jump to navigation

Jonas March 15, 2010

Posted by ideeflux in : Kaïn en Abel , 1 comment so far

Jonas

Opdat wat ik tot nu toe niet heb willen zien, kunnen zien, durven zien, zichtbaar worde. Wij rijgen woorden aanéén, kammen ze, plooien ze, met geen ander doel dan dat wat woordloos is zichtbaar te maken. We hebben het kroost van woorden nodig om er een wak in te kunnen slaan zodat we een blik kunnen werpen op de diepte daaronder.

Eend trekt zijn sporen over de onbegrepen diepten van de vijver. Hij zegt dat hij daar wel eens wat meer over zou willen weten, steekt zijn kop tussen het kroost naar beneden, naar dat wat hij zegt te willen leren kennen en tegelijkertijd zijn achterwerk omhoog als het bekuifde hoofd van een éénogige blinde naar het onbegrepen blauw van de lucht.
Zit stil en wacht.
Wacht de grondzee tot bedaren.

Er is angst om dat spelvaren te laten varen, om naakt te zijn, onbegrepen. Daar een huis te maken zonder stoel, zonder bed, en toch te rusten. Ik moet voor haar, mijn moeder zorgen, opdat zij voor mij zal zorgen. Ik wieg Vadergod in mijn armen opdat hij tussen mij en de naakte hemel zal staan. Ik weef God uit de kern van mijn wezen, niet uit angst, maar uit verlangen, niet naar geborgenheid, maar naar volmaaktheid, volheid, volledigheid.
Is dit genoeg kroost? Sla dan een wak in mij. Sla een wak in mijn web van woorden, in mijn waterspiegel, in mijn gedroomde leven.
Maak averij, slagzij, breng mij tot zinken.
Jonas in de wallevis zonk naar het diepste van de zee. Daar op de bodem werd de huid van de vis transparant zodat Jonas een klein wormpje kon zien dat daar op de bodem van de zee leefde. In oude woorden: God zorgt zelfs voor dat kleine wormpje in die vergeten uithoek. In nieuwe woorden: ik leef daar ook. In de ongekendste verten. In het verst verwijderde, in het dichtbijste verstverwijderde, in het dichtbijst verbijsterende.

Ik ga weer naar school. Ik moet de taal leren in dit vreemde land. Mijn vrienden zijn diegenen die ook naar school gaan om de taal te leren. Af en toe vertellen ze me over hun vreemde leven, hun verre, nu dichtbij gekomen leven. Zij maken de huid van de wallevis waarin ik me blijkbaar bevind transparant. Ik zie hoe alles leeft, hoe zij leven, hoe zij en ik leven. Hoe wij elkaar kunnen herkennen, hoe wij lotgenoten zijn. Leefgenoten, wijsgenoten. Hoe wij dezelfde huid delen, dezelfde wind voelen ademen, dezelfde vrouw beminnen, dezelfde man. Hoe wij dezelfde kinderen grootbrengen voor hetzelfde lot, achter moeten laten, weg moeten laten vliegen. Hoe onze schil oud wordt, gerimpeld, der dagen zat. Hoe wij van binnen vers zijn als een lychee vrucht. Glad, onaangeraakt, zuiver glanzend, als een eikel, een glans, als een glimlach op de eerste dag.

Kom Terug November 28, 2009

Posted by ideeflux in : Kaïn en Abel , add a comment

Maria

Ik zet mijn eerste stappen in het versbesneeuwde wit van deze ochtend.
Dat beeld verdwijnt gestaag als ik verder wandel, want als ik straks al mijn voetstappen met één oogopslag kan overzien lijkt er van dat wit maar weinig meer over te zijn.

Alles wat gezegd is, al onze gebaren blijven bestaan. De ziel van ons hart, zij/hij die onze zuivere leidraad is, raakt ermee bespikkeld, besmeurd. Wij proberen hier en daar een vlekje weg te poetsen, maar het lijkt wel of we ons wezen nooit meer helemaal schoon kunnen krijgen. Het verdriet daarover verleidt ons vaak tot drieste daden. Het opsteken van toch maar weer een sigaret bijvoorbeeld. Uit onvrede met onze schijnbare beperktheid herbevestigen we doelbewust het bezoedelde in ons, om daarmee het door ons ingebeelde noodlot definitief over ons af te roepen, alsof we de herinnering aan het verloren gewaande licht met wortel en al uit willen rukken, uit willen drukken als diezelfde sigaret, zodat het ons niet meer kan pijnigen met haar zoete herinnering.

