Marta October 31, 2009
Posted by ideeflux in : Kaïn en Abel , add a comment
Het is verrassend wanneer uiteindelijk de vrede komt, de gezalfde, de verlosser.
Staan we ons hele leven op de uitkijk dan gebeurt er niets, maar richten we ons leven zodanig in dat ons lichaam, ons huis, een waardig onderkomen voor Hem zal zijn dan is Hij onvermijdelijk en onmiddellijk aanwezig.
Maak het huis gereed en Zij zal komen. Het gereedmaken van het huis is hetzelfde als het welkom heten van Haar, hetzelfde als Hem in de mooiste kamer te slapen leggen.
Natuurlijk komen er dan vragen, in het holst van de nacht. We hebben nu zo’n Hoge gast, zal Hij wel willen blijven, wat geven we Hem bijvoorbeeld voor ontbijt? Een gebakken of een gekookt ei? Moet het dan ‘sunny side up’ zijn of doorgeprikt, hard of zacht gekookt? Als Hij van ons vraagt warm of koud te zijn, maar niet iets ertussen in, dan zal dat met Zijn Ontbijt ook wel zo zijn. We draaien ons om in bed, we woelen onszelf wakker en als we de volgende ochtend onuitgeslapen beneden komen, is Zij allang vertrokken.
Laat het kinderlijke in u tot mij komen, het niet-berekenende, het spontane, het goedgelovige, het naïeve, het onschuldige. Wees dat deel van u dat zich naar mij toewendt als naar een vuur. Laat mij de weerschijn van dat vuur op uw gezicht zijn,
Kom lieve mensen, kom. Kom naar het vuur, kom naar de warmte. Wees welkom, zoek jezelf een lekker plekje, schuif maar een beetje op, ja, er is heus plaats voor iedereen. Wat zal het zijn? Een lekker bakkie koffie, een kopje thee, chocolademelk misschien. Koekje erbij?
Och, het is zo heerlijk dicht bij het vuur te zijn. Buiten schijnt de zon verlokkelijk op allerhande mooi dingen, maar soms is het belangrijker je te concentreren, je van binnen te verzamelen, jezelf bijeen te brengen bij het innerlijke vuur.
Hier sta ik dan, met mijn schort voor, met mijn armen in de zij. Ik sta hier in levende lijve voor jullie, maar jullie hebben waarschijnlijk geen van allen het flauwste benul wie of wat dat ik zou kunnen zijn, want – dat weet ik wel – jullie zijn hier eigenlijk helemaal niet voor mij gekomen, jullie zijn, buiten de koffie dan, eigenlijk helemaal niet in mij geïnteresseerd. Jullie komen voor m’n zus, de schat, die lieve trut. Alles en iedereen die hier langs komt, komt enkel en alleen maar voor m’n zus, omdat zij zogenaamd de godganse dag niets beters te doen heeft dan bij Jezus te zijn, aan Zijn voeten te zitten.
Eerst wascht ze Zijn voeten, daarna wrijft ze ze droogh met heur lange roode haaren, om ze vervolgens met olie te zalven. Ik heb dit plaatje nu zo vaak gezien dat ik het kan dromen, dat ik het kan dromen en niet meer aan kan zien. Ik kan haar niet meer zien. Wij hebben zooveel gasten die voor Hem komen of voor Haar en wie zet de koffie? Wie bakt het brood, de visch, wie doet de afwas, veegt de vloer? Ik weet het, gij komt aldemaal helemaal niet voor mij en toch is het tijd dat ik eens een hartig woordje met u spreek. Gij komt voor mijn zus, die lapzwans , die luilak, die uitvreetster. En maar van Jezus dit en Jezus dat, zoete broodjes bakken, mooi weer spelen en wie houd de boel hier draaiende? Ik zei de gek.
