Kom November 28, 2009
Posted by ideeflux in : Het Hart Helen , add a comment
Ik ben zowel in als buiten mijzelf aanwezig.
Alles vindt niet alleen zijn einde maar ook zijn oorsprong in deze die ik klaarblijkelijk ben. Het is… alomvattend. In Mij lost alles zich op. Mijn innerlijke ruimte is zo groot als de wereld. Vrede zij met U.
Alles keert zich om. Het hart dat eerst een bron van onrust leek wordt een oceaan van stilte, een paleis van vrede. Elke vreemdeling is er welkom, de paleisdeuren staan altijd open. Elke morgen schrob ik de stoepen. Wie woont er in dit mooie paleis, wordt er aan mij gevraagd. Ik weet het antwoord niet, maar in mijn grenzeloze onnozelheid probeer ik er natuurlijk wel iets over te zeggen. Het moet de schittering van schoonheid zijn die ik door mijn jarenlange schrobben naar binnen gelokt heb. Of misschien is het juist andersom. De schoonheid die hier woont heeft mij tot schrobben aangezet. Dan begin ik te stamelen en uiteindelijk spreek ik waarheid. Ik… ik weet het niet, ik ben enkel de toegewijde dienaar van degene die hier woont.
Open het zeil voor de wind.
Laat je blazen. Gooi de gebroken kom niet weg. Behandel haar met tederheid en je kan nog jaren plezier aan haar schoonheid beleven. De barst die je ziet is de plek waar het licht door naar buiten zal stromen.
Kom Terug November 28, 2009
Posted by ideeflux in : Kaïn en Abel , add a comment
Ik zet mijn eerste stappen in het versbesneeuwde wit van deze ochtend.
Dat beeld verdwijnt gestaag als ik verder wandel, want als ik straks al mijn voetstappen met één oogopslag kan overzien lijkt er van dat wit maar weinig meer over te zijn.
Alles wat gezegd is, al onze gebaren blijven bestaan. De ziel van ons hart, zij/hij die onze zuivere leidraad is, raakt ermee bespikkeld, besmeurd. Wij proberen hier en daar een vlekje weg te poetsen, maar het lijkt wel of we ons wezen nooit meer helemaal schoon kunnen krijgen. Het verdriet daarover verleidt ons vaak tot drieste daden. Het opsteken van toch maar weer een sigaret bijvoorbeeld. Uit onvrede met onze schijnbare beperktheid herbevestigen we doelbewust het bezoedelde in ons, om daarmee het door ons ingebeelde noodlot definitief over ons af te roepen, alsof we de herinnering aan het verloren gewaande licht met wortel en al uit willen rukken, uit willen drukken als diezelfde sigaret, zodat het ons niet meer kan pijnigen met haar zoete herinnering.
Spreek nu vanuit dat wat al die tijd schoon is gebleven. Luister van daar uit. Het kan pijnlijk zijn om te erkennen dat hij/zij er nog steeds is. Ongeschonden, gaaf, veelbelovend, heel, wonderbaarlijk oprecht, zuiver, mededogend. Als je je met die plek in jezelf durft te verbinden kan het niet anders zijn, dan dat je je oorspronkelijke schoonheid terug zult vinden. Zij is nog altijd daar, als het wit onder de woorden, de roos onder de sneeuw, de sneeuw van het wit van de morgen.
Verheug je daarover. Verblijf daarin. Vereenzelvig je daarmee. Leef vandaaruit. Vanuit die plek doorschenen verliest dat waarmee wij ons eens bespikkelden, besmeurden, dat waar wij ons verzwelgend in onderdompelden, alle kracht.
Maria is een verbeelding van onze innerlijke zuiverheid.
Nog nooit is er iemand geweest die zich tevergeefs beriep op haar goedertierendheid.
Bid tot Maria, Heilige Maagd Maria bid voor ons.
Maria die in ons is, bidt altijd voor ons.
Ik Bid voor Maria in ons.
Ik ben Maria in mij.
Het Graven Zelf is de Schat November 19, 2009
Posted by ideeflux in : Gedichten , add a comment
Ik weet dat hier iets kostbaars in de aarde ligt
in mijn hart
in mijn manier van doen
in mijn hier aanwezig zijn
in mijn manna-creëerende aanwezigheid
ik heb zolang door de woestijn getrokken
mijn volk mort
mijn maag knort
ik heb mijzelf zolang aan het lijntje gehouden
met boodschappen als
we zijn er bijna en
de reis is het doel
ik zet geen stap meer
want als het ergens is
dan is het hier
als het ooit is
dan is het nu
ik blijf hier
tot dit zand vruchtbaar land
tot deze onbeschreven witte woestenij
een weelderige tuin
tot ik wortel schiet en openbloei
in kleur en betekenis
totdat ik ben
wat ik ben
Uit de Kraamkamer van de Geest November 7, 2009
Posted by ideeflux in : Kaïn en Abel , add a comment
De Visserkoning is ziek. Er staat een zwaard in zijn hart geplant. Zijn hart is als steen en zuigt zich om het zwaard. Niets komt nog tot beweging. Degene die het zwaard eruit weet te trekken zal de nieuwe koning zijn. Zij die proberen het zwaard uit het hart te trekken gebruiken hun niet geringe spierkracht, maar dat werkt niet. Natuurlijk werkt dat niet, want dat is immers juist waar de koning zo ziek van geworden is, het gebruik van spierkracht heeft het hart tot steen gemaakt.
