De Gedachte God

De Gedachte God

God van de gedichten, de gedichte gedachten, de Verdichte-Gedachten-God, het Goddelijke dat gedachten verdicht tot dat wat substantie van leven wordt… hoor mij aan. Zing in mijn oor, herschep mij tot hemelse muziek, tot een structuur van harmonieën. Breng mij naar de plaats waar alles op zijn plek valt. Laat mij op die plek gaan staan en van daaruit mijzelf naar huis roepen. Voor mijzelf een licht hooghouden over de woelige baren, in de donkere nacht.

Er is alleen maar rust. Langzaam ademt een zomerwind over de stille Zuidzee van mijn middenrif. In mijn onderbuik schemerflitsen traag, onbegrepen, niet-herkende onderwaterwezens van allerlei soort. Er is rust en er is beweging. Soms komt één van die tot dan toe gezichtsloze monsters het strand van mijn blikveld opstrompelen en veroorzaakt ogenblikkelijk chaos en consternatie onder de badgasten die daar in minieme kleding liggen te genieten van wat ze hun welverdiende rust noemen. Bijna altijd richt die paniekachtige reactie oneindig veel meer schade aan dan dat wat het vaak onschuldige schepsel door eigen actie veroorzaakt.

Ik train mijn badgasten nu om kalm te blijven, om hun volle aandacht en zo mogelijk mededogen te geven aan dat wat in zekere zin hun familie is, een nakomeling uit het hetzelfde eindeloos lange geslacht van gedachten.
Zelfde bloed, zelfde angsten, zelfde consistentie.
Zelfde God.
Zelfde Gedachte God.

Het Speelveld

Het Speelveld

Een wit veld. Een wit speelveld, een wereld zonder lijnen, paden, een zee zonder einde. Een ongehoord weidse ruimte, een grenzeloos begenadigde plaats.
Ik stamp mijn zwarte tekens op de witte zandvlakte. Ik leg hoekstuk en hang peillood, ik trek de kortste lijn tussen twee punten. Ik bouw een wereld van gedachten op een fundament van drijfzand. Trek ik de paaltjes uit de grond dan blijft er enkel één groot land over, geen grens tussen jou en mij, tussen ons en ander.

In gedachten kan ik overal naartoe. Naar alle bekende, on- en minder bekende mensen die mij bevolken, naar alle steden, alle uithoeken van de wereld.
Ik trok mijzelf zwarte kleren aan en zat in een Parijs café met jou. Wij waren op zoek naar het leven, naar de essentie ervan. Wij dronken thee. Op een gegeven moment, zonder directe aanleiding, begonnen we onze handen met vorken te bewerken, geconcentreerd onderzoekend, alsof we op één of ander manier ons zo een weg naar een antwoord konden graven.
‘Ober’, wees een man met een subtiel hoofdknikje in onze richting. Na een vluchtige blik verdween de ober achter de bar en kwam terug met een verbandtrommel. Er was geen consternatie. Alleen een vriendelijk doch beslist mededogen. We waren goede klanten daar. Even later liepen we in een bladerloos park met verband als pluizige wanten om onze handen.
Het zegt alligator in mijn hoofd, maar ik wil geen verhaal met alligator. Dan herinner ik me krokodil. Sommige plaatsen die wij verzinnen bestaan echt zou je zeggen, andere zijn echt verzonnen. Als ik nu iemand tegenkom zie ik eerst zijn of haar talent als een licht voor hem of haar uitzweven, deze speciale manier van zijn die een precies geformuleerd universum opent. Elke persoon als sleutel voor een deur naar een andere ruimte, andere kleuren, andere samenhang. Er is natuurlijk veel lijden, maar ik moet moeite doen om het te zien. Ik zie, eerlijk gezegd, alleen maar glorie.
Mijn krokodil – ik heb geen medelijden met mijn eventuele lezers, u dus, jij dus – is weer van een vol en gezond groen, ik heb hem zachtjes tot leven gezongen en toen getemd. Hij eet uit mijn hand. Zij – mijn ziel – kan hem berijden zoals een ander een ezel of een paard berijdt. Mijn dierlijke vriend. Mijn dierlijke zelf als vriend, als kracht, als bron.
Ik ben niet gehouden aan het spreken van wat de waarheid genoemd wordt. Ik spreek de waarheid door precies onder woorden te brengen hoe ik het graag zou zien.