U denkt dat ik jaloers ben? Misschien. Misschien is dat zo. Natuurlijk, ik wil ook hetzelfde als gij, ik wil ook van het geluk van de wereld proeven, van de vrede, in vrede zijn, rust, bij Hem zijn, zoals gij wilt gaan naar Maria Magdalena, gij wilt het zoete verhevene, het goddelijk en lieflijke samenzijn en ik… ik geef u enkel het gevoel dat ik u de weg blokkeer. Ga toch weg mens, dat is wat u denkt. En jazeker, u heeft gelijk, ik barricadeer u de weg met stoffer en blik, met bezem en vaatdoek met hart en ziel. Want zal ik u eens wat vertellen? Er is geen weg tot Haar dan langs mij, geen weg tot Hem dan door mijn nauwe straatje. Wie Magdalena wil bereiken zal eerst voorbij Martha moeten zien te komen. En ik laat u hier niet voorbij gaan zonder dat dat u uw deel doet, zonder dat u uw aandeel heeft gedaan in de hier voor de hand liggende huishoudelijke werkzaamheden. Begrijpt u mij, ben ik duidelijk?
Gij komt niet tot Hem dan door mij, niet tot de geest dan door het vlees, niet tot de honing dan door het bloed, niet tot de Lotus dan door het slijk, niet tot het hoogere dan door het dal van het diepste donker.
Uitgeput laat zij zich achterover op een stoel vallen, met haar roodgevlekte werksterhanden trekt zij haar schort en haar rokken omhoog om derzelven wat lucht te verschaffen. Wij zien een paar stevige harige benen met roode en paarse vlekken, eeltige voeten en hielen, gelige teennagels waarvan sommige gebroken zijn. Niets is daar gezalfd of geheiligd. Niets is daar voor ontvangst van Hem gereed gemaakt.
Dan staat zij weer op, met fonkelende ogen, lichtjes zwaaiend op haar benen alsof… alsof ze in trance is. Wie maakt hier het huis voort Hem klaar, wie dekt de tafel, zijn bed, wie kookt zijn eten? Wie maakt het dat dit een welkom huisch is, wie heeft de ramen gelapt, de vloer geschrobd, wie heeft zich het vel van de handen gewreven, van de knieën, van de ellebogen?
Maak uw huisch voor Hem gereed, jawel, op de knieën uws aanschijn zal gij zijn weg bereiden, totdat uw hart zingt bij elke daad, bij elke ademtocht, bij elk bord dat gij wascht en droogt en stapelt en wascht en droogt en stapelt. Stapel zijn geluk, zijn zegen in uw voorraadkasten, in uw bezemkast. Stapel uw plichten als uw zegeningen, zie dat elk gebaar van uw handen u dichter brengt naar Hem.
U denkt misschien nog steeds werkelijk dat we twee zijn, Magdalena en ik, dat we twee gezusters zijn, dat we twee onderscheiden personen zijn, omdat het zo geschreven staat. U denkt in uw verdwazing dat u de ene dient te vermijden om bij de andere te komen, maar wij zijn van tweeën één. Wij wonen immers in hetzelfde huis, zij en ik, wij zijn één en dezelfde persoon. Wij zijn twee handen op één en dezelfde buik. Waar ik mij afzwoeg, daar zingt mijn hart, waar ik de vloer schrob, zit ik aan de voeten van Jezus. Mijn schrobben is het waschen van Zijn voeten, het schrobben van Zijn voorhuid. Het maken van Zijn bed is als het Slaapen met Hem.
Draag uw ziel in zaligheid, breng uw hart waar uw handen zijn en uw handen waar uw hart is. Doe uw werk zingende, open de ramen, lucht uw huis, serveer hem bij het ontbijt wat u het liefste eet, wat u het beste voedt. Zalf uw voeten, knip uw nagels. Wees een welkome woning voor hem, want U bent Zijn huis, zijn schuilhoek, zijn vluchtplaats. U bent de Tempel des Heeren.
Het was in Santo Domingo October 25, 2009
Posted by ideeflux in : Een nieuw Begin , add a comment
Vol verwachting de post van de dag open gemaakt. Het is een blanco pagina. Wow! Een hele witte pagina die ik zelf in mag vullen, een blanco check die ik aan mezelf, jou of natuurlijk het liefst aan beide uit kan schrijven. Een hele lege dag, een open leven, een onbezoedeld geweten, een woestijn van gedachteloosheid, een brein zonder einde, een smetteloos hart.
