Synopsis I

Sebastian Petersen

Wat er te veel aan willen is laten gaan, niet willoos worden maar vol van besluit tot overgave. De weg voor zich zien en hem al doende lopen, willig en oplettend.

Het zweet druppelde van zijn voorhoofd, prikte in zijn ogen, deed zijn hemd op zijn rug plakken. Hij hijgde. Dit was enkel maar een vingeroefening, een voorspel voor iets veel groters. Hij was geweldig opgewonden. Hoe dieper hij zou graven, hoe meer hij zou blootleggen, hoe meer hij te weten zou komen. Niet zozeer over Galliërs en Romeinen, maar gaandeweg, stap voor stap, schep voor schep, penseelstreek voor penseelstreek, over zichzelf. Alsof de aarde een groot hoofd was en hij zichzelf teruggroef naar een bepaalde lang vergeten herinnering. Alsof hij zichzelf teruggroef naar dat gedeelte van zichzelf dat daar lang geleden begraven was, en dat het onthullen van die nog onbestemde persoon, dat dat de vervulling van zijn leven zou zijn, het rond zou maken, hem zou verzoenen met het onverzoenlijke, de cirkel ongebroken.
Dit zou natuurlijk allemaal geleidelijk aan gebeuren. Voorwerp voor voorwerp zou hij zijn geheugen weer aanvullen, completeren. Details waar hij normaal het geduld niet voor had zou hij met liefde en precisie afborstelen, in kaart brengen, beschrijven, omdat hij wist, vermoedde of enkel hoopte dat deze zoektocht voor hemzelf van het allergrootste belang zou zijn.

De dag liep teneinde en ik voelde mezelf ook ten einde lopen. De schaduwen werden langer, het asfalt plakte niet meer. In de wei lag een klein groepje roodbruine runderen in de avondzon, koeien, kalveren en een stier. De stier als sluitsteen van een ring. De stier die geïsoleerd van de kudde veel misbaar zou kunnen veroorzaken lag daar nu als bewijs en verzegeling van vrede, enkel en alleen omdat hij de juiste plaats in nam. Hij knipoogde naar mij met beide ogen tegelijk. Bemoedigend, bevestigend. ‘Het is goed dat jij op weg bent, jongen,’ scheen hij te zeggen, ‘jij gaat, maar wij blijven. Wij hebben ons leven hier. Begin, midden en eind. Wij zijn rond en jij moet gaan, want jij bent op zoek. Ga in vrede, mijn jongen, ik geef je mijn zegen.’
Zo zijn de dieren ook. Zij hebben zichzelf al vele malen door de volte van de cirkel geleefd, en komen vervolgens hier terug in hun volmaaktheid om ons op onze weg te bemoedigen te ondersteunen, om ons van steun, advies en wijze raad te voorzien. Hun geduld en willigheid als een voorbeeld, een inspiratie, spreken zij constant in een taal die wij reeds lang vergeten menen te hebben. Zij fluisteren. Zelfs in de nacht bevolken zij onze dromen. zij slapen niet maar zijn zonder ophouden bezig ons leven van vingerwijzingen te voorzien, te verrijken, te sublimeren. Zij bezien ons als grootouders hun kleinkind, met toegeeflijke welwillendheid. Alle brokken die wij maken zien zij door de vingers, en al de pijn die we hen zouden kunnen berokkenen is al bij voorbaat vergeven.

Het Verkeerde Gevecht Winnen

Het Verkeerde Gevecht Winnen

Wat is de omweg die me naar het doel zal leiden? Als ik maar eenmaal de juiste omweg heb, dan komt de rest vanzelf. De omweg is immers de kortste verbinding tussen twee punten.