Spreek nu vanuit dat wat al die tijd schoon is gebleven. Luister van daar uit. Het kan pijnlijk zijn om te erkennen dat hij/zij er nog steeds is. Ongeschonden, gaaf, veelbelovend, heel, wonderbaarlijk oprecht, zuiver, mededogend. Als je je met die plek in jezelf durft te verbinden kan het niet anders zijn, dan dat je je oorspronkelijke schoonheid terug zult vinden. Zij is nog altijd daar, als het wit onder de woorden, de roos onder de sneeuw, de sneeuw van het wit van de morgen.
Verheug je daarover. Verblijf daarin. Vereenzelvig je daarmee. Leef vandaaruit. Vanuit die plek doorschenen verliest dat waarmee wij ons eens bespikkelden, besmeurden, dat waar wij ons verzwelgend in onderdompelden, alle kracht.

Maria is een verbeelding van onze innerlijke zuiverheid.
Nog nooit is er iemand geweest die zich tevergeefs beriep op haar goedertierendheid.
Bid tot Maria, Heilige Maagd Maria bid voor ons.
Maria die in ons is, bidt altijd voor ons.
Ik Bid voor Maria in ons.
Ik ben Maria in mij.

Uit de Kraamkamer van de Geest November 7, 2009

Posted by ideeflux in : Kaïn en Abel , add a comment

Uit de Kraamkamer van de Geest

De Visserkoning is ziek. Er staat een zwaard in zijn hart geplant. Zijn hart is als steen en zuigt zich om het zwaard. Niets komt nog tot beweging. Degene die het zwaard eruit weet te trekken zal de nieuwe koning zijn. Zij die proberen het zwaard uit het hart te trekken gebruiken hun niet geringe spierkracht, maar dat werkt niet. Natuurlijk werkt dat niet, want dat is immers juist waar de koning zo ziek van geworden is, het gebruik van spierkracht heeft het hart tot steen gemaakt.
Er is iemand die het zwaard eruit kan trekken. Hij loopt al rond, maar niemand kent nog zijn naam. Het is het jongste in mij, degene die zijn hele leven alle wijze lessen heeft opgeslorpt die hij van gene zijde aangeboden gekregen heeft.

Uit dat wat de oorzaak van ziekte, pijn en strijd is, wordt haar genezing geboren. Zo is Jezus geboren, onbevlekt ontvangen in een donkere wereld. Geboren, niet uit vlees, maar ergens uit een holle ruimte van het hart, ergens uit de kraamkamer van de geest. Hij was een visser, hij viste naar de zielen van mensen. Hij viste naar zijn eigen ziel in die van andere mensen. Zonder die andere zielen was hij reddeloos verloren, zou zijn leven geen zin gehad hebben. Wij maken dat Zijn leven zin heeft door het onze zin te geven. Wij vissen naar zijn ziel. Hij klampt zich vast aan elke uitgeworpen lijn.
Wij bouwen ons een huis om het te verlaten, wij vinden een geliefde juist om naar haar op zoek te kunnen gaan.

Ik lag ziek te bed in mijn kasteel van illusies. Ik ijlde. Ik zweefde boven de aarde. Mijn bloedmooie dochters draafden af en aan alsof… alsof er iets geboren stond te worden. Ik was het bloed van Jezus, uitgestort in een gouden beker. Ik liet mijzelf zien aan iedereen die wilde, die nieuwsgierig was. Ze herkenden me niet, of ze vergaten de juiste vraag te stellen.
Nu weet ik ondertussen de juiste vraag wel omdat ik haar ergens gelezen heb en ik stel haar zonder haar wezenlijke betekenis te doorgronden, en zelfs dat maakt niet uit want het juiste antwoord komt toch altijd.
Wat dient de graal, wat dient het bloed van Jezus?
Dat kan enkel het jongste in mij zijn, datgene dat al die tijd de wijze lessen van de oude wijzen via osmotische druk door de huid naar binnen heeft laten sijpelen.