Alles staat roerloos stil. Alleen ik beweeg door het dauwbedrupte struikgewas. Ik luister of ik een woord kan horen, of ik van binnen iets te horen krijgt dat mij zegt welke kant ik op moet gaan. Ik loop voor de kleine kudde uit. Net op het moment dat mijn vader, moeder en zusje mij op de rug kunnen zien verdwijn ik zogenaamd onafhankelijk, zelfbewust, nieuwsgierig om de volgende bocht. Honden lopen vaak op precies die afstand voor hun baas uit.
Het is nog vroeg in de dag, vroeg in mijn leven. Vandaar de dauwdruppels. Ze liggen niet op de planten om mij heen, maar op mijn ziel. Ik ben immers de eerste die al dit moois ziet. De lucht die ik inadem is zo zuiver! Dit wordt het Adamsgevoel genoemd, het gevoel de eerste mens op aarde te zijn. Ik zing. Ik zing een liedje dat ik op de radio gehoord heb. Ik voel me groot en stoer, omdat ik dat liedje ken, omdat ik voorop loop omdat alles zo mooi en nieuw is.
Ik was in de kroeg geweest en daarna nog bij iemand thuis. Ik had dan wel het een en ander gedronken, maar ik was helder genoeg om te zien hoe veelbelovend en nieuw de nog jonge dag was. En in mij was een verlangen om… ja om voort te leven, om méér te leven, om uit het leven de laatste druppel te persen en dus kon ik niet naar bed. Mijn benen brachten me naar de halte waar juist de tram aan kwam rijden. Ik was op weg naar zee. Ik werd naar zee geschommeld, gedoezeld, gerammeld en bij het eindpunt schudde de tram zich leeg, leegde haar ingewanden, braakte me uit. Zij baarde me en ik rolde als vanzelf naar het rulle zand, de waterlijn, het golf-bewegen, de stilte van de eindloze verte.
Later lopend naar het Noorden zag ik een bordje Verboden Toegang en ik wist onmiddellijk dat ik daar moest wezen. Ik verbeeldde me te zeggen – als ze me iets zouden vragen – dat ik gedacht had dat het bordje betekende dat het strand verboden was. Ik grinnikte nog wat na om mijn grapje toen ik achter de duinen op een wel heel adembenemend mooi stukje van onze aarde terecht kwam. Allerlei planten en kromgewaaide bomen waarvan ik de naam niet kende omzoomden een strandje aan de rand van een klein meer. Ik was onmiddellijk uit de kleren, en liep rond in wat ook wel het Adamskostuum genoemd wordt. Ik was naakt en de natuur om mij heen was mijn geliefde. Ik gleed met mijn hele lijf bij haar naar binnen, in het roerloze koele water.
Later terug op het strandje paradeerde ik rond met mijn onbesuisde erectie, zo vervuld van verlangen, van liefde, van schoonheid dat ik me er geen raad mee wist. Waar kon ik het brengen, mijn hartstocht, mijn zaad, mijn vruchtbaarheid? Aan de rand van het meertje ben ik toen op het strandje gaan liggen en daar heb ik gedaan wat ik later hoorde dat Aboriginal mannen tijdens vruchtbaarheidsrituelen doen. Ik maakte een gat in het strand, ik opende moeder Aarde, teder en voorzichtig en vervolgens nam ik haar. Ik stak mijn verlangend lid tussen haar zanderige volle vochtige lippen, ik stak haar waaruit ik voortkom, de moeder van alles, aan mijn stijve penis, strekte mijn armen en benen uit om haar in haar oneindige volheid volledig te kunnen omvatten en zo, terwijl zij en ik met duizelingwekkende snelheid om elkaars as door de eindeloze ruimte draaiden, kwam ik grommend van leven in haar klaar. Zonnen, sterren, manen, planeten, alles danste om ons heen, alles lachte, en zong, alles was oneindig jong.
En zo is het gebeurd. Zo heb ik dus, in mijn onbezonnen jonge jaren, op een onbewaakt ogenblik, op een moment van ontroering, van begeerte en verlangen, dit universum mede tot ontstaan gebracht.
Creatie October 24, 2009
Posted by ideeflux in : Een nieuw Begin , add a comment
Dit is heerlijk. Dit… aanwezig zijn in… dit. Dit in dit aanwezig zijn. In dit wat is: het aanwezig zijn.
