Ontzingen

Ontzingen

Wij zijn… verhaalloos om te beginnen. Wij zwerven rond om te vinden wie we zijn. Wij weten nog niet wat voor kleur de bloem draagt die zich in ons ontvouwt, wat voor soort bloem dat is. Wij struinen rond in onwetendheid, in duisternis. Her en der stoten wij ons hoofd. Dat zijn aanwijzingen, leermomenten. Gaandeweg ontstaat een verhaal. Dat verhaal vertellen we aan anderen, we vertellen het aan onszelf. Hoe vaker we het verhaal vertellen des te gestroomlijnder het wordt. Wat niet helemaal in ons verhaal past laten we weg, vergeten we. In de keuzes die we vanaf dat moment maken gaan we uit van ons verhaal. We denken ons eigen verhaal naar een logisch verlengde. Het verhaal gaat kortom een eigen leven leiden door ons, via ons. Wij vereenzelvigen ons met dat verhaal, wij denken dat wij ons verhaal zijn.
Vanaf het moment dat we dat inzien wordt alles anders. Wij keren om op ons levenspad, wij winden de kluwe met onze verhaallijn af, naar de magerte van ontvankelijkheid, van onwetendheid. Wij gaan op weg naar het prille begin. Naar onze… verhaalloosheid. Naar zonlicht en wind en gras en wolken.

Als dan toch nog eens…

Als dan toch nog eens…

‘Ik ben het oog van de wereld. Mijn meer is het oog van de wereld, ik kan alles zien. Ik kan dan misschien wel niet overal naartoe – wegens gebrek aan water – maar ik kan wel alles zien, achter alles zien. Ik kan zelfs met dat wat ik niet kan zien in verbinding treden.’
Karper was innig tevreden met zichzelf zoals hij lag te peinssoezen tussen het mosgroen, het goudgroen. Dwars door het koele water behielden de zonnestralen hun warmte, hij voelde hoe ze op zijn schubben weerkaatsen en toch warmte achterlieten. ‘Schitterend,’ mompelde hij voor zichzelf het woord dat hij vond passen bij de situatie waarin hij zich bevond. Het was opmerkelijk. Karper was zich terdege bewust van zijn eigen schittering, zijn eigen goddellijke verschijning, zijn eigen majesteit, zonder dat hij er op een of ander manier mee op de loop ging.
‘De wereld rijpt in mij en ik rijp in de wereld… hmm, zo goed, zo fluistergoed, zo één in ander, zo ik in ander. Ik in karper, karper in meer, meer in wereld, wereld in meer, meer in karper, karper in mij. De wereld is een legpuzzel waar gewoon geen plek is voor een ontbrekend stukje. Zij is altijd kloppend, altijd vol van zelf.’ Het was zalig. Dit was het optimum. Niet bewegen, hangend in het water, overpeinzen. ‘Tot ontstaan komen door te laten gaan van bestaan.’ Karper maakte een hele flauwe beweging met zijn staart. Niet om vooruit te komen, oh nee. Enkel en alleen om wat water langs zijn gladde lijf te doen stromen, wat fris water door zijn kieuwen te laten gaan. Continue reading “Als dan toch nog eens…”

Ik ben de Brug naar Nieuw

Ik ben de Brug naar Nieuw

De hoge piep van een vrachtwagen die achteruit rijdt. In mijn droom zoen ik steeds jonge vrouwen. Omdat alles wat ik droom voor een aspect van mijzelf staat, verlang ik er blijkbaar naar om frisheid te liefkozen, mijn eigen frisheid. Mijn eigen bedauwdruppelde huid.
Mijn eigen nieuw zijn in oudheid.
Als het zacht weer is kunnen wij onszelf eindelijk weer eens binnenstebuiten keren, onszelf luchten. We waren gisteren allemaal op de been of fietsend, een tikje verbaasd dat alles er nog was, dat wij er zelf nog waren. Goedkeurend knikten we naar elkaar. Een vrouw was op een geïmproviseerde manier haar ramen aan het zemen, ze lachte tegen mij. Tegen mij!
Wat gaat dit voor zomer worden? Zon op huid. Langzaam het water inlopen tot je er door bent, om even later weer op te drogen aan de warme lucht. Vogels zien, bloemen. Het zich ontvouwen van de bladeren, de frisse nieuwsgierigheid van jonge dieren.
Uiteindelijk bleek mijn auto niet meer te repareren. Toen de cylinderkoppen waren afgevlakt en met een dikkere koppakking weer gemonteerd, bleek het carter compressie op te bouwen. Een nieuwe motor was de enige mogelijkheid, harttransplantatie. Ik heb mijn auto voor 100 euro verkocht, maar mijn hart houd ik. Ik heb geen zin in transplantatie, dat lijkt me niet zinvol. Ik houd mijn eigen hart, hoewel mijn hart net zoiets heeft. Het maakt geen volle slagen, de slagen die het doet zijn niet voor 100% effectief. Ik ben zelf niet voor 100% effectief. Misschien wordt er compressie in het carter opgebouwd, misschien is er iets met de kleppen.
Het is moeilijk volledig te rusten in iets wat niet rustig is, maar het is wel mijn hart. Ik wil het ermee doen. Ik heb haar zelf zo in mijn borst laten groeien.
Als alles omkeerbaar is – en waarom zou dat niet zo zijn – dan groeit zij weldra tot rust in mij. Ik groei weldra tot rust om haar, als een brug over woelig water, zo vlij ik mij neer.