Het is nog niet de Tijd

Wachten

In ieder geval niet de tijd voor spreken, noch voor handelen.
Maar het is ook niet de tijd voor wachten, het is nooit de tijd voor wachten. Besteed geen tijd aan wachten, besteed tijd aan zijn, aan stille voorbereiding, aan verzamelen. Aan het bij elkaar brengen van de kudde, het verzamelen van het zelf. Fluit jezelf terug uit je buitengebieden, kom bij elkaar, verenig je.
Het is nu tijd om met jezelf te zijn, om jezelf genoeg te zijn, niet alleen in de rustige ochtenduren, maar gedurende alle handelingen van de dag.
Wees vruchtbaar aan jezelf. Wees je eigen akkerland. Ploeg, zaai en verzorg, en maak je geen zorgen over de oogst; het werk zelf is het loon voor die arbeid.

Sintelklaas

Sintelklaas

Een dag, u weet het al, duurt even
als een jaar, een week, een eeuw
een mensenleven
Gister nog werd onze God geboren
zijn naakte onschuld slaapt nog steeds
in ’t hoge koren

Sint zag zich in de spiegel van ’t gelaat
er ging een kille huiver langs
zijn ruggegraat
hij zag zich in zijn volle naaktheid aan
hoe eerst hij kinderen verwekte
uit een pekelton,
en later dat wat oud en moe was
meenam in zijn zak weerom
Wie was het
aan wie hij onbedwingbaar denken deed?
Wie neemt het leven zoals ook Hij het neemt
zijn ogen liggen diep zijn grijns
bevreemdt ons
deze kindervriend haalt wat hij zaait
komkom weerom roept hij
wat kind of kinds is kom tot mij
laat hen toch tot mij komen
Hij zwaait de idioot
met staf met zeis met roe met kruis zwaait hij
vanachter kale bomen
komt lachend op ons toe
Makker zegt hij staakt toch uw Wild geraas
hij drukt zich aan je borst
’t is Sintelklaas
zijn ogen gloeiendheet als kolen
Hij is de goede Herder
geen schaap laat hij verdolen
Klaas Vaak is hij maar vaker
Engel Gabriël, de goede vader
in de maneschijn
Gedachte aan wat later
of geweest had kunnen zijn
Een lied een kampvuur
een surprise van papier
een vogel langzaam brandend
tot geboren worden
met een gezicht van klei
Gezwicht te zijn
het lopen op
van averij
het kantelen der kantelen
Wij ridders doolen slechts
wij sterven niet
wij weten wel de melodie
maar niet het lied
Wij schieten steeds tekort
maar raken daardoor juist
het dwaze hart der dingen
in wat wij zijn
Wij zijn het zingen
al die tijd zijn wij geweest wat
wij steeds zochten
maar pas in ’t dovend licht
herkennen wij onszelf
Vrij van betekenis
en van gewicht
zijn wij de glimlach die we zien
op andermans gezicht

Ik ben met zijn Tweeën

Vloeibaar

In mij ben ik met twee aanwezig. Degeen die alles weet en degeen die alles moet vragen, degeen die dit schrijft en degeen die dit leest. Degeen die alles wenst te begrijpen en degeen die de ander vasthoudt in onwetendheid.
Degeen die wil kennen baseert zich op wat hij onderscheidt, op het trekken van grenzen. Daardoor is hij begrensd. Door zijn eigen natuur. Hij zegt: ‘dit en dit kan ik kennen, en dat wat ik ken dat is wat er is.’ Hij weet niet dat daarbuiten onnoemelijk veel meer is, namelijk dat wat de moeder is van dat wat bekend is: dat wat onbekend is. Dat wat eventueel nog gekend kan worden en dat wat nooit gekend zal worden. Dat wat gekend is wordt gehouden door dat wat onbekend is. Dat is die ander in mij. Wij zijn met velen. Wij houden alles wat leeft in onze vele armen. Altijd, alles, niets kan daaruit vallen. Wij zijn – niet in onze woorden, maar die van jullie – de heiligen, de sjamanen, de witte broedres en zusters, de tijdreizigers, degenen die vrij zijn en van andere planeten komen, kortom, zij die beloofd hebben terug te keren om te helpen. Ik ben één van hen. Wij houden dat wat gekend is en dat wat gekend wil worden in onze armen als een goede moeder. Wij zijn de vroedvrouw van deze wereld. Wij zijn aanwezig bij haar continue baren.
Degene in mij die alles wil weten leest deze tekst en schudt zijn hoofd. Wat is dit nou weer. Met zijn snoeimes van rede zou hij er niets van heel laten. Maar hij is murf geworden, slaperig, overmand door de zachte aanraking van hen die hem houden. Hij is… een potentiële overloper. Hij weet al bijna niks meer, hij weet al bijna alles.
Vanochtend in bed was alles in mij zo zacht en warm. Ik dijde uit naar de hoeken van mijn bed, de uithoeken van het universum. Ik was… volledig vloeibaar, ingestapt in de stroom. Ik was stromend, ademend. Er was geen enkele reden om daarmee te stoppen, dus stroomde ik in mijn lijf, mijn ochtendjas in en uit, en in deze woorden, deze mompelingen, deze onverstaanbare rimpelingen.
Er zijn er twee in mij aanwezig. Degeen die alles begrijpt en degeen die dat maar moeilijk kan bevatten.