Eindelijk is het moment aangebroken waarop alle raderen die van te voren zo zorgvuldig op elkaar zijn afgestemd in elkaar grijpen. De tijd kromt haar rug en de hele machinerie van leven komt in beweging. Het jongste in mij grijpt het zwaard dat in Zijn hand licht als een strootje is. Hij lacht, hij is licht van gewicht, zwaardloos, baardloos. Hij trekt het zwaard dat ogenblikkelijk verandert in een levende slang, de staf van Mozes. De fontein van levenswater, van bloed wordt moeiteloos opgevangen in de gouden schaal die op datzelfde moment aan zijn reis begint naar het beloofde land. De jongeman wordt tot Koning gekroond. Hij zal zijn eigen bloed achterna reizen.
Later, als zijn hart versteend is, is uit diezelfde verstening alweer allang een nieuwe god geboren, een nieuwe gezegende. Wij verneigen ons voor dit raadsel.
Wij dienen de graal met ons eigen bloed.
Wij betalen met ons ziek zijn voor onze eigen gezondheid.
Wij zijn visser naar onze eigen ziel.

Het Allerkostbaarste in Mij November 4, 2009

Posted by ideeflux in : Kaïn en Abel , add a comment

Het Allerkostbaarste in Mij

Wat is er van Prins geworden, van Mozes? Zij hebben hun tenten opgetrokken aan de voet van de stad die zij belegeren. Wat zij begeren bevindt zich binnen de muren. Door de stad te belegeren maken zij haar ontoegankelijk voor zichzelf. Het beloofde land blijft ver weg, juist omdat ze het willen betreden. Eigenlijk leven ze al sinds mensenheugenis in het beloofde land maar ze zijn niet in staat om dat werkelijk te ervaren door de muren van verlangen die ze om zichzelf hebben opgetrokken. En nu wankelen hun eigen muren, zoals ze hoopten dat de muren van de stad die zij belegeren zouden wankelen.

Prins is op zoek naar de gouden hanger met het gouden hart. Het hart dat open zou zijn naar de hele wereld en tegelijkertijd de hele wereld in zich zou weerspiegelen. In de plaats daarvan heeft hij nu een elektronisch apparaat omgehangen gekregen. Het meet zijn hartslag. Het meet de mate van zijn begeerte, het meet de afstand die Prins heeft tot de vervulling van zijn verlangen.
Mozes wilde vrede. Hij kwam aanzeilen in een biezen mandje. Als in een droom, als in een sprookje. Hij werd als een geschenk ontvangen door degene die hij moest verlaten met medeneming van wat hij dacht dat het zijne was, als een koekoeksjong, als een Paard van Troje.
Wij hebben een adder aan onze borst gedrukt! Later sprong Mozes staf als een adder uit zijn hand. Als een vage herinnering daaraan. De wereld is een berg. Wij schreeuwen. De echo komt naar ons terug. Elke brief komt terug naar de afzender.
Dat wat zich uitverkoren waant, meent zich te moeten afzonderen. De exclusiviteit van het gesteente verdient een bijzondere plek. Daarom is er een slotgracht rond een kasteel, beschermt een draak de parel, staan er muren rond een hart.
Dit land waar wij klein gehouden worden, tot slaaf gemaakt zijn, kan onmogelijk ons land zijn. Het land waar wij open kunnen bloeien tot onze oorspronkelijke schoonheid moet ons beschutten, moet ons veilig maken. Er staan hoge muren rond dat land. Het zijn die muren die Mozes verhinderen dat land te betreden, en daarom is Zijn Volk, alhoewel aangekomen, nog altijd onderweg.
Wat van waarde is, deelt zich, laat zich openploegen, vruchtbaar maken. De parel is op het land, niet in de toren, in het lijf, niet in het hoofd.
Prins breekt zich het hoofd. Hij zoekt zich de muren rond zijn hart te breken, maar niet zijn hart. Hij zou zich uit willen laten stromen als een brede zachte rivier, het land willen bevloeien, zou tot bestaan willen durven komen door op te lossen. Zijn schil willen breken naar het leven. Trouw te zijn aan zijn hoge geboorte door de privileges ervan op te geven.