Eenmaal aan de armoede ontsnapt was er voor de meeste families geen groter genoegen dan zich rond tafels volgeladen met het meest fantastische voedsel te scharen en zich te goed te doen, de schaarste te vergeten door zich zat te eten. Er werd gelachen dat het een lieve lust was, soms werd er gezongen en gedanst. Later waren het de barbecues, want het moest vooral vlees zijn, veel vlees, bergen van vlees, want vlees is een teken van rijkdom.
Het was meer de blije uitgelaten en opgeluchte stemming dan het eten zelf waaraan iets in haar ziel zich hechtte, en toch was het logischerwijs haar lichaam dat de eerste tekenen ging vertonen van haar overmatige eetlust.
– ‘Zou je niet eens wat minder…’ begonnen de stemmen om haar heen te suggereren.
– ‘Het is niet erg flatteus voor een meisje om zo dik te zijn, …en je hebt zo’n mooi gezichtje!’
Iets in meisje draaide zich om. ‘Ik weet dat eten goed voor me is, het voelt immers goed. En bovendien: ik bepaal altijd nog zelf hoe ik mijn leven zal leiden.’
En dat is wat ze deed. Ze keerde zich met al de kracht van haar jeugd tegen de stroom van het leven zoals dat aan haar werd aangeboden, vastbesloten haar eigen spoor te trekken, haar eigen leven op originele wijze vorm te geven. Ze trok weg van waar ze vandaan kwam, reisde over uitgestrekte prairies, eeuwenoude bossen, meren, rivieren, oceanen. Precies in de tegenovergestelde richting van waar haar voorouders een eeuw geleden vandaan waren gekomen, precies daar ging ze naartoe. En ze genoot met volle teugen, van het leven, van de liefde en… ja, natuurlijk, van eten. Uiteindelijk streek ze neer met haar enorme hemellichaam, voldaan over wat ze in haar eigengereidheid tot stand gebracht had, en niets vond ze mooier dan via haar kookboeken haar wereldreizen nog eens dubbel en dwars over te doen. Maar de krakende levenslust van haar jeugd, had ze onderweg, zoals de meeste van ons, achter zich moeten laten.
Op een dag werd ze ziek. Een oude kraai landde op het voeteneinde van haar bed en begon zachtjes te lachen.
– ‘ Wat zit je daar toch, ouwe lijkenpikker en wat valt er in hemelsnaam te lachen.
– ‘Ach meisje, gun een ouwe kraai toch zijn simpele genoegens, ik ben enkel hier om je te feliciteren’.
– ‘Jij mij feliciteren, terwijl ik hier ziek in bed lig?’
– ‘Jazeker’ zei de kraai terwijl hij een denkbeeldig pluisje van zijn zwarte jas plukte, ‘jij hebt immers gewonnen’.
Meisje haalde haar sierlijke wenkbrauwen op, boven haar fonkelende ogen.
– ‘Ik lig hier in bed en jij, zwart als de dood, komt zich een beetje vrolijk over mij maken?
– ‘Meisje, kalm toch. Hoor, luister, ik zal het je uitleggen.
En de kraai begon haar geduldig en met veel voorzichtig gekozen woorden te vertellen hoe ze als kind had besloten om een gevecht aan te gaan met haar ouders, haar broers en zusters, haar leraren, kortom haar hele familie, om hen te tonen dat ze haar eigen weg zou kunnen gaan. Ongelukkigerwijs had haar familie altijd veel aandacht gegeven aan haar uiterlijk, haar eetpatroon, en haar omvang en dat was uiteindelijk de focus geworden van haar strijd en hij, Kraai, was enkel hier om haar te vertellen dat ze die gewonnen had.
– ‘Hoe bedoel je dat, Kraai,’ zei Meisje nu een beetje milder, ‘gewonnen?’
– ‘Ik wil eigenlijk twee dingen zeggen.’ zei Kraai nu met een zeker air van gewicht. ‘Ten eerste dat je het gevecht tussen jou en je ouders, over eten en al of niet dik worden in je voordeel beslist hebt: je hebt gewonnen.’
– ‘Nou mooie overwinning is dat, daar moet ik zeker blij mee zijn.’ Meisje was het huilen nader dan het lachen.
– ‘Nee, juist, eh… natuurlijk niet, want dat is precies mijn volgende punt: je hebt dit gevecht dan wel gewonnen, maar je hebt al die tijd de verkeerde strijd gestreden, het is het verkeerde gevecht geweest. De strijd die je aangegaan bent heeft zich tegen jezelf gekeerd’ Kraai keek haar triomfantelijk aan.
– ‘Het verkeerde gevecht?’ Meisje dacht na en Kraai zei niets.
Het was lange tijd stil.
– ‘Ja… nu begrijp ik het,’ zei Meisje dapper terwijl ze bedachtzaam haar hoofd knikte. Er rolden tranen uit haar mooie ogen over haar wangen, op haar pyjama, op haar kussensloop.
Toen Kraai weg was nam ze een besluit. Ze had zichzelf bewezen dat ze haar eigen wil kon volgen tegen de stroom van alles en iedereen in, maar nu zou ze bewijzen dat ze haar eigen wil kon volgen ten bate van haar eigen geluk en gezondheid. En dat is wat ze deed. Alles wat teveel aan haar was liet ze achter zich, ze werd licht van gewicht en nog lichter van gemoed. Mensen die haar kenden waren verbaasd over de elegante verschijning die hen tegemoet kwam, haar opgeruimdheid, wijsheid en levenslust. En als de mensen haar vroegen hoe dat zo kwam dan zei ze altijd: ‘Als je aan het vechten bent weet je eigenlijk automatisch al dat je op het verkeerde spoor bent, want de authentieke weg van eigenheid wordt niet uit tegendraadsheid geboren. Ga met je stroom mee, dat is de weg naar geluk, overvloed en gezondheid.’

– ‘… en de omweg dan?’ Kraai hoort het je denken.
Hij lacht stilletjes voor zich uit terwijl hij zich met zijn gevingerde vleugels een weg door de koude winterlucht ploegt.
– ‘Dat is een… mooi raadsel. Ik kan het niet voor je oplossen.’ Kraai vloog even met zijn ogen dicht. Hij wist dat hij zo zou sterven, al vliegende met de ogen dicht, maar nu nog niet, nee, nu nog lang nog niet.
Was er nog iets meer te zeggen. Kraai sloot zijn ogen weer en lachte, de kleine kraaienpootjes naast zijn ogen glommen in het licht van de ondergaande zon. Hij lachte om het raadsel. Om het leven. Om het raadsel dat leven heet.