Martha, de Ongeziene

vuurbloem.jpg

Zoals jullie naar ik meen op weg zijn naar het hogere, misschien wel het allerhoogste, zo ben ik altijd op weg geweest naar het allerdiepste, diep de aarde in, naar waar het eeuwige vuur brandt.
Wij mensen zijn van die aarde gemaakt. Wij zijn eigenlijk, ieder van ons, stukjes aarde die tot leven gekomen zijn. En dus dragen we het vuur van de aarde in ons, net als al het andere dat leeft. Elke vogel, elke bloem, elke worm draagt dat vuur in zich.

Ik ben een vrouw. Dat wil zeggen, ik ben de draagster van het vuur. Ik draag het in mijn schoot, mijn buik, mijn baarmoeder. Ik behoed het vuur en behoud het. Wij vrouwen zijn de hoeders van het vuur en wij geven het vuur door aan hen die wij op de wereld zetten.
Natuurlijk is het zo dat ook mannen vuur in zich dragen. Maar ik zou ze in het algemeen nou niet bepaald hoeders van het vuur noemen; ze verkwisten en verspillen het, ze schieten het weg vanuit hun geweren, penissen en kanonnen, altijd op jacht naar een kortstondig hoogtepunt. Continue reading “Martha, de Ongeziene”

De Jonge Mohammed

DeJonge Mohammed

De perfectie van dat wat is omsluit alles, niet alleen alles wat er mee harmonieert, maar juist ook dat wat er inbreuk op lijkt te doen. Dat wat inbreuk op de harmonie lijkt te doen is de toetssteen èn het bewijs van perfectie. Wij worden gedwongen onszelf op te rekken, het wezen van onze perfectie op te rekken, zodat het alles kan omsluiten.

Als ik mijn ogen sluit zie ik hem dansen, de jonge, nog baardloze Mohammed, in een glanzend groen gewaad, in volle overgave dansend in het hart van Jezus, het huis van Liefde. De ongelofelijke vitaliteit en levensvreugde van de jonge Profeet. Zijn onschuld, zijn directe en woordloze verbintenis met God, zijn huid die in vuur en vlam lijkt te staan.
Wij moeten al onze schapen hoeden. Het zwarte schaap, het dartele schaap, het schaap van liefde, het schaap van verdriet en razernij, het oude schaap dat der dagen zat is, en al die kleine jonge schapen, die staan te popelen om mee te dansen. Wij bestaan uit die myriade van wezens en we moeten ze één voor één allemaal veilig thuis brengen. Door de donkere gang van wat komen gaat naar het licht voeren.
Ieder draagt zijn eigen verantwoordelijkheid, hoor ik een oude baard in een hoekje mompelen. En jawel, dat klopt. Ieder draagt de volledige verantwoordelijkheid, niet alleen voor zichzelf – dat is de grote vergissing, het grote verglijden, het grote lijden, het gemis en de pijn die zich van ons mensen meester heeft gemaakt – maar ook voor de hele kudde. Wij nemen iedereen erbij. Wij rekken ons hart zover op, dat iedereen erin past.

De jonge Mohammed hoefde daar geen moeite voor te doen, als de zoon van Jezus, als de na hem komende estafetteloper met de vlam der mensheid, ontving hij zijn licht uit dezelfde altijddurende bron, de zon der zonnen, het Al.
`S ochtends de jonge aanplant water geven, Gods water over Gods akker laten stromen. Er elke dag punctueel op dezelfde tijd terugkomen. Dat is liefde in actie, en wie het werken noemt heeft iets fundamenteel verkeerd begrepen. Het is het zingen van de ziel. Het hoeden van de schapen, het hoeden van de schapen. Het hoeden van de schapen.

Ben ik mijn broeders hoeder?
Jawel.
Aarzel maar niet langer, zeg maar volmondig ja.
Zonder jou geen mij, zonder ander geen ik.
Dit alles is de dans van God, de dans van God door ons. De jonge Mohammed danst die dans als een jonge dichter. Alleen een dichter als hij durft het wagen antwoord te geven op alle vragen, waagt het om het woordloze dansen in het dansen van woorden te vangen.

Alleen als ook wij
dichters in dat licht
dansers van die woorden worden

worden woorden weer
wat die woorden waren
een woordloos dansen
met woordloze gebaren.

Jonas

Jonas

Opdat wat ik tot nu toe niet heb willen zien, kunnen zien, durven zien, zichtbaar worde. Wij rijgen woorden aanéén, kammen ze, plooien ze, met geen ander doel dan dat wat woordloos is zichtbaar te maken. We hebben het kroost van woorden nodig om er een wak in te kunnen slaan zodat we een blik kunnen werpen op de diepte daaronder.

Eend trekt zijn sporen over de onbegrepen diepten van de vijver. Hij zegt dat hij daar wel eens wat meer over zou willen weten, steekt zijn kop tussen het kroost naar beneden, naar dat wat hij zegt te willen leren kennen en tegelijkertijd zijn achterwerk omhoog als het bekuifde hoofd van een éénogige blinde naar het onbegrepen blauw van de lucht.
Zit stil en wacht.
Wacht de grondzee tot bedaren.

Er is angst om dat spelvaren te laten varen, om naakt te zijn, onbegrepen. Daar een huis te maken zonder stoel, zonder bed, en toch te rusten. Ik moet voor haar, mijn moeder zorgen, opdat zij voor mij zal zorgen. Ik wieg Vadergod in mijn armen opdat hij tussen mij en de naakte hemel zal staan. Ik weef God uit de kern van mijn wezen, niet uit angst, maar uit verlangen, niet naar geborgenheid, maar naar volmaaktheid, volheid, volledigheid.
Is dit genoeg kroost? Sla dan een wak in mij. Sla een wak in mijn web van woorden, in mijn waterspiegel, in mijn gedroomde leven.
Maak averij, slagzij, breng mij tot zinken.
Jonas in de wallevis zonk naar het diepste van de zee. Daar op de bodem werd de huid van de vis transparant zodat Jonas een klein wormpje kon zien dat daar op de bodem van de zee leefde. In oude woorden: God zorgt zelfs voor dat kleine wormpje in die vergeten uithoek. In nieuwe woorden: ik leef daar ook. In de ongekendste verten. In het verst verwijderde, in het dichtbijste verstverwijderde, in het dichtbijst verbijsterende.

Ik ga weer naar school. Ik moet de taal leren in dit vreemde land. Mijn vrienden zijn diegenen die ook naar school gaan om de taal te leren. Af en toe vertellen ze me over hun vreemde leven, hun verre, nu dichtbij gekomen leven. Zij maken de huid van de wallevis waarin ik me blijkbaar bevind transparant. Ik zie hoe alles leeft, hoe zij leven, hoe zij en ik leven. Hoe wij elkaar kunnen herkennen, hoe wij lotgenoten zijn. Leefgenoten, wijsgenoten. Hoe wij dezelfde huid delen, dezelfde wind voelen ademen, dezelfde vrouw beminnen, dezelfde man. Hoe wij dezelfde kinderen grootbrengen voor hetzelfde lot, achter moeten laten, weg moeten laten vliegen. Hoe onze schil oud wordt, gerimpeld, der dagen zat. Hoe wij van binnen vers zijn als een lychee vrucht. Glad, onaangeraakt, zuiver glanzend, als een eikel, een glans, als een glimlach op de eerste dag.