Restruimte

Restruimte

Lees mij niet, maar leef mij. Wees met God – net als Hafiz – als twee dikke mensen in een klein bed. Als de één beweegt, dan beweegt dat de ander. Laat God de restruimte van je wezen zijn.

Zij gleed slaapdronken in mijn armen en ik hield haar vast als iets dat ik niet kon bevatten. Zij moet dat gevoeld hebben en dankzij mijn veel te kleine omhelzing bloeide zij open, botte ze uit, als een bloem uit een knop.
Alles dat mij pijn deed werd een deur door engelen gedragen. Elke deur gaf toegang tot een ander universum, de engelen en de deuren dansten, verwisselden steeds van plaats. Ik wist van tevoren niet welke deur naar welk universum leiden zou. Ik noemde het allemaal God, niet als gedachtespelletje, maar als benoeming van realiteit, van mogelijkheid. Ik gebruikte woorden niet langer om dingen – met name mijzelf, mijn leven – mee vast te leggen, maar om deuren mee te openen.
Waar is dit woord een deur naar? Wat is het hartevlees van dit woord? Elk woord opent een deur naar onszelf, naar het vlees en bloed van onszelf, de oneindige lichamelijke ruimte, naar het slagaderlijk kloppen van dit moment.

Herhaling van Zetten

Hehaling van Zetten

Ik ben een Marokkaanse jongen. Tenminste, iedereen zegt dat en ik ben nooit op het idee gekomen om het tegen te spreken. Alle kennis – zeggen ze – begint met zelfkennis. Ik ken mezelf enkel door wat ik niet ben. Ik ken mijzelf door de kennis van diegenen die ik niet ben en ook absoluut niet zou willen zijn. Wat ik niet ben zijn de mensen die het bij het rechte eind menen te hebben. De mensen die hier al langer wonen, die de taal van geboorte af spreken, die gevestigde belangen hebben en die zichzelf superieur achten. Ik kan daar niet tegen. Mensen die zich op wat voor manier dan ook boven me menen te kunnen stellen moet ik hard onderuit halen. Dat is een innerlijke noodzakelijkheid. Dat is mijn drive en mijn glorie. Continue reading “Herhaling van Zetten”