Later, in een ander café probeerden we te roken met onze wantschoenen aan. Het ging moeizaam, maar het lukte. Waar een wil is, is een weg. Het was een pluizige ervaring. De hele wereld voelde een beetje wattig aan, alsof het gesneeuwd had. Later voerden we elkaar zoete drop, en, je weet wel, van die stengels met zout erop.
Ik had natuurlijk ergens anders naartoe kunnen gaan, maar ik ging hiernaartoe. Ik denk natuurlijk dat ik zelf beslis waar ik naartoe ga, maar dat is niet meer dan een hoogmoedige gedachte. Wie heeft mij hier gebracht? Wat doe ik hier? Wat een aparte plaats is het hier en wie zijn die bijzondere wezens?

Waar de één zich als een grenspaal in de grond laat slaan opent zich voor de ander juist een zee van ongekende mogelijkheden.

Een Wenkend Perspectief

Perspectief

Zij die naast me liep, liep nog altijd naast me, maar het was niet meer helemaal hetzelfde als voorheen, niet meer die perfecte zorgeloosheid. En toch duurde het nog een hele tijd voor het me begon op te vallen dat ze zoveel zwijgzamer was. ‘Jij hebt de voeten,’ antwoordde ze vaak bijna gedachteloos op willekeurig wat voor vraag ik ook stelde en ‘denk je dat ik lesbisch ben’ op momenten dat ik probeerde ons contact wat intiemer te maken door onhandig maar welgemeend een arm om haar heen te slaan. Uiteindelijk begreep ik dat zij die naast me liep niet helemaal gelukkig was.
Van dan af begon het eindeloze raadspelletje, want ze was – typisch vrouwelijk – wel haarfijn in staat duidelijk te maken dat er iets niet in orde was, maar ze wist tegelijkertijd absoluut niet waar dat gevoel vandaan kwam.
‘Heeft het met mij te maken?’
‘Ja en nee,’ mijn blik ontwijkend staarde ze in de verte.
‘Is het misschien tijd om naar huis te gaan of een andere planeet te zoeken?’
Geen antwoord, een stuurse blik voor zich uit.
‘Zou je weer terug man willen zijn.’
Aan haar reactie kon ik zien dat ik warmer werd, er gleed een blos over haar gezicht, het gaf haar iets dat ik nog niet eerder bij haar gezien had, iets erotisch.
En toen wist ik het opeens.
‘Wil je misschien dat ík weer terug man word?’
De stralende zon die doorbrak op haar gezicht deed mijn hart oplichten.

Weer man zijn. Ik kan niet zeggen dat het ogenblikkelijk een wenkend perspectief voor me was. Ik had het de hele tijd wel lief gevonden om twee vrouwen te zijn. Dat zachtvoelende te zijn, de wereld als een warm bad om ons heen. Ik vreesde mijn eigen hardheid, mijn willen, mijn besluitvaardigheid. Ik vreesde dat als ik weer terug man zou zijn, dat het dan afgelopen was met de lieve vrede, dat we dan weer van alles zouden moeten. Ik werd al moe bij de gedachte. Maar ja, zij die naast me liep had het nu eenmaal in haar hoofd en haar niet meer voor de volle honderd procent gelukkig zijn had mij ook niet onberoerd gelaten, en, er was nog iets, iets dat ik voor het gemak het erotisch vooruitzicht zal noemen. De blos die bij haar over haar wangen gegleden was, had diep in mij een slapend dier wakker gemaakt.
Die nacht stonden we bij de boom, om afscheid te nemen. Afscheid van dit leven en op weg te gaan naar het volgende. We volgden met onze handen en onze ogen de knoestige stam, de veelvormige vertakkingen hoog boven ons, de welkome armen waartussen wij ons bevonden. Wij vielen stil. In die stilte plantte de boom zich op de bodem van onze maag en daar begon zij te groeien. De boom groeide in ons op als een gebaar van verbondenheid, van weidsheid, van stilte. Wij zeiden er geen enkel woord over, maar sloten het moment simpelweg in ons hart.

De volgende ochtend was alles anders. Ik merkte dat niet zozeer aan mezelf als wel aan haar. Ze was open gebloeid, haar lippen gezwollen, haar oog glanzend. Zij was van een ongelofelijke dichtbijheid, een ongelofelijke schoonheid. Ikzelf was niets anders dan dat wat die schoonheid heel maakte, rond maakte, completeerde.
Ik maakte die schoonheid mogelijk door in alles dienend en aanvullend te zijn aan haar, aan wie zij in haar grootste wijsheid en haar diepste wezen gedroomd had te zijn.