Laatste Schaapwoorden [VIII]

Laatste Schaapwoorden

Mmmm. De ochtendzon over sneeuw. Ikzelf in een kamer die zijn bestemming nog moet krijgen, een ruimte vol leegte, vol van verwachting.

Er zijn altijd mogelijkheden om dat wat je wenst dat komen gaat nu reeds te proeven, nu reeds naar je toe te halen. Dat wat je graag wil moet er in zekere zin al zijn, anders kan het immers niet komen.
Het is goed als we het einde scherp voor ons zien, dan kan het verhaal zich al gaande een weg banen naar waar het einde als een stralend baken in de donkere nacht staat.

We waren – zo begon het – vanuit Leiden naar de Prinsenhof in Delft getogen om de tentoonstelling van Dirk Bouts te zien. Als vijfjarige vergaapte ik me aan de Middeleeuwse wreedheid van vierendelingen, afgehakte borsten en het hoofd van Johannes de Dooper op een schaal. Omdat het kunst was, was het veilig.
Net voordat we weggingen liep ik door het poortje heen en keek, met mijn rug naar de kerk over het brugrijke perspectief van de Oude Delft. Het was alsof ik wegschoot in een reeds levende toekomst, of ik me op dat moment voor even verloor in dat wat voor een substantieel deel mijn leven zou worden.
Het verhaal dat ik – nog altijd – bezig ben te schrijven moet hier zijn glorieuze einde vinden, maar dan met een omgekeerd perspectief, dus vanaf één van de bruggen in de richting van de Oude Kerk, waarvoor ik als vijfjarige in de toekomst sta te gapen juist voor mijn moeder me in mijn nekvel grijpt om me – voor even – de veiligheid van de auto in te sleuren, ver weg van alle vleselijkheden waar Dirk Bouts zojuist mijn ogen voor geopend heeft.

Zij waren met elkaar in gesprek geraakt, de oude witte krokodil en het meisje. Eerst zwijgend, stamelend, woord voor woord. Angstig, verlegen, vanuit wederzijdse gereserveerdheid, bevooroordeeldheid jegens zelf en ander. Dat dit onmogelijke gesprek plaatsvond was omdat ze beiden niets meer te verliezen hadden.
Op een avond – er moet een maan geweest zijn want ik weet nog goed hoe ik kon zien hoe bij mijn vriend, die zich nog altijd in zijn schuilhoek bevond, de tranen over zijn wangen stroomden – strekte het meisje haar arm over het roerloze water en legde haar hand zonder te aarzelen op de schubbige kop van de krokodil, juist tussen de eilanden van zijn ogen, die zich ogenblikkelijk sloten om als hongerige vissen op zoek te gaan naar de ongehoorde warmte die zich langzaam in zijn voorhoofd verspreidde.
Vanaf die dag is alles snel gegaan, zonder dat mijn vriend de ontwikkelingen verder nog heeft afgewacht. Tot diep in de nacht sleutelde hij aan zijn motorfiets, aan zijn reptielachtige vriend, zijn prehistorische monster, zijn dierlijke zelf. Het ging goed en voorspoedig, hij humde en zong dwaze liedjes, kinderliedjes, zelfgemaakte wijsjes en woorden, wreef zich met zwarte olie over het voorhoofd terwijl hij voor zijn geestesoog langs hel bemaande hemel scheerde.

De krokodil zelf kreeg ondertussen zijn groene kleur terug, want toen meisje haar hand weghaalde was er een groene afdruk tussen de borsten van zijn ogen blijven staan in de vorm van… ja, inderdaad, een soort van vijgenblad, die zich na verloop van tijd als vanzelf over zijn hele lichaam uitspreidde.
Een lange of een korte tijd later waagde zij zich zelfs wijdbeens op de gladde knokige rug en na de eerste voorzichtig rondjes in het botenhuis waren de krokodil en het meisje steeds stoutmoediger geworden, en allengs verkenden ze het nachtelijke zwart van de Delftse grachten tot ze uiteindelijk in volle glorie het einde van dit verhaal binnenvoeren. Over de Oude Delft richting de van verbazing en verrukking opengevallen mond van mijn vijfjarige zelf terwijl mijn vriend op zijn motorfiets grommend van vreugde een perfecte cirkel maakte, rond de torenspits van de Oude Sint Jan, rond de maan, rond de verre planeet van zijn eigen hart.

Zoo Lang

Zoo Lang

In dat lange lijf van mij helemaal van daar naar hier gereisd. Van daar waar mijn voeten in een grazige weide aan de rand van een beek staan naar hier waar ik me hoog in de stad te slapen leg. Mijn lieve lijf zo lang dat ik er niet uit kan vliegen, treinen. Altijd maar weer thuis komen in deze, deze dierbare, dit dierbare. Overal zo thuis zijn, zo kind aan huis, zo vertrouwd.
Ik neem mijzelf mee als een kind aan de hand. Ik vertel mezelf het een en ander over wat er zoal te zien is. Ik maak iets te drinken. Neem stapels door van wat allang geen post meer genoemd zou mogen worden. Ja, ik ben nu hier, nu weer hier in mijzelf. In mijzelf deze kostbare plek weer teruggevonden.

Ik kan mij niet meten aan anderen, omdat ik zo deze ben, omdat ik zo een ongelofelijk lang lijf heb, omdat ik in hier zo thuis ben.
Ik weet dat er veel rumoer is in de wereld, veel verdriet en onzekerheid, boosheid. Zoveel onrechtvaardigheid, zoveel gebrek aan dromen. Ik doe mijn best om er iets van mee te krijgen, maar ik hoor enkel de reflectie, het weerkaatsen van het geluid als van voetstappen in een nauwe straat.
Ik ben zo bereid om… dood te gaan, om achterin de rij te gaan staan, om af te zien van enige aanspraak op, en nochtans krijg ik dit allemaal. Het is bijna te veel.
Nu dit weer, deze woorden. De rubberbanden op asfalt, de tram die over de stalen brug zingt. Mijn beperkte vermogens die juist precies toereikend zijn om… tot hier te komen. Mijn lijf dat precies zo lang is dat mijn voeten de vloer raken. Het brein dat – wat een geluk – bereid is bij tijd en wijle te stoppen, zodat ik uit de gedachtetrein kan stappen in het oneindige landschap van vrijheid. Het hebben van een taal, het hebben van woordvoeten in een oneindig wit sneeuwlandschap.