Zoekvinden

Bij

Ik heb niets te melden en toch wil ik iets. Een streling, iets aardigs. Misschien een stuk chocolade. Een emotionele behoefte. Ik zoek het te vinden in dit.
In wat?
In dit hier, nee, niet letterlijk in dit scherm, of in deze woorden, maar in dit zoeken, in het graven met deze woorden. Alsof de woorden mes en vork zijn, of een schop. Alsof het beeldscherm opengeschept kan worden in iets, naar iets.
Ik, dat kan niet anders, dat zie ik nu haarscherp, ben natuurlijk zelf dat beeldscherm, ik ben natuurlijk op zoek naar iets in mezelf, naar mezelf. Ik probeer daar met behulp van deze woorden dichterbij te komen. Dichterbij mezelf. Dichter bij de wereld, bij u.
Ik weet niet van tevoren wat ik aan zal treffen. Het is niet dat ik mezelf ken, als zeg, een lichaam in het zand en dat ik mij gaandeweg onthul door steeds meer zand weg te scheppen. Nee het is meer, dat in het scheppen, in dit tastend zoeken… nee, het is niet het tegenkomen van iets, het is het tastend zoeken zelf. Dat is het.
Ik kan met een bruusk gebaar stapels woorden op mijn schop nemen, zandkastelen bouwen, herinneringen, visioenen, maar, daar gaat het niet om. Ik bedoel: zulke bruuske bewegingen verstoren juist het tere web van waarnaar ik op zoek ben. Het is de manier van zoeken die creëert wat ik zal vinden.
Wat heb je zoal gevonden?
Dit, deze tederheid, dit dichtbij zijn, dichtbij zoeken en zelf. Dichtbij de tederheid, de bron, de zachtheid van de wereld.
En… u, of jou misschien.
Ik heb gevonden wat ik zocht. Ik blijf nog even, nog even een paar woorden, een paar zinnen misschien, een paar ademteugen. Ik blijf nog even bij me, op de rand van m’n bed zitten, m’n hand vasthouden.
Mijn sappen, mijn levensstroom door die van degene die ik zocht laten stromen.

Stokouderoos

Stokouderoos

Ik weet niet wat te schrijven, ik kijk om me heen. Ergens hier, op dit bureau, moet zich de clou bevinden, de sleutel. Ik zie een papier van de postbank ondertekend door de Manager Operations Giroproducten F.A. Tuininga. Dat zijn mijn voorletters, met daarachter de boodschap waar ik naar op zoek was. Kan het nog duidelijker? Het leven is zo simpel, ik hoef alleen maar de aanwijzingen op te volgen.

In de tuin heb ik een ontmoeting met achtereenvolgens een blad, een spin en een slak. Dat is nog wel geen verhaal, maar wel bijna genoeg om er een van te maken en in zekere zin ook teveel. Blad was zo transparant en wisselend in het ochtendlicht. Spin hing stil in de ruimte, gevoelpotig in al zijn snaren, en slak was eerst bedekt met aarde en later vers als jonge sla, als het jonge plantje dat hij terroriseerde. Ik heb hem verbannen naar de voortuin, naar de stokrozen die al uitgebloeid zijn.
Ik zoek langzaam mijn weg terug naar een teder zelf, als een herstellende zieke, en slak en spin en blad helpen mij daarbij. Zij doen mee, ijverig en traag, precies zo snel als het hun past. Ik ga niet sneller. Dat komt omdat ik oud geworden ben, omdat ik kromgegroeid ben, omdat mijn bladeren vallen in een vroege herfst. Nee, ik ben niet op zoek naar medelijden. Dit is geen lijden, dit is leven, want ik heb altijd een keuze. Uitgebloeid zijn en me beklagen om die jonge blaag van een slak, of vol gehangen van zaad voor volgend jaar me erin te verheugen dat mijn laatste bladeren voer zijn voor wat jong is en komen gaat.

Amorf

Amorf

Niets heeft vorm, niets geeft ook maar enigszins de indruk eventueel vorm te willen krijgen, maar kijk ik naar buiten dan staat daar alles stralend van overtuiging en duidelijkheid in de ochtendzon. Ik kijk naar binnen. Het is moeilijk het juiste woord te vinden. Maar omdat ik er de tijd voor neem heeft de innerlijke chaos – dat is toch aardig! – de neiging zich te ordenen, te plooien, te rangschikken opdat ze doorgang kan verlenen aan een woord. Ik probeer mijn innerlijk te liplezen en nu zie ik het duidelijk: ‘a-m-o-r-f’.
Dat verandert de zaak ogenschijnlijk weinig, maar, desalniettemin bij nader inzien, toch wel afdoende. Want een diagnose geeft toch een gevoel van duidelijkheid, ook al wijst de diagnose op het tegenovergestelde.
Ik ging voor mijn geboortebewijs naar Bogor in Indonesië. De Chinese mijnheer en mevrouw, die eigenaars waren van het kleine hotel waar ik sliep, waren, als een soort zorgzame pleegouders, met me meegegaan naar de burgerlijke stand. Op de juiste momenten voorzagen ze de barse ambtenaar van allerlei bankbiljetten. Het mocht niet baten. Ik kreeg echter wel een papiertje mee waarop stond dat mijn papieren onvindbaar waren. Je zou zeggen: wat heb je daar nou aan. Maar toch, papier onvindbaar, geschreven op een papier met een stempel, het bleek voor de Nederlandse ambtenaren net zo waardevol te zijn als een geboortebewijs.
Zo doen mijn innerlijke beambten ook niet moeilijk als mijn onduidelijkheid met het schone woord ‘amorf’ de lading probeert te dekken. Ze zeggen niet: dat is wel erg onduidelijk, komt u een andere keer maar terug met iets beters, nee, ze zijn enthousiast. Geweldig roepen ze, eindelijk duidelijkheid! Uit pure geestdrift slaan we elkaar op de schouder en dansend en hossend lossen we op in het morgenlicht van dat wat naar alle waarschijnlijkheid een stralende dag zal worden.