Ondertussen is er paniek in de onmetelijke paleizen van de zonnekoning. Vanaf deze plek is er geen schaduw zichtbaar. Wij zijn immers het licht.
Dan klinkt het bericht: onze slaven zijn gevlucht. Dat wat in onze schaduw leefde, dat wat voor ons onzichtbaar was en ons van daaruit moest dienen, gaat zijn eigen weg, slaat zich een weg door water [verwerft meesterschap over haar gevoelens] en verdwijnt, ons berooid en eenzaam achterlatend. Nu moeten wij voortaan weer onze eigen was doen, zijn we weer slaaf van onszelf. Het goud van wie we dachten te zijn werd door hen bijeengebracht en nu hebben zij ons verlaten en zij nemen ons goud met hen mee.
Zoo is het nu, in deze tijd. Wij leven in onze lege paleizen. Niets geeft ons leven zin dan dat wij anderen voor ons de was kunnen laten doen, de hete kastanjes uit het vuur kunnen laten halen. Zij leiden [en lijden] hun leven voor ons. Natuurlijk zijn zij het uitverkoren volk. Dat wat zich opricht en haar eigen weg gaat is door die handeling alleen al gezegend.
Wij zijn van het oude land, van het land van de zonnekoning, de farao. De tekens staan op de muren geschilderd. Nog steeds lijkt het of ze over de muren naar binnen willen klimmen, alsof dit het beloofde land is. Maar spoedig begint de uittocht. Dan staan wij plotseling met lege handen aan de buitenkant van onszelf. Wij waren het paleis, nu zijn we de vlakte, wij waren vervuld, nu zijn wij verlangen. Langzaam zal het leven weer bezit van ons nemen zoals de wilde roos haar rechten herneemt wanneer zij uitbreekt van onder het wezensvreemde, het gecultiveerde dat op haar geënt is.

Prins weet al dit, maar hij weet nog steeds niet hoe hij er chocolade van kan maken. Hij weet niet aan welke zijde zijn boterham gesmeerd is.
Wij moeten onze eigen weg gaan. Als er iemand uitverkoren was, dan was jij het, lezer. Jij moet je weg gaan, zoals ik op zoek ben naar de mijne.
Mijn weg is deze die zich naar de poorten van mijn eigen stad geleid heeft, alwaar ik mijn tenten heb opgeslagen. Ik wil met alle geweld de schat die zich binnen de muren bevindt. Ik ben zelf de schat die zich binnen mijn muren bevindt. Ik houd mij stil, bang dat de mokerslagen van mijn bevrijders juist dat wat het kostbaarste is in mij zullen vernietigen. Ik ben het kostbaarste in mij.
Ik weet niet anders dan me in de vorm van deze woorden door een bres in de muur naar buiten te wurmen en achter de rug van de belegeraars om een rondedans te doen, van vreugde, van goddeloze verlatenheid, van extatische vrijheid.

Marta October 31, 2009

Posted by ideeflux in : Kaïn en Abel , add a comment

Martha

Het is verrassend wanneer uiteindelijk de vrede komt, de gezalfde, de verlosser.
Staan we ons hele leven op de uitkijk dan gebeurt er niets, maar richten we ons leven zodanig in dat ons lichaam, ons huis, een waardig onderkomen voor Hem zal zijn dan is Hij onvermijdelijk en onmiddellijk aanwezig.
Maak het huis gereed en Zij zal komen. Het gereedmaken van het huis is hetzelfde als het welkom heten van Haar, hetzelfde als Hem in de mooiste kamer te slapen leggen.
Natuurlijk komen er dan vragen, in het holst van de nacht. We hebben nu zo’n Hoge gast, zal Hij wel willen blijven, wat geven we Hem bijvoorbeeld voor ontbijt? Een gebakken of een gekookt ei? Moet het dan ‘sunny side up’ zijn of doorgeprikt, hard of zacht gekookt? Als Hij van ons vraagt warm of koud te zijn, maar niet iets ertussen in, dan zal dat met Zijn Ontbijt ook wel zo zijn. We draaien ons om in bed, we woelen onszelf wakker en als we de volgende ochtend onuitgeslapen beneden komen, is Zij allang vertrokken.

