Wat er komen wil

Wat er komen wil

In het woordloze bos gaan zitten, met enkel water, een slaapzak en een zeiltje. Wachten op de woorden die komen gaan. Als je stil zit kan het gebeuren dat zelfs heel schuwe of wilde woorden naar je toekomen. Het zachtglanzen van de ogen van een hert. De vierkante verschijning van een everzwijn. Het knagen. Het zwiepen. Onverwachte geluiden. Het ruischen van het veel grotere door de woordbomen.
Het droombewustzijn. De lichaamsweidsheid. Het grenzeloos zijn. Het opgeven van grenzen, het doorheen beweegbaar zijn. De aarde die door jou heen beweegt, doorheen jou spreekt. De melodie van de aarde door jouw mond gezongen. Jij gestorven aan je eigen angsten. Het morgenontwaken. Het verlangen naar dichtbijheid plotseling vervuld weten van degene die je al die tijd al was. Het loslaten van welke overtuiging dan ook.
Ik nam je hier mee naar toe om je beter te leren kennen. Je valt me niet tegen. Ik vind je… opzienbarend. Groots. Verbazingwekkend, ongehoord. Ik kan je niet verklaren. Ik ben sprakeloos van je schoonheid. Ik verblijf in jou als een man in zijn geliefde. Ik koester me in je omhelzing.
Ik ga het bos weer uit. Ik vertel mijn verhaal. Het is een mooi verhaal. Maar het verhaal is het bos niet. De woorden zijn de takken niet, het zonlicht, het met een schok ontwaken in de donkerte niet.
Ik was verdwaald in het woordbos. Ik kwam er met scheuren en winkelhaken vandaan. Het bos scheurde me de woorden van het lijf. Zo kwam ik naakt en woordloos weer te voorschijn.

Woordenspieghel

Woordenspieghel

Weer niets te melden. Misschien is het wel een goed teken, maar het is zo saai. Het oog wil ook wat, het hart, het verstand. We willen allemaal wat. Ik wil een deel van mezelf, ik wil mezelf weerspiegeld in woorden. Ik wil in mijn woordenspiegel kijken. Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is het mooiste in het land. Dat bent gij koningin. Dat bent gij, schrijvertje mijn. De manier waarop u mij schrijft, hoe kan ik anders dan mijn schepper tot een lofzang zijn?
Ick wil U behaaghen! Ick wil U dienen. Ick wil proncken met mijne veeren. De satijnen glansch van mijne kleeren, het kaerslicht, de conversatie, het wildgebraet. Altijdt maer eten. Loncken. Versieren.
Dat wat ik zag viel bij mij in een milde put, een soort van doofpot. Alles wat teveel lawaai maakte, zijn zinnen te buiten ging, kwam niet meer uit die put weerom. De soberheid van hier te zijn. De oneindige mildheid daarvan, de liefde.
Ik flirt met u die ik niet kan zien. Ik hoop dat de spiegel aan de andere kant transparant is en dat u daar staat terwijl ik het ene woord pas na het andere. Staat deze kleur rood me wel goed? Deze kleur wijsheid. Deze gematigdheid. Wat dunkt u van mijn woordkeus, van mijn… – ja, laat ik het maar vragen – van mijn… zijn? Denkt u dat wat ik denk, dat dat waard is om gedacht te worden? En het plaatje wat ik er vervolgens bij vind, is dat niet goed gekozen, geen verrassende combinatie?
Als ik mijn stukje af is kan ik het vaak niet nalaten er in het voorbijgaan steeds weer een blik op te werpen, alsof ik een nieuw kledingstuk aan heb, net naar de kapper geweest of op het punt sta uit te gaan. Dit omhulsel, deze zak met beenderen, deze kleren van de keizer.

Door een klein raampje konden bezoekers zien hoe de Zonnekoning zich aankleedde. Dat was een voorrecht dat aan maar enkelen was voorbehouden. Vandaag was u de gelukkige.
U heeft zojuist gezien hoe ik me hul in een wolk van woorden, maar ik ben bang dat ik u tegengevallen ben, dat u zich bekocht voelt, dat u te weinig waar voor uw geld gekregen heeft. Daarom wil ik u graag iets meegeven voor de terugreis, iets aardigs, een pleister op de wonde. Iets verrassends, iets echts.
Die spiegel waar u doorheen meende te kijken, was – u vermoedde dat al – helemaal niet transparant. U keek naar uzelf. En onder deze laag van woorden is werkelijk niets te vinden. Niets, leegte, ruimte, weidsheid. Enkel dat wat verandert. Dat wat ons tot dezelfde maakt.

Turngoat

Turngoat

Mijzelf rusteloos langs klippen en dalen sturen, zelfs ’s nachts ben ik bezig om in droomland dat in kaart te brengen wat overdag over het hoofd gezien werd.
Het is logisch, dat als het éne het goed wil doen, het in de hand wil houden, het wil organiseren, controleren, het ándere gaat tegenwerken, temporiseren, saboteren. Dat wat zo graag goed wil zijn en dat wat slecht is wil elkaar maar niet ontmoeten, een hand geven.
De aanbidding van het ene roept het andere tevoorschijn. Tenzij… ja tenzij wij, ik, in mijzelf een bedding creëer, mezelf uitstrek zodat ik een ruimte vorm waarbinnen de beide uitersten elkaar kunnen ontmoeten. Als ik zo groot ben vindt alles in mij een plek.