Vogelenzang

Vogelenzang

Ik had het me niet gerealiseerd toen ik door de deur stapte, maar… elke uitgang is een ingang. Op het zelfde moment dat je ergens weg gaat, kom je ergens anders aan. Tezelfdertijd. Zo vol is de wereld, er is geen plaats voor niets of nergens.
Ik hoef niet succesvol te zijn, ik herhaal het nog maar eens voor mezelf. Het duurt even maar dan is daar weer dezelfde ontroering als gisteren, dezelfde herkenning, de lichamelijke gewaarwording van waarheid, volheid. Geen lapje meer voor het bloeden, maar het bloeden zelf. Niets meer ophouden, niets meer te verwezenlijken dan hier, aan zelf genoeg zijn. Thuiskomen, thuis blijven. Deur door deur door deur. Door de draaideur bij mezelf uitkomen. Ten lange leste. Eindelijk.
Zo graaf ik mij manmoedig het geboortekanaal naar degeen die ik al die tijd al was en hoopte te worden. Ik graaf mijzelf een weg door mijn slokdarm omhoog, van binnenuit stoot ik de deur open en het zijn deze woorden die als eerste naar buiten komen vallen, als iets volkomen onbegrijpelijks, als iets totaal overbodigs, als een lied.

Exit

Exit

Even kijken of dat wat ik denk en voel uit wil vloeien in woorden. Niet wegvloeien, maar zich verstevigend bestendigen, zich verankeren zonder kleiner te worden. Ik mag van geluk spreken dat ik deze keer wel luisterde naar de kleine stem: ‘je hoeft niet succesvol te zijn.’
Ik hing als een bokser in de touwen, als een vaatdoek op de rand van de emmer van mijn bestaan. Ik was zo moe. Ik voelde hoe de vermoeidheid uit mij wegdrupte terwijl tegelijkertijd de vermoeidheid weer werd aangevuld, een beetje zoals je meent te kunnen waarnemen hoe opgehoopt lichaamsvocht toestroomt naar de zich ledigende overvolle blaas.
Ook niet in dit, dit neerschrijvende. Ook niet succesvol in het zoeken naar mogelijkheden, in het realiseren van vrijheid, uitbundig leven, begrijpen, doorvoelen. In het leggen van contacten, in het vinden van de uitgang. In het niet-vinden van de uitgang.

Aan de Waterkant

Aan de Waterkant

Alles in mij was omlaag gezakt en vormde een bemost landschap onder een hemel van kristalhelder water.
Het water was woordloos en de woorden zelf lagen verborgen onder dikke lagen begroeisel. Het was zo vredig, en misschien wel juist daardoor werd ik toch een tikkeltje onrustig en dus daalde ik weer af en vloog laag over, op zoek naar iets dat een antwoord zou kunnen zijn op de vraag die niet eens gesteld was. Het zonlicht scheen steeds wisselend op deze of gene steen als om aan te geven waar ik wezen moest, maar ik aarzelde, want het keren van wat dan ook zou enkel het water vertroebelen, meer vragen oproepen dan beantwoorden.

Wij zijn allemaal uit dezelfde twee raadsels opgebouwd en maar uit één enkele gehouwen: vader, moeder. Al het gemis, alle gaven, alles wat ons onthouden werd, al het gelach, alle zoete geuren, alle hoopvolle verwachtingen vormen samen de muren van de tuin van onze jeugd. Als dat fragiele bouwwerk instort is het lange tijd onrustig. Het huilen van het kind wordt de leidraad van ons handelen. Maar: alles kan fundament voor vrijheid zijn.
Het nerveuze willen weten is de meest geslepen poging om het vinden van antwoorden te vermijden.