Wij waren in elkaar aanwezig als man en vrouw. Enkel ademend. Ik en mijzelf als een enkele persoon. Eindelijk samen. Zolang zoeken en dan eindelijk onverwacht toch nog vinden. Juist door op te houden met zoeken.
Altijd maar denken dat je eerst een huis moet bouwen voordat je onderdak kunt zijn, dat je eerst moet eten voordat je vervuld kunt zijn, eerst moet baden voor je schoon bent, eerst gezond moet zijn voordat je heel bent.
Ik altijd maar denken dat je eerste een idee moet hebben en dat dan de woorden komen. Maar het is andersom. De woorden komen gewoon uit zichzelf, schuchter, snel, stoer, verlegen, de één na de ander, als kinderen in een klas. En ze voegen zich in rijen, zwermen uit, baldadig spelend, vrij en ongebonden, om dan opeens, als op afspraak, weer terug in de rij te komen, zoals ooit op het schoolplein: in de file, de rij voor het loket, bij de bakker, de koffieautomaat. Steeds staan ze weer in een andere volgorde, steeds krijgen ze door weer een andere context een andere betekenis. Door dat zwermachtige bewegen worden ideeën geweven, gedachtes uit louter lucht bij elkaar gebreid krijgen gestalte, benen, armen. Zo breien wij onszelf bij elkaar, wij ontlenen onze betekenis aan onze plaats in de rij en geven door onze aanwezigheid de rij betekenis. Deze hele creatie is net zo licht en luchtig als wijzelf, want in den beginne was het woord en dat woord staat nog steeds aan het begin. Aan het begin van elke zin, van elke stap, elke daad, waarmee wij de gedachte structuren bouwen die aan onszelf een zin geven.
door wijze dingen te zeggen word je verstandig
door heel te zijn gezond
door schoon te zijn was je jezelf
door vervuld te zijn word je gevoed
door onderdak te zijn wordt je huis gebouwd.
Zo Licht October 22, 2009
Posted by ideeflux in : Het Hart Helen , add a comment
De stilte waar we zo hard voor gewerkt hebben, waar we zo ongelofelijk veel misbaar voor gemaakt hebben, is eindelijk hier. Was – natuurlijk – de hele tijd al hier, maar is nu eindelijk binnen handbereik, voelbaar, aanraakbaar, door het voorafgaand kabaal schijnbaar verhevigd, alsof stilte een resultaat is van drukte. De woorden in hun veelvormigheid ebben nog even na, worden schaarser en vallen dan enkel nog sporadisch als druppels waaromheen de stilte zich condenseert.
Wij klommen omhoog, zij aan zij, hijgend. Boven het Samye-klooster waaide het als een oordeel. De demonen die het klooster indertijd hadden verwoest voor zij door Padmasambhava werden getemd – in zijn wijsheid werden doorzien, door zijn alomvattende liefde verzacht, gehouden, versmolten – waren alert, levend, blazend en puffend op het scherpst van de bergrug aanwezig. Terwijl ze altijd al in onze vermoeide, verdwaasde hoofden over alles en iedereen een feilbaar oordeel zoemden waren ze nu plotseling tot leven gebaard en trokken en sjorden ze aan onze te lichte zomerkleding en de schamele planken van het gammele huisje van de monnik die als een hellewachter aan de frontlinie van de vrede zijn post betrokken had. Het deurtje rammelde en de yakboter-kaarsen op de houten vlonder ervoor woeien bijna uit hun lage potten, bogen als zichtbare geesten naar alle kanten alsof ze trachtten te ontsnappen maar door een geheimzinnige kracht aan de aarde gekluisterd waren. Wij wilden kaarsen branden, meer kaarsen, voor meer licht, meer licht voor ons innerlijk onweer, ons innerlijk gedonder, waar ook de rukkende wind ons van schoon leek te willen blazen.
