Elke Ziel een Zingen

Elke Ziel een Zingen

Ik kan horen dat het asfalt nat is. Het asfalt zelf zwijgt natuurlijk, maar in combinatie met de banden van de auto’s die eroverheen rijden zingt het, er klinkt een soort woesj geluid.

Als je goed luistert naar de manier waarop de antwoorden die je krijgt rondzingen in jezelf begrijp je wie er in jou aan het woord is.
Soms in een gesprek zie je iemands gezicht oplichten, je ziet een schittering in het oog van degene tegenover je. Dat is het waar je naar op zoek bent in de ander.
Precies zo zoeken we ons eigen fonkelend oog, het zingen van ons hart in de conversatie met onszelf.

Op het bouwterrein vinden de voorbereidingen plaats. Het terrein wordt schoon geschraapt door een aandoenlijk klein en ouderwets uitziend graafmachientje. Het doet vreselijk zijn best om de weg te effenen voor zijn grote broer, die het vlakgemaakte terrein bedekt met een vloer van stoere houten delen. De stalen platen van de damwand die hij later de grond in zal trillen, liggen al op een stapel te wachten.
Dit zijn de eerste stappen van een bouwproces dat naar verwachting anderhalf jaar gaat duren. Het gaat zo gecoördineerd, geduldig, zo toegewijd. Er is geen haast, er is goede samenwerking en onderling vertrouwen.
Wij bouwen. Wij hebben een idee en nu gaan we dat realiseren. We doen alles wat noodzakelijk is om het tot uitvoer te brengen, en elke stap in dat lange proces is even belangrijk en krijgt even veel aandacht.

Wij kijken van binnen naar buiten en dan weer naar binnen.
Nu zijn we dus weer terug bij de Ziel. Zij vond het heerlijk om dit te zien. Zo is het, zegt zij, zingt zij, stap voor stap. Elke stap met evenveel liefde. Elke stap onmisbaar. Elke persoon voor elke stap even onmisbaar, dierbaar. Elke stap een zingen, elke ziel een zingen.

Schil van Zijn

Schil van Zijn

Gewoon hier, vanaf hier. Het scheppen van zand met grote machines, het heen en weer rijden. Het zweet des aanschijns, het grondwerk, het grondverzet. Grote zware dingen verschuiven, de aarde openkrabben, de stevigte van de aarde testen. Er thuis komen door haar te ondervragen. Waar was je al die tijd?
De vreugde van het hervinden van wat al die tijd voor het op rapen lag en toch op een vreemde manier voor ons verborgen bleef. Weer terug met klei spelen. Vormen maken, de gedachten vorm laten krijgen.

Ik heb hem ontmoet. Het was erg goed, opzienbarend goed. Hij moet er al die tijd geweest zijn, maar omdat ik geen ogen had om hem te zien, was hij onzichtbaar, onvoelbaar.
In de hoek van de kamer, vlak achter je, naast je, staat een engel. Zij kijkt met liefdevolle blik op je neer terwijl je naar het scherm van je computer tuurt.
Open je back space now, je ruggeruimte. Open de schil van je lichaam, laat je van achteren vol lopen met… aanwezigheid, liefde, aandacht, ruimte. Laat Hem daar zijn. Overweeg zijn mogelijke bestaan. Parkeer het verstand in één voor de daartoe bestemde vakken.
Wij zijn niet meer dan de weerstand tot wie we zullen worden, de weerstand tot het ontworden van die weerstand. Wij groeien noodzakelijkerwijs als belemmering tussen onszelf en het veel grotere en op een raadselachtige manier wordt die weerstand onze woning, omdat er een schil nodig is om het oneindige te kunnen bevatten.
Wij zijn die schil.

Aan de voorkant heeft het alle schijn van realitiet. De wereld is daar en wij zijn daar, ons lichaam en gezicht vormen de spiegel van die wereld en alles ziet er bedriegelijk echt en afgebakend uit. Maar ga je naar de achterkant, dan is daar niets, of beter gezegd: daar ligt alles grenzeloos open als een vers geploegde akker onder een sterrenhemel, als een meer onder maanlicht, open in doorvoelende ontvankelijkheid, alles verbonden met alles.
Dat is de plek waar hij woont, waar hij vandaan komt.

Dit lied is nog lang niet afgezongen. Dit zijn slechts wat eerste wankele noten van een oneindige melodie, enkel een begin van doorzingen, van doorzongen worden.
De rietfluit is hol, als wij net zo hol zijn blaast zijn adem het lied dat gezongen wil worden in ons aan.

Wie Weet?

Wie Weet?

Wie weet welke woorden waarheid willen? Waarom wijze woorden waarachtig wijzen?
Ik zocht mijzelf te bevrijden uit een web van woorden. Ik riep andere woorden te hulp, zoals heggenschaar, bijtel, cirkelzaag. Maar u weet hoe woorden zijn, ze laten niet af, ze zijn af en aan. Zelfs onder de woorden lijken zich woorden te bevinden.

Ik ben er pas sinds kort achter dat ik alles doe vanuit angst, misschien niet direct vanuit angst, maar wel met angst als basis. Ik doe alles met een basisgevoel van angst, van zenuwachtigheid, nervositeit, onbehagen, faalachtige gespannenheid, onzekerheid, onveiligheid. Vanaf zo lang als ik mij kan herinneren is dat gevoel mijn metgezel. En juist omdat het er altijd was heeft het zolang geduurd voor ik er achter kwam dat het er was. En nu wil ik het niet meer.

Ha, ha! Ogenblikkelijk klinkt er hol gelach.
Dat wat je niet wilt groeit door de aandacht die je het geeft.
Ik voel het in mijn buik. Zij zwelt op.
Een nerveus paard in een te kleine weide.
Ik ben niet dat paard. Ik ben die weide.
Ik maak mijzelf weider, wijder, tot over de horizon zo wijd.
Het paard freakt out, galoppeert, steigert, slaat met de achterbenen, net zoals Pico destijds op de binnenplaats van de manege, centre court van mijn angst.
Nu vermoeit en vermijt het zich in eindeloze draverijen, het afrollen van zand- en grashellingen, het slobberen van helder water. Zie het oog diep begroeid met mossen de hemel weerspiegelen. Grazen met de bek, het gras kort boven de grond afscheuren. Uit enkel gras en water zo’n fantastisch paardelijf opbouwen. Dat kan alleen een paard.

Ik ben zelf ondertussen geluidloos vertrokken. Tot voorbij de horizon. Het paard is niet meer dan een teken van leven, van levenslust in een eindeloze ruimte.
Dat is meer dan genoeg ik en zelf voor mij.
Wij laten het zo, wij zagen dat het goed was.
Wij verlieten onszelf omdat het er te benauwd was, te klein, te bedompt, te afgesloten.
Wij vonden onszelf aan de andere kant, weidser, groter, nauwelijks hoorbaar ademend. Het paard van aanwezigheid, van alertheid, snuift de precieze schoonheid van alles te voorschijn.
Wij begrijpen eerlijk gezegd niets van wat wij, het paard en ik, geschreven hebben, en toch voelen wij ons beter. Juist daardoor voelen wij ons oneindig veel beter.