Er is iemand die het zwaard eruit kan trekken. Hij loopt al rond, maar niemand kent nog zijn naam. Het is het jongste in mij, degene die zijn hele leven alle wijze lessen heeft opgeslorpt die hij van gene zijde aangeboden gekregen heeft.
Uit dat wat de oorzaak van ziekte, pijn en strijd is, wordt haar genezing geboren. Zo is Jezus geboren, onbevlekt ontvangen in een donkere wereld. Geboren, niet uit vlees, maar ergens uit een holle ruimte van het hart, ergens uit de kraamkamer van de geest. Hij was een visser, hij viste naar de zielen van mensen. Hij viste naar zijn eigen ziel in die van andere mensen. Zonder die andere zielen was hij reddeloos verloren, zou zijn leven geen zin gehad hebben. Wij maken dat Zijn leven zin heeft door het onze zin te geven. Wij vissen naar zijn ziel. Hij klampt zich vast aan elke uitgeworpen lijn.
Wij bouwen ons een huis om het te verlaten, wij vinden een geliefde juist om naar haar op zoek te kunnen gaan.
Ik lag ziek te bed in mijn kasteel van illusies. Ik ijlde. Ik zweefde boven de aarde. Mijn bloedmooie dochters draafden af en aan alsof… alsof er iets geboren stond te worden. Ik was het bloed van Jezus, uitgestort in een gouden beker. Ik liet mijzelf zien aan iedereen die wilde, die nieuwsgierig was. Ze herkenden me niet, of ze vergaten de juiste vraag te stellen.
Nu weet ik ondertussen de juiste vraag wel omdat ik haar ergens gelezen heb en ik stel haar zonder haar wezenlijke betekenis te doorgronden, en zelfs dat maakt niet uit want het juiste antwoord komt toch altijd.
Wat dient de graal, wat dient het bloed van Jezus?
Dat kan enkel het jongste in mij zijn, datgene dat al die tijd de wijze lessen van de oude wijzen via osmotische druk door de huid naar binnen heeft laten sijpelen.
Eindelijk is het moment aangebroken waarop alle raderen die van te voren zo zorgvuldig op elkaar zijn afgestemd in elkaar grijpen. De tijd kromt haar rug en de hele machinerie van leven komt in beweging. Het jongste in mij grijpt het zwaard dat in Zijn hand licht als een strootje is. Hij lacht, hij is licht van gewicht, zwaardloos, baardloos. Hij trekt het zwaard dat ogenblikkelijk verandert in een levende slang, de staf van Mozes. De fontein van levenswater, van bloed wordt moeiteloos opgevangen in de gouden schaal die op datzelfde moment aan zijn reis begint naar het beloofde land. De jongeman wordt tot Koning gekroond. Hij zal zijn eigen bloed achterna reizen.
Later, als zijn hart versteend is, is uit diezelfde verstening alweer allang een nieuwe god geboren, een nieuwe gezegende. Wij verneigen ons voor dit raadsel.
Wij dienen de graal met ons eigen bloed.
Wij betalen met ons ziek zijn voor onze eigen gezondheid.
Wij zijn visser naar onze eigen ziel.
Het Allerkostbaarste in Mij November 4, 2009
Posted by ideeflux in : Kaïn en Abel , add a comment
Wat is er van Prins geworden, van Mozes? Zij hebben hun tenten opgetrokken aan de voet van de stad die zij belegeren. Wat zij begeren bevindt zich binnen de muren. Door de stad te belegeren maken zij haar ontoegankelijk voor zichzelf. Het beloofde land blijft ver weg, juist omdat ze het willen betreden. Eigenlijk leven ze al sinds mensenheugenis in het beloofde land maar ze zijn niet in staat om dat werkelijk te ervaren door de muren van verlangen die ze om zichzelf hebben opgetrokken. En nu wankelen hun eigen muren, zoals ze hoopten dat de muren van de stad die zij belegeren zouden wankelen.
Prins is op zoek naar de gouden hanger met het gouden hart. Het hart dat open zou zijn naar de hele wereld en tegelijkertijd de hele wereld in zich zou weerspiegelen. In de plaats daarvan heeft hij nu een elektronisch apparaat omgehangen gekregen. Het meet zijn hartslag. Het meet de mate van zijn begeerte, het meet de afstand die Prins heeft tot de vervulling van zijn verlangen.
