plaats.
Ik stamp mijn zwarte tekens op de witte zandvlakte. Ik leg hoekstuk en hang peillood, ik trek de kortste lijn tussen twee punten. Ik bouw een wereld van gedachten op een fundament van drijfzand. Trek ik de paaltjes uit de grond dan blijft er enkel één groot land over, geen grens tussen jou en mij, tussen ons en ander.

In gedachten kan ik overal naartoe. Naar alle bekende, on- en minder bekende mensen die mij bevolken, naar alle steden, alle uithoeken van de wereld.
Ik trok mijzelf zwarte kleren aan en zat in een Parijs café met jou. Wij waren op zoek naar het leven, naar de essentie ervan. Wij dronken thee. Op een gegeven moment, zonder directe aanleiding, begonnen we onze handen met vorken te bewerken, geconcentreerd onderzoekend, alsof we op één of ander manier ons zo een weg naar een antwoord konden graven.
‘Ober’, wees een man met een subtiel hoofdknikje in onze richting. Na een vluchtige blik verdween de ober achter de bar en kwam terug met een verbandtrommel. Er was geen consternatie. Alleen een vriendelijk doch beslist mededogen. We waren goede klanten daar. Even later liepen we in een bladerloos park met verband als pluizige wanten om onze handen.
Het zegt alligator in mijn hoofd, maar ik wil geen verhaal met alligator. Dan herinner ik me krokodil. Sommige plaatsen die wij verzinnen bestaan echt zou je zeggen, andere zijn echt verzonnen. Als ik nu iemand tegenkom zie ik eerst zijn of haar talent als een licht voor hem of haar uitzweven, deze speciale manier van zijn die een precies geformuleerd universum opent. Elke persoon als sleutel voor een deur naar een andere ruimte, andere kleuren, andere samenhang. Er is natuurlijk veel lijden, maar ik moet moeite doen om het te zien. Ik zie, eerlijk gezegd, alleen maar glorie.
Mijn krokodil – ik heb geen medelijden met mijn eventuele lezers, u dus, jij dus – is weer van een vol en gezond groen, ik heb hem zachtjes tot leven gezongen en toen getemd. Hij eet uit mijn hand. Zij – mijn ziel – kan hem berijden zoals een ander een ezel of een paard berijdt. Mijn dierlijke vriend. Mijn dierlijke zelf als vriend, als kracht, als bron.
Ik ben niet gehouden aan het spreken van wat de waarheid genoemd wordt. Ik spreek de waarheid door precies onder woorden te brengen hoe ik het graag zou zien.

Later, in een ander café probeerden we te roken met onze wantschoenen aan. Het ging moeizaam, maar het lukte. Waar een wil is, is een weg. Het was een pluizige ervaring. De hele wereld voelde een beetje wattig aan, alsof het gesneeuwd had. Later voerden we elkaar zoete drop, en, je weet wel, van die stengels met zout erop.
Ik had natuurlijk ergens anders naartoe kunnen gaan, maar ik ging hiernaartoe. Ik denk natuurlijk dat ik zelf beslis waar ik naartoe ga, maar dat is niet meer dan een hoogmoedige gedachte. Wie heeft mij hier gebracht? Wat doe ik hier? Wat een aparte plaats is het hier en wie zijn die bijzondere wezens?

Waar de één zich als een grenspaal in de grond laat slaan opent zich voor de ander juist een zee van ongekende mogelijkheden.

Synopsis I

Sebastian Petersen

Wat er te veel aan willen is laten gaan, niet willoos worden maar vol van besluit tot overgave. De weg voor zich zien en hem al doende lopen, willig en oplettend.

Het zweet druppelde van zijn voorhoofd, prikte in zijn ogen, deed zijn hemd op zijn rug plakken. Hij hijgde. Dit was enkel maar een vingeroefening, een voorspel voor iets veel groters. Hij was geweldig opgewonden. Hoe dieper hij zou graven, hoe meer hij zou blootleggen, hoe meer hij te weten zou komen. Niet zozeer over Galliërs en Romeinen, maar gaandeweg, stap voor stap, schep voor schep, penseelstreek voor penseelstreek, over zichzelf. Alsof de aarde een groot hoofd was en hij zichzelf teruggroef naar een bepaalde lang vergeten herinnering. Alsof hij zichzelf teruggroef naar dat gedeelte van zichzelf dat daar lang geleden begraven was, en dat het onthullen van die nog onbestemde persoon, dat dat de vervulling van zijn leven zou zijn, het rond zou maken, hem zou verzoenen met het onverzoenlijke, de cirkel ongebroken.
Dit zou natuurlijk allemaal geleidelijk aan gebeuren. Voorwerp voor voorwerp zou hij zijn geheugen weer aanvullen, completeren. Details waar hij normaal het geduld niet voor had zou hij met liefde en precisie afborstelen, in kaart brengen, beschrijven, omdat hij wist, vermoedde of enkel hoopte dat deze zoektocht voor hemzelf van het allergrootste belang zou zijn.

De dag liep teneinde en ik voelde mezelf ook ten einde lopen. De schaduwen werden langer, het asfalt plakte niet meer. In de wei lag een klein groepje roodbruine runderen in de avondzon, koeien, kalveren en een stier. De stier als sluitsteen van een ring. De stier die geïsoleerd van de kudde veel misbaar zou kunnen veroorzaken lag daar nu als bewijs en verzegeling van vrede, enkel en alleen omdat hij de juiste plaats in nam. Hij knipoogde naar mij met beide ogen tegelijk. Bemoedigend, bevestigend. ‘Het is goed dat jij op weg bent, jongen,’ scheen hij te zeggen, ‘jij gaat, maar wij blijven. Wij hebben ons leven hier. Begin, midden en eind. Wij zijn rond en jij moet gaan, want jij bent op zoek. Ga in vrede, mijn jongen, ik geef je mijn zegen.’
Zo zijn de dieren ook. Zij hebben zichzelf al vele malen door de volte van de cirkel geleefd, en komen vervolgens hier terug in hun volmaaktheid om ons op onze weg te bemoedigen te ondersteunen, om ons van steun, advies en wijze raad te voorzien. Hun geduld en willigheid als een voorbeeld, een inspiratie, spreken zij constant in een taal die wij reeds lang vergeten menen te hebben. Zij fluisteren. Zelfs in de nacht bevolken zij onze dromen. zij slapen niet maar zijn zonder ophouden bezig ons leven van vingerwijzingen te voorzien, te verrijken, te sublimeren. Zij bezien ons als grootouders hun kleinkind, met toegeeflijke welwillendheid. Alle brokken die wij maken zien zij door de vingers, en al de pijn die we hen zouden kunnen berokkenen is al bij voorbaat vergeven.