Hij opende de stenen tempel en wij stapten plotseling in vrede, in een roetzwarte wereld gevuld met eindeloos kalm licht, alsof we met een enkele stap het hele gevecht beslecht hadden, al ons menselijk streven in één klap tot vervulling was gekomen. Alsof Padmasabhava met het enkele gebaar van een hand, de beweging van een wenkbrauw, een mondhoek, zijn oude vijanden – ondertrussen vanzelfsprekend zijn trouwste vrienden – het zwijgen opgelegd had. Alsof hij wilde laten zien dat het gevecht door hem en velen met hem lang voor onze tijd gestreden, ook door ons met een enkel gebaar een enkel kleine innerlijke beweging tot een goed einde gebracht kon worden Wij, jij en ik, zuster, broeder, staan altijd aan die frontijn, altijd aan diezelfde drempel met hem, Haar achter ons, naast ons. Zij maakt het gebaar, wij bootsen haar na. Wij heffen een hand, een mondhoek, een innerlijke steen, een innerlijke koelte. Wij blazen onszelf nieuw leven in met fierse winden, met ongetogen verlangen, met bruuske gebaren. Wij maken ons hart horig, ondergeschikt aan een veel groter hart, wij laten onszelf oplossen in een veel groter licht, wij verbazen ons. Ze hebben ons een naam gegeven, maar wij zijn die naam niet. Wij dragen een naam die we zelf nog niet kennen, die zich zal onthullen door onze daden, door wat we doen en zeggen en door wat wij verzwijgen, ongedaan laten. Wij boetseren onszelf uit de wasachtige materie van onze dromen, onze wensen, ons verlangen. Wij trekken een onnavolgbaar spoor van eigenheid en juist daarin lossen wij op. Wij lossen onze naam in door haar te leven.
Wij staan op de top van onze eigen berg als een scherprechter, een zwaardvechter. Wij snijden zin van onzin, niet voor de wereld maar voor onszelf. Wij temmen het geroezemoes van ons hart, vervolgens doen wij één enkele stap en wij bevinden ons in vrede. Daar herkennen wij onszelf en alles en iedereen om ons heen als degene die we werkelijk zijn, naamloos, gewichtloos, tijdloos.
De monnik glimlachte met een verre blik die ons toch allebei persoonlijk raakte en toen wij afdaalden waren wij verderlicht en hilarisch. Wij dwarrelden als sneeuwvlokken naar beneden, als partizanen van een luchtleger, als vlammen uit een drakebek. Beneden gekomen stegen honderden, duizenden, honderdduizend zwarte vogels op, als bij toverslag van de goudverlichte stupa afgetekend tegen het zwartblauw van de vallende avond. Alsof het hele enorme gevaarte, die enorme koepel gewichtloos geworden was en mee de lucht in getild werd.
Zo licht waren wij, zo was het licht. Zo licht is het.
Het Gelaarsde Schaap [VII] October 21, 2009
Posted by ideeflux in : Een nieuw Begin , add a comment
De vlaggenstok van de ziel leek gebroken, haar container, dat wat haar hield, haar vat, haar schip, leek vol gaten en nochtans wist zij zichzelf ondanks – of was het dankzij?– haar gezonken staat, ongeschonden. Dat wat mij opent is dat wat mij heel maakt, dat wat mij aantast maakt mij rond. Ik neem dat erbij, waarvan ik dacht dat het mij beledigt, pijnigt, radbraakt. Ik strek mij uit over die doornige velden, mijn heelheid is groter dan wat ik ‘mijzelf’ placht te noemen.
Hij had mijn gedachten feilloos opgevangen. Waarom niet? Hij brak. Hij brak zijn kleine groene fles in het woelige water tegen de hagelwitte tanden van de tijd. ‘Tik’ zei het en hij zonk. Hij zonk naar zichzelf. Mijn rijzen was zijn zinken.
Toen ik omhoog kwam was zij naar boven gevlucht, zo snel als haar dunne benen haar konden dragen. Boven was ze in de gordijnen geklommen, net zoals de Gelaarsde Kat toen de tovenaar of reus zich veranderd had in een hond of een leeuw. Het was in ieder geval iets dat die kat over zichzelf had afgeroepen en de laarzen van zijn gespeelde ijdelheid werden hem bijna fataal, alsof zijn spel zo echt geworden was dat hij er zelf in omgebracht kon worden. Zo is dat met de meeste van ons: wij geloven zo ernstig in het spel dat wij spelen, dat wij er aan dood gaan.