Laat het kinderlijke in u tot mij komen, het niet-berekenende, het spontane, het goedgelovige, het naïeve, het onschuldige. Wees dat deel van u dat zich naar mij toewendt als naar een vuur. Laat mij de weerschijn van dat vuur op uw gezicht zijn,

Kom lieve mensen, kom. Kom naar het vuur, kom naar de warmte. Wees welkom, zoek jezelf een lekker plekje, schuif maar een beetje op, ja, er is heus plaats voor iedereen. Wat zal het zijn? Een lekker bakkie koffie, een kopje thee, chocolademelk misschien. Koekje erbij?
Och, het is zo heerlijk dicht bij het vuur te zijn. Buiten schijnt de zon verlokkelijk op allerhande mooi dingen, maar soms is het belangrijker je te concentreren, je van binnen te verzamelen, jezelf bijeen te brengen bij het innerlijke vuur.
Hier sta ik dan, met mijn schort voor, met mijn armen in de zij. Ik sta hier in levende lijve voor jullie, maar jullie hebben waarschijnlijk geen van allen het flauwste benul wie of wat dat ik zou kunnen zijn, want – dat weet ik wel – jullie zijn hier eigenlijk helemaal niet voor mij gekomen, jullie zijn, buiten de koffie dan, eigenlijk helemaal niet in mij geïnteresseerd. Jullie komen voor m’n zus, de schat, die lieve trut. Alles en iedereen die hier langs komt, komt enkel en alleen maar voor m’n zus, omdat zij zogenaamd de godganse dag niets beters te doen heeft dan bij Jezus te zijn, aan Zijn voeten te zitten.
Eerst wascht ze Zijn voeten, daarna wrijft ze ze droogh met heur lange roode haaren, om ze vervolgens met olie te zalven. Ik heb dit plaatje nu zo vaak gezien dat ik het kan dromen, dat ik het kan dromen en niet meer aan kan zien. Ik kan haar niet meer zien. Wij hebben zooveel gasten die voor Hem komen of voor Haar en wie zet de koffie? Wie bakt het brood, de visch, wie doet de afwas, veegt de vloer? Ik weet het, gij komt aldemaal helemaal niet voor mij en toch is het tijd dat ik eens een hartig woordje met u spreek. Gij komt voor mijn zus, die lapzwans , die luilak, die uitvreetster. En maar van Jezus dit en Jezus dat, zoete broodjes bakken, mooi weer spelen en wie houd de boel hier draaiende? Ik zei de gek.
U denkt dat ik jaloers ben? Misschien. Misschien is dat zo. Natuurlijk, ik wil ook hetzelfde als gij, ik wil ook van het geluk van de wereld proeven, van de vrede, in vrede zijn, rust, bij Hem zijn, zoals gij wilt gaan naar Maria Magdalena, gij wilt het zoete verhevene, het goddelijk en lieflijke samenzijn en ik… ik geef u enkel het gevoel dat ik u de weg blokkeer. Ga toch weg mens, dat is wat u denkt. En jazeker, u heeft gelijk, ik barricadeer u de weg met stoffer en blik, met bezem en vaatdoek met hart en ziel. Want zal ik u eens wat vertellen? Er is geen weg tot Haar dan langs mij, geen weg tot Hem dan door mijn nauwe straatje. Wie Magdalena wil bereiken zal eerst voorbij Martha moeten zien te komen. En ik laat u hier niet voorbij gaan zonder dat dat u uw deel doet, zonder dat u uw aandeel heeft gedaan in de hier voor de hand liggende huishoudelijke werkzaamheden. Begrijpt u mij, ben ik duidelijk?
Gij komt niet tot Hem dan door mij, niet tot de geest dan door het vlees, niet tot de honing dan door het bloed, niet tot de Lotus dan door het slijk, niet tot het hoogere dan door het dal van het diepste donker.

Uitgeput laat zij zich achterover op een stoel vallen, met haar roodgevlekte werksterhanden trekt zij haar schort en haar rokken omhoog om derzelven wat lucht te verschaffen. Wij zien een paar stevige harige benen met roode en paarse vlekken, eeltige voeten en hielen, gelige teennagels waarvan sommige gebroken zijn. Niets is daar gezalfd of geheiligd. Niets is daar voor ontvangst van Hem gereed gemaakt.
Dan staat zij weer op, met fonkelende ogen, lichtjes zwaaiend op haar benen alsof… alsof ze in trance is. Wie maakt hier het huis voort Hem klaar, wie dekt de tafel, zijn bed, wie kookt zijn eten? Wie maakt het dat dit een welkom huisch is, wie heeft de ramen gelapt, de vloer geschrobd, wie heeft zich het vel van de handen gewreven, van de knieën, van de ellebogen?
Maak uw huisch voor Hem gereed, jawel, op de knieën uws aanschijn zal gij zijn weg bereiden, totdat uw hart zingt bij elke daad, bij elke ademtocht, bij elk bord dat gij wascht en droogt en stapelt en wascht en droogt en stapelt. Stapel zijn geluk, zijn zegen in uw voorraadkasten, in uw bezemkast. Stapel uw plichten als uw zegeningen, zie dat elk gebaar van uw handen u dichter brengt naar Hem.

U denkt misschien nog steeds werkelijk dat we twee zijn, Magdalena en ik, dat we twee gezusters zijn, dat we twee onderscheiden personen zijn, omdat het zo geschreven staat. U denkt in uw verdwazing dat u de ene dient te vermijden om bij de andere te komen, maar wij zijn van tweeën één. Wij wonen immers in hetzelfde huis, zij en ik, wij zijn één en dezelfde persoon. Wij zijn twee handen op één en dezelfde buik. Waar ik mij afzwoeg, daar zingt mijn hart, waar ik de vloer schrob, zit ik aan de voeten van Jezus. Mijn schrobben is het waschen van Zijn voeten, het schrobben van Zijn voorhuid. Het maken van Zijn bed is als het Slaapen met Hem.
Draag uw ziel in zaligheid, breng uw hart waar uw handen zijn en uw handen waar uw hart is. Doe uw werk zingende, open de ramen, lucht uw huis, serveer hem bij het ontbijt wat u het liefste eet, wat u het beste voedt. Zalf uw voeten, knip uw nagels. Wees een welkome woning voor hem, want U bent Zijn huis, zijn schuilhoek, zijn vluchtplaats. U bent de Tempel des Heeren.

Emmaus April 5, 2009

Posted by ideeflux in : Kaïn en Abel, +++ , 1 comment so far

Emmaus

Ik vroeg of ik tot de stroom toegelaten mocht worden en mijn vraag was het antwoord. Mijn houding van vragen was het antwoord. Ik vraag het weerom. Ik vraag het nog een keer. Mag ik naar binnen gaan, mag het bij mij naar binnen komen, door mij stromen.

Ik heb zoveel te vertellen maar niets dient zich aan. Het gaat over geven en ontvangen. Als je niets ontvangt heb je niets te geven. Als je niets geeft kan je niets ontvangen. Geven en ontvangen zijn in diepste zin hetzelfde, maar dat wist u al. Het doorstroomt mij of het doorstroomt mij niet. Ik ben dat waardoorheen het leven stroomt.
Het leven is wat de stroom genoemd wordt, de Stroom, de Grote Stroom.

Wij zaten aan een tafeltje, George en ik. Als een soort van geliefden – niet in den vleze, maar in de geest. In de geest pootjebaden we altijd aan de oever van de grote rivier, terwijl we onze wederwaardigheden vertellen vragen we eigenlijk aan de grote rivier om dat wat niet stroomt, dat wat ons lijkt te blokkeren, met zich mee te nemen en af te voeren.
Ik had juist verteld over de tekeningetjes die ik maak. Ik teken details van het huis dat ik aan het verbouwen ben. Eerder sprookjesboek illustraties dan architectonische perspectieven, maar ze werken. Als ik ze laat zien glimlachen de timmermannen met een blik van herkenning. Er is een hele goeie atmosfeer. Het wordt erg mooi.
George lacht een beetje geheimzinnig. Hij wil iets zeggen maar voelt zich lichtelijk gegeneerd. Dan zegt hij het toch.
Weet je, zegt hij, als je met bijvoorbeeld die timmerlieden praat dan zou je meer vanuit God kunnen spreken, vanuit de Heilige Geest.
Ik ben verbaasd maar bied geen weerstand.

Ik laat mij open vallen en dat naar binnen stromen wat hij – Hij – me aanbiedt. Het is veel en goed. Het stopt niet. We zitten zwijgend. Ik zit met gebogen hoofd. Het blijft maar stromen.
Waar twee of meer mensen in mijn naam bij elkaar komen…
Wij zijn Emmausgangers.
Wij bestellen drie bier.
Eentje is voor Hem.

Als we later naar de tram lopen is het of alles klopt. Alsof alles onweerlegbaar zijn juiste plaats gevonden heeft. Alsof alles waarvan we dachten dat het de stroom blokkeert, alles dat we liever anders zouden zien, op een vreemde manier juist door dwars te liggen meebouwt aan het welslagen van het geheel, aan het juiste plaats vinden, aan het vormen van welbehagen.

Paradox van Heelheid February 24, 2008

Posted by ideeflux in : Kaïn en Abel, ++ , 1 comment so far

Paradox van Heelheid

Ik heb het misselijkmakende gevoel deel te zijn van iets dat door zichzelf te zijn, zichzelf ombrengt, alsof er in mij een ingebouwd mechanisme is dat naar vernietiging reikt. Een onontkoombaarheid. Alsof de vrede die ik ooit zou kunnen vinden gebaseerd is op het omarmen van die waarheid. Dat dat wat zich man noemt in mij opgefrommeld ligt tegen de rug van een sterke vrouw. Dat mijn man niet sterk mag zijn van de bazige vrouw. Er is een kamerbreed gevoel van impotentie in mijn schaamstreek, een weids gevoel van niet bestaan, van gebrek aan bestaans grond. Van bestaansgrond die zichzelf afhankelijk gemaakt heeft van een kracht die die bestaansgrond enkel erkent als ze van zins is zichzelf te ontkennen. Op dit moment lijkt er geen uitweg te zijn. Het terugtrekken natuurlijk, het uit contact gaan als weinig vreugdevolle laatste vluchtheuvel van mannelijke manifestatie, of de boosheid, de frustratie vormgegeven in een opgekropte hoeveelheid samengebalde woede. Deze twee oude vrienden en dan ik, ouder en wijzer en machtelozer die dit heel precies op kan schrijven.
Ik heb het aan haar uitgeleend. Mijn mannelijkheid, ik heb, om mijn bestaansrecht te verdienen mijn geslachtsdelen afgesneden en ze haar op een presenteerblaadje aangeboden. Dat is wat ze wilde, zo kon ik haar liefde krijgen en dus heb ik het zo gedaan. Ik had geen keus. Ik was klein en zwak en zij was almachtig. Zij beschikte over alles wat voor mij van levensbelang was. Zij bezette met haar soldaten alle uitwegen naar het leven, het paspoort naar dat leven was het inleveren van mijn eigenheid. Mijzelf, mijn leven, mijn sexualiteit, mijn manzijn ontkennen om door de poort van het leven te mogen gaan. Mijn geslachtsdelen als onderpand afgeven. (more…)

Kaïn April 10, 2007

Posted by ideeflux in : Buikspreker, Kaïn en Abel, +++ , add a comment

Gras

Kijk, het is allemaal zo mooi gemaakt.
Je hoeft enkel maar om je heen te kijken, alles heeft zijn plaats. God heeft alles een plaats gegeven. De hemel boven, de aarde beneden.
De muren staan recht overeind om het dak omhoog te houden.
Wat zou er gebeuren als de muren niet zouden doen waarvoor ze gemaakt zijn?
Precies.
Alles heeft zijn plaats en alles heeft zijn functie. Kan het nog eenvoudiger?

Nou voor mensen geldt dus precies hetzelfde. Ze moeten hun plaats innemen en hun functie vervullen.
Ik kan me daar zo kwaad over maken.
Afspraak is afspraak, voor mij is dat heel simpel.
Je maakt een afpraak, je zegt ergens ja tegen en dan doe je het ook.
Ja is ja, en nee is nee.
Kan het nog simpeler zijn?
Nou voor sommige mensen is dat blijkbaar helemaal niet simpel. Voor hen zou ja ook wel een beetje ja kunnen zijn of misschien zelfs nee.
Sommigen zeggen weliswaar nee, maar als je doorvraagt bedoelen ze toch weer ja. Daar kan ik zo giftig over worden. Draaikonten noem ik dat.
Neem nou mijn broer.
Een beste kerel, dat hoor je te zeggen van je broer en dat zeg ik ook. Een beste kerel, dat is het, nooit een vlieg kwaad gedaan.
En weet u waarom niet?
Omdat ie daar te beroerd voor is, te lamlendig. Te beroerd om een poot uit steken. Het is zonde dat ik het zeg van mijn eigen broer, mijn eigen vlees en bloed. Maar hij is nog te lui om een vlieg kwaad te doen.
Sommigen zeggen dat hij er te lief voor is.
Te lief om een vlieg kwaad te doen. (more…)

Ik ben een gesluierde Vrouw. March 26, 2007

Posted by ideeflux in : Buikspreker, Kaïn en Abel, +++ , add a comment

Sluier

Onder mijn jurk bloeit mijn ongeziene lichaam. Het bloeit omdat het zich zonder schaamte mag ontvouwen in het ongeziene. Alles van mijn lichaam, alle uiteinden ervan, alles gloeit van leven, van uitreiken.
Ik ben als de glans van de penis van een man die niet besneden is. Ik heb dat vaak gedacht. Dat wij in het verborgene leven omdat onze mannen besneden zijn, zo blootgesteld, op zo’n ruwe manier aan het daglicht gebracht, ontveld. Ter compensatie daarvan zijn wij de hoedsters van tederheid.
Ik ben toegewijd. Toegewijd aan de man die ik nog niet ontmoet heb. Misschien bestaat hij niet. Ik zal zijn bedekking zijn. Beschutting voor zijn naakte hemel, zijn naakte hoofd.
Ik bewaar mij, in het ongeziene. Als een kasplant. Niet dat ik zwak ben, dat zou een verkeerde conclusie zijn. Ik heb de kas van mijn jas niet nodig omdat ik kwetsbaar ben, maar omdat ik tederheid wil bewaren. Geheim, ongezienheid, onbenoembaarheid. Ik ken mijzelf niet dan door dat wat ik voel als ik in mijzelf afdaal en van daar, vanuit de diepte weer naar de oppervlakte van mijn huid ga, als een diepzeeduiker. Ik ben een parelduiker in het ongeziene. Daar zijn geen woorden voor. Dat is… zoet als honing. (more…)

Eva March 13, 2007

Posted by ideeflux in : Buikspreker, Kaïn en Abel, ++ , add a comment

Eva

Kaïn, u kunt zich dat misschien wel voorstellen, was een hele zware bevalling. Hij was hoekig en groot. Nors bijna. Je zou kunnen zeggen dat Kaïn met geweld ter wereld kwam.
Met Abel was het heel anders. Hij was natuurlijk de tweede, dat is waar, maar dat was niet de enige reden. Het was of Abel zich meer voegde naar mijn lichaam, niet er tegen in ging maar meebewoog. Alsof we de hele tijd in contact bleven terwijl hij werd geboren. Hij bewoog, ik bewoog. We bewogen samen. De geboorte van Abel, zo voelde ik het tenminste, was een daad van liefde.
En dat bleef ook zo na zijn geboorte. Hij was zo lief, zo dichtbij. Hij voelde als een geschenk, een zegen. En iedereen had dat. Vanaf het moment dat hij werd geboren was iedereen dol op Abel.

Wij vrouwen zijn zo verbonden met het leven, met de aarde. Dat klinkt als een cliché, maar het is de waarheid. Alles wat u op de aarde ziet rondlopen is door onze moederschoot naar buitengekomen. Alles wat buiten ons is, kunnen we ook in ons voelen. (more…)