Mozes wilde vrede. Hij kwam aanzeilen in een biezen mandje. Als in een droom, als in een sprookje. Hij werd als een geschenk ontvangen door degene die hij moest verlaten met medeneming van wat hij dacht dat het zijne was, als een koekoeksjong, als een Paard van Troje.
Wij hebben een adder aan onze borst gedrukt! Later sprong Mozes staf als een adder uit zijn hand. Als een vage herinnering daaraan. De wereld is een berg. Wij schreeuwen. De echo komt naar ons terug. Elke brief komt terug naar de afzender.
Dat wat zich uitverkoren waant, meent zich te moeten afzonderen. De exclusiviteit van het gesteente verdient een bijzondere plek. Daarom is er een slotgracht rond een kasteel, beschermt een draak de parel, staan er muren rond een hart.
Dit land waar wij klein gehouden worden, tot slaaf gemaakt zijn, kan onmogelijk ons land zijn. Het land waar wij open kunnen bloeien tot onze oorspronkelijke schoonheid moet ons beschutten, moet ons veilig maken. Er staan hoge muren rond dat land. Het zijn die muren die Mozes verhinderen dat land te betreden, en daarom is Zijn Volk, alhoewel aangekomen, nog altijd onderweg.
Wat van waarde is, deelt zich, laat zich openploegen, vruchtbaar maken. De parel is op het land, niet in de toren, in het lijf, niet in het hoofd.
Prins breekt zich het hoofd. Hij zoekt zich de muren rond zijn hart te breken, maar niet zijn hart. Hij zou zich uit willen laten stromen als een brede zachte rivier, het land willen bevloeien, zou tot bestaan willen durven komen door op te lossen. Zijn schil willen breken naar het leven. Trouw te zijn aan zijn hoge geboorte door de privileges ervan op te geven.
Ondertussen is er paniek in de onmetelijke paleizen van de zonnekoning. Vanaf deze plek is er geen schaduw zichtbaar. Wij zijn immers het licht.
Dan klinkt het bericht: onze slaven zijn gevlucht. Dat wat in onze schaduw leefde, dat wat voor ons onzichtbaar was en ons van daaruit moest dienen, gaat zijn eigen weg, slaat zich een weg door water [verwerft meesterschap over haar gevoelens] en verdwijnt, ons berooid en eenzaam achterlatend. Nu moeten wij voortaan weer onze eigen was doen, zijn we weer slaaf van onszelf. Het goud van wie we dachten te zijn werd door hen bijeengebracht en nu hebben zij ons verlaten en zij nemen ons goud met hen mee.
Zoo is het nu, in deze tijd. Wij leven in onze lege paleizen. Niets geeft ons leven zin dan dat wij anderen voor ons de was kunnen laten doen, de hete kastanjes uit het vuur kunnen laten halen. Zij leiden [en lijden] hun leven voor ons. Natuurlijk zijn zij het uitverkoren volk. Dat wat zich opricht en haar eigen weg gaat is door die handeling alleen al gezegend.
Wij zijn van het oude land, van het land van de zonnekoning, de farao. De tekens staan op de muren geschilderd. Nog steeds lijkt het of ze over de muren naar binnen willen klimmen, alsof dit het beloofde land is. Maar spoedig begint de uittocht. Dan staan wij plotseling met lege handen aan de buitenkant van onszelf. Wij waren het paleis, nu zijn we de vlakte, wij waren vervuld, nu zijn wij verlangen. Langzaam zal het leven weer bezit van ons nemen zoals de wilde roos haar rechten herneemt wanneer zij uitbreekt van onder het wezensvreemde, het gecultiveerde dat op haar geënt is.
Prins weet al dit, maar hij weet nog steeds niet hoe hij er chocolade van kan maken. Hij weet niet aan welke zijde zijn boterham gesmeerd is.
Wij moeten onze eigen weg gaan. Als er iemand uitverkoren was, dan was jij het, lezer. Jij moet je weg gaan, zoals ik op zoek ben naar de mijne.
Mijn weg is deze die zich naar de poorten van mijn eigen stad geleid heeft, alwaar ik mijn tenten heb opgeslagen. Ik wil met alle geweld de schat die zich binnen de muren bevindt. Ik ben zelf de schat die zich binnen mijn muren bevindt. Ik houd mij stil, bang dat de mokerslagen van mijn bevrijders juist dat wat het kostbaarste is in mij zullen vernietigen. Ik ben het kostbaarste in mij.
Ik weet niet anders dan me in de vorm van deze woorden door een bres in de muur naar buiten te wurmen en achter de rug van de belegeraars om een rondedans te doen, van vreugde, van goddeloze verlatenheid, van extatische vrijheid.