De Grote Appel

Verlichting

Wat zal het zijn? Ik scan de horizon, binnen en buiten, het lijf, de wereld, het zijnswezen. Dit is het wat er is. Het is geruststellend veel en weinig. De ademhaling in deze. De ademhaling waarenzonder niets is. Niets in deze Wereld is ooit aanschouwd zonder deze ademhaling. Deze fluistering, deze influistering. Door deze ademhaling, deze trage golfslag, dit bewegen van lucht wordt de wereld beademd, aangezogen, gezongen. Het grote hemellichaam dat allen beademt, de kleine containers van lucht die wij bij ons dragen en door haar worden volgepompt, leeggepompt en weer vol. De grote moeder die ons steeds van lucht voorziet.
Ik sta er bij, ik ben er bij. Ik aanschouw. Ik doe. Ik doe mijzelf, ik doe de wereld. De wereld doet mij. Wij doen elkaar. Graag en minder graag. Altijd in zekere mate graag.
Wij beademen elkaar. In, uit.
En nu wat? Gewoon maar eens kijken hoe ik door de dag beweeg. Hoe de dag zich om mij heen beweegt, zich om mij heen plooit. Zich om mij heen wentelt en draait. Wat voor bekende of onbekende tunnel ik in het totaal van zijn uit zal graven. Ik ben een worm in een reusachtige appel. Ik kan alle kanten uit, maar ja, ik heb mijn gewoontes, mijn voornemens en de grote appel heeft zijn nukken.
Wat is nu eens aardig om te doen? Wie zal ik voor de aardigheid vandaag eens zijn?

Ik – als altijd – met mezelf

Ik met mezelf

Ik werd wakker in een vreemd land, in een vreemd lijf. De maan keek laag en strak mijn kamer binnen als een witte oogappel in een donker oog. Ik trachtte mezelf te vinden op de plaats waar ik me de vorige dag had achtergelaten, maar mijn levenslust – lees mijn geilheid – lag buiten handbereik. Ik bevond me op een andere plaats in mezelf, maar daar waren de deuren nog niet open, daar had ik mijzelf zogezegd nog niet ontsloten.
De weg vinden in een landschap zonder polariteit, zonder zuigende trekkracht, zonder richtinggevend verlangen.
Nog vrijer worden.
Ik probeerde terug te grijpen, maar niets hielp. Ik moest en zou met onzekere pas vooruit blijven gaan, buiten de begaande paden treden. Ik kijk op om dan tenminste ergens vandaan een vorm van leiding te vinden en gaap weerom recht in het gezicht van maan. In haar aangezicht, haar weerkaatsgezicht, haar blinde allesziende maangezicht. Zonder aanziens des persoons. Niet persoonlijk is zij en toch, of juist daarom, ook mij persoonlijk volledig omvattend. Zij straalt in mijn hart, in mijn wezen, mijn zijn. Zij straalt bij mij naar binnen, waar een ruimte zichtbaar wordt, zacht glooiend bebost, open. Het landschap van mijn jeugd, de eeuwige jachtvelden – ik heb er paardgereden.
Er zijn zoveel plekken geweest waar ik met mezelf alleen liep, steeds weer alleen liep. Niet teloor, maar verloren gevonden, mezelf gevonden in teloor lopen. Mezelf in die alleenzaamheid teruggevonden, mijzelf herkenend in die boom, dat stadsdeel, die brug. Dezelfde passen in dezelfde schoorvoetende nieuwsgierigheid. Voortgedreven door enkel de gewoonte om een volgende stap te zetten.
Ik zie mezelf daar lopen en kom mezelf daar tegen. Steeds weer. Gisterenavond nog, terwijl de anderen praatten over god-weet-ik-wat. Ik nam mezelf naar buiten of mijn voeten, mijn benen deden dat. Ik probeerde eerst nog even met de kinderen te spelen, maar zij hadden meer dan genoeg aan zichzelf. Toen liep ik om het huis heen en daar vond ik me. Zittend in een stoel, luisterend naar het vallen van de avond, de merels, het bronstig hert.
Ik kan mijzelf niet scherper definiëren dan de vager wordende schaduwen aan het eind van een warme dag. De wereld die de tijd nog even rekt met geluiden. Dan de nacht. Nu het doodshoofd van de maan.

De Elegante Omweg

de Elegante Omweg

Wat mag het zijn, hoe kan ik u dienen? Wat pel ik nu weer uit mijn onpeilbare diepten tevoorschijn. Wat pelt u nu weer uit mijn pels. Mag ik uw pelsdier zijn? Laat mij u verrassen, laat ik mij verrassen.

Er is iets hards en genadeloos in dit zijn, dit onze zijnswijze. Er zijn ingebakken moeilijkheden, wreedheden die – uit hun aard – deel lijken uit te maken van ons leven. Ze lijken er niet alleen deel van uit maken, maar er juist een essentieel onderdeel van te vormen, een bouwsteen, een hoeksteen, een hoekige bouwsteen.
Dat wat oud is verzet zich tegen het nieuwe, als in een automatische reflex. Als een chagrijnige oude heer die op het trottoir staat en er blind op los slaat met zijn wandelstok, geïrriteerd door alles wat jong en bewegelijk is.
Het oude zal zolang haar krachten het toelaten het nieuwe verhinderen om tot ontplooiing te komen. Daaraan ontleent het oude zijn bestaansrecht en daarmee bewijst het oude het leven een pijnlijke maar noodzakelijke dienst.
De vaginawand is spermavijandig. Alleen dat wat voldoende kracht heeft mag geboren worden. Alleen dat wat kracht van leven heeft zal het daglicht zien, en dat geldt voor alles wat tot stand gebracht wordt. Elk steen die je op de andere wilt plaatsen, elk woord dat zich aan de zwaartekracht van het zijn wenst te ontworstelen.
Dat is waarom elke nacht de kleine dood [godzijdank] van ons wint en ons naar het horizontale brengt, het laagbewuste, het onbewuste, het bovenbewuste, het veel grotere, het ruimere. De zwaartekracht als creator van wat zich aan de zwaartekracht weet te ontworstelen. De andere lichtere wereld als vrucht van de zwaarte van deze.
De winter die tracht de lente te voorkomen – onzin natuurlijk – en haar juist daardoor zo stralend zo… veelbelovend en aantrekkelijk maakt.
De tegenkrachten die constant op ons werkzaam zijn, zijn onze vrienden, ze stroomlijnen ons, beeldhouwen ons tot de weg van de minste weerstand. Tot de vorm van onze essentie. Niets zonder bestaansrecht blijft in ons bestaan. Alles van teveel wordt van ons afgenomen.
Wij staan als rotsen in de tegenstroom en worden door haar geslepen, omvergeduwd, verplaatst, omgelegd. De ploegschaar waaraan de aarde haar voren trekt, dat zijn wij.

Ik wil zo graag in de stroom stappen en mezelf optillen naar het zonlicht. Kleine regenbogen zien door de druppels die in mijn haren hangen. Ik wil mijzelf verbazen vol vuur en licht en in plaats daarvan zijn mijn woorden vaak gevuld met zwaartekracht en bewijslast.
Wil ik naar rechts, dan stuur ik daarom altijd eerst even naar links.
In plaats van recht op mijn doel af te gaan, zoek ik altijd naar een elegante omweg.