jump to navigation

Minzicht [V] September 15, 2009

Posted by ideeflux in : Tot Jou gesproken , 2comments

Scaap met Snor

Ik doopte mijn vinger weer in het inktzwarte water van de maanloze nacht. Het was er stil. Toen ik uiteindelijk in mijzelf omhoog kwam als een lang vergeten gedachte, in de onverwacht langgerekte gestalte van een reptiel, meende ik dat dit verhaal misschien wel net zo onverwacht lang zou kunnen zijn, zo eindeloos, zo zonder begin.
Het is alsof wij in onszelf de hele wereld moeten troosten, alsof wij in ons voor alle mensen, alle dieren, al dat eten en gegeten worden, al dat vergeefse bloed, een vluchtheuvel moeten zijn. Wij rollen de rode draad op die door onze familie loopt. De lijn van geslachten en alles wat daaraan kleeft valt in ons mandje. Ik droomde van mijn grootvader. Er was een boek over hem uitgegeven. Achterin waren langwerpige seinvlaggetjes waarop zijn meest voorkomende gedachten geschreven waren, zoals ‘geld stinkt niet’, en ‘na ons de zondvloed’. Ik was verbaasd me over de negativiteit er van, de banaliteit. Toen raakten we verzeild in de Frans-Duitse oorlogen, al die overwinningen die uiteindelijk nederlagen bleken te zijn, al dat verongelijkte gekwetst zijn, al die gehelmde hoogmoed. Hij droeg dat allemaal in zich, niet als inzicht, maar – juist daaraan tegenovergesteld – als minzicht, als gedachten waarvan hij zich afgewend had, gedachten die slechts in negatieve zin in hem aanwezig waren als een soort van zwarte gaten.
In de eindeloze herhaling van feiten zoals ons die door de zwarte gaten, de onafgemaakte levenservaringen, worden opgedrongen was zijn oudste zoon tegen hem in opstand gekomen en gaan vechten in de Spaanse burgeroorlog, om daar tijdens zijn eerste gevechtshandelingen het leven te laten.
Afwenden heeft altijd meer afwenden tot gevolg, tot we ons omdraaien. En juist om die reden, zo begrijp ik het althans, ben ik hier. Alsof het leven mij om die reden hiernaartoe gebracht heeft.

Het Onbreekbare Lam [IV] September 12, 2009

Posted by ideeflux in : Tot Jou gesproken , add a comment

Het Onbreekbare Lam

Het was niet goed, niet goed genoeg, en ook nog niet af, bij lange na niet af, en dus moest ik terug, terug naar het botenhuis, naar het maanlicht, het donkere water met de weerspiegelingen en de vriend waar ik het over gehad heb. Hij zat in een donkere hoek, bewoog niet en ademde nauwelijks. Oplettend sloeg hij elke beweging gade, want zelf was hij in zijn verhaal nooit verder gekomen dan dit moment. Het was alsof hij in alles de kunst van schrijvertje dezes wilde afkijken zoals die avond toen ik de willige jonge vrouw steeds dichter naar me toetrok en hij als een volle maan steeds recht voor ons bleef staan.
Nacht aan nacht ging ik daar naar beneden zonder veel wijzer te worden. Het meisje in haar alleenheid, ik zacht ademend, spinnend op een volgend woord en mijn vriend vanuit zijn schuilhoek spiedend.
Het begon bijna een ritueel te worden. Het kraken van een traptrede, het openschuiven van de deur, de steeds wisselende stand en grootte van de maan. Het bezoeken. Wij bezochten deze innerlijke plek. Deze innerlijke plek had een bezoeking kunnen worden, ware het niet dat op een nacht het gladde wateroppervlak zich opengeploegd wist door een paar ogen, een paar neusgaten, een berglandschap van huid, korst.
Wij zijn gewend in deze tijd van beeld naar beeld te gaan, te zappen, van image naar image, en zo de tussenliggende dialogen aan de verbeelding van de lezer over te laten. Dat kan in dit geval niet. Wij moeten hier blijven in deze plaats, tijd, ruimte, deze eenheid van zijn, want wat hier te gebeuren staat is essentieel.
Wat is een ontmoeting? Wanneer is er sprake van een echte ontmoeting? Wij willen dat de ziel spreekt of dat er tot de ziel gesproken wordt.
Het blauwgroene zeil van de badkamer bobbelde en week, kwam tot leven, werd vloeibaar. Zij in mij, was hopeloos verloren, teloor gelopen in de doodlopende straat van haar eenzaamheid. Mijn vriend had zich dicht gegraven in zijn eigen hypotheses. Toen hij ook nog eens zijn beide ouders als schepen achter zich verbrand had was er zelfs geen weg terug meer. Hij was een eiland geworden. Hij in mij was een eiland geworden, een afgesloten eenheid, als een terroristische groepering, een lichaamsvijandige cel. Ik was enkel naar hier teruggekeerd om het zaakje weer op gang te brengen, in beweging. Ik was de enige die de contacten aan zou kunnen knopen en het proces weer op gang zou kunnen brengen en ik wist ook dat ik er in mijn eentje niet toe in staat zou kunnen zijn. Ik richtte me dus deels tot het veel grotere, tot het uitspansel, tot het ongrijpbare, het onbegrijpelijke, dat waaruit alles gestalte krijgt en wachtte.

Ik wachtte op het vreemde wezen dat mijn vriend indertijd aangekondigd had als op iets dat van ergens vanuit de buitenwereld naar me toe zou komen, maar toen ik uiteindelijk uit de steeds scherper wordende contouren kon opmaken wie ik voor me had, begreep ik dat ik het zelf was. Ikzelf was haar krokodil geweest.
Het was niet zