Wilde Roos

Wilde Roos

Wat bedoel je precies, Frans? Ik bedoel, denk je echt dat je mij, ons helpt door mijn boze woorden uit te schrijven?
Wij denken dat de wereld zo is, inderdaad ja, exact zoals jij dat beschreven hebt. Mooi. Wat moeten we daar op zeggen: knap gedaan?
Wat heeft het voor zin om die woorden op te schrijven, dat vroeg ik me vandaag nog af, tijdens de afwas.
Ze zijn er, ze hangen in de lucht. Iemand moet ze in eigendom nemen.
Ze zijn van mij!

Kijk naar wat iemand eet en je weet wat iemand is. Mestkalveren met van die gele kaarten in hun oren. Varkens in hokken. Kippen. De tranen springen je in de ogen. En al die ellende wordt aan ons opgevoerd. Hier heb je de legbatterij, daar heb je de kippenhokken waar wij in mogen wonen. Wij zijn volkomen gelijkgeschakeld, we wonen aan dezelfde lopende band als waaraan ons voedsel geproduceerd wordt, we staan aan het eind van die voedselketen, want wij worden geacht die rotzooi op te eten. Die treurigheid, die uitzichtloosheid, dat gebrek aan leven, daar voeden wij ons mee. We lopen zelf rond met van die grote gele kaarten in onze oren, of we horen er niet bij. We zijn ofwel geregistreerd en kunnen ons legitimeren of we zijn illegaal. Continue reading “Wilde Roos”

Wensles in Tevredenheid

Wensles

Of u levenslust?

Een heerlijke morgen met daarin, zwemmend als een goudvis, een idee.
Er is vrijheid, er is jeugd, er is een lichaam dat vaak stijf aanvoelt. Er is deze eindeloze creatie. Er zijn anderen, er is een vrouw, er is een moeizaam tijdsgewricht.
Er zijn mooie ontwerpen. Er zijn goede samenwerkingsverbanden. Er zijn verhalen. Er worden verhalen geboren en er komt meer vrijheid.
De verteller is een symbool van God. Als verteller van het verhaal van ons leven zijn wij God.

We wonen in een wereld waar de meest wonderbaarlijke magie werkzaam is.
De eerste wet luidt: wat je wenst wordt werkelijkheid.
Zo simpel is dat. Gaat u maar na. Al uw dromen zijn waar geworden. Klopt het? Continue reading “Wensles in Tevredenheid”

Altijd nieuwsgierig!

Nieuwsgierig

De Tibetaanse monniken blazen op schelpen en trompetten bij het begin van de dag, de ochtendpuja. Om de dag te begroeten zou je zeggen. Om de dag te boetseren, denk ik. Om de de dag te vormen, te kneden, te dwingen in vreugde, dankbaarheid, verbazing.
De dag, willoos woordloos schepsel, zonder eigen identiteit, kan ons simpelweg enkel antwoorden op dezelfde manier als waarop wij haar begroeten. Zij krijgt vorm onder onze handen. Ze is niet anders dan ons handelen.
De dag is leeg. Wij blazen haar aan, als een toverfluit. Wij zetten de dag aan onze mond en we blazen.
Het is verbazingwekkend wat we allemaal te voorschijn toveren.