Dit overwegende klom ze uit de gordijnen en ging aan haar bureautje zitten, ordende haar gedachten, haar kleurpotloden, en nam een besluit. Als ze moest kiezen om ofwel deze te zijn in deze veel te kleine kamer, voor altijd gevangen gehouden in dat wat haar angst in zou boezemen, ofwel dat het zo zou zijn dat ze buiten haar oevers zou treden en zo groot zou worden dat ze met gemak haar eigen angst en nog veel meer, misschien zelfs die van anderen, zou kunnen omvatten, zo heel dat ze haar eigen geschondenheid –maar, wat dat nu precies was, dat kon ze in haar nieuwe weidsheid al haast niet meer vinden – in liefde kon houden, dan koos ze voor het laatste.
Er was opeens geen angst meer. Van binnen was de ontmoeting met wat zij vreesde allang gemaakt, het diende enkel nog in de uiterlijke wereld gestalte te krijgen, en zo stapte ze, met de moed van onontkoombaarheid, langs de treden van de haar o zo vertrouwde trap naar beneden.
Het was alsof ze alles met nieuwe ogen zag. Alsof alles zich aan haar voordeed in een frisse nieuwe gedaante, alsof alles de schil van het gedane doen en van het menen te kennen van zich af had laten glijden en zich nu aan haar liet zien in de onbeschermde schittering van haar mateloze echtheid.
Stilstand [VI] October 16, 2009
Posted by ideeflux in : Vanuit de Schaduw , add a comment
Ik kwam als nieuw vanonder de steigers vandaan. Ik kijk onwennig in het rond als een kalf op te hoge poten.
In de nacht bezoeken we elkaars huizen. Wat wij bij elkaar gevangen gezet hebben bevrijdt zich via spiralende wenteltrappen die zich vanuit donkerte een weg naar vrijheid boren. Ik ben de hoeder van dit huis en daarmee van alle huizen. Tot mijn verrassing word ook ik gehoed, geborgen gehouden, heel gemaakt, opgepoetst, misschien niet zozeer uit liefde, maar dan toch uit noodzaak: de noodzaak tot liefde.
Misschien heb ik het wel nodeloos gecompliceerd gemaakt. Waarheid is simpelheid, wordt gekenmerkt door eenvoud. Nog eenvoudiger. Wij zijn maar van één ding gemaakt.
Op de bodem van mijn bestaan vraagt een koele donkerte mijn aandacht. Als een tong naar een zere kies, een zeeslang naar een glibberige rots beweegt zich mijn aandacht aalzuiver, vlijmscherp, precies.
Ik stijg omhoog. Ik stijg omhoog in mijn eigen bewustzijn. Vanuit het lang vergetene omhoog, plomp, breed. Waterstuwend. Ik duw mijn tweelingbeeld voor me uit, mijn waterlichaam, mijn ideelichaam, mijn lichtlichaam, mijn prototype. Mijn prototype ziet het daglicht eerst met uitpuilende ogen van water, pas als hij in zijn veelheid van bollingen van mij afgestroomd is, kom ik, als een schim van mijzelf. Hij kijkt rond en kan alleen glazige eenheid van zijn zien. Ik kijk rond en ik zie verscheidenheid.
Hoe roep ik mezelf tot bestaan, waarvandaan kom ik? Wil ik wel geboren worden? Mijn bestaan is gadeslaan. Ik sla gade. Ik registreer. Ik kom zo geluidloos als mogelijk aan de oppervlakte en daar aangekomen installeer ik mijzelf in… stilte, in roerloosheid. Vroeger zou ik op prooi gewacht hebben, maar ik ben al zo lange tijd geleden gestopt met eten, ik heb geen trek meer. Nu wacht ik op… beweging, geluid, iets dat mijn aandacht trekt, iets dat mijn voortgang mogelijk maakt.
Wij wachten. Alle drie wachten wij. Wij wachten op elkaar.
En zo moet ik het laten zijn. Al te vaak heb ik een verhaal voort willen zeulen over onbegaanbare heuvelruggen, langs drooggevallen kreken, mijn tanden stukgebeten op haar taaie huid, om dan, als ik omkeek tot de conclusie te moeten komen dat niemand me gevolgd was. Niemand was achter mij en mijn verhaal aan komen lopen. Nu ben ik vastbesloten het anders te doen. Laat de anderen maar eerst gaan, dan kom ik met mijn verhaal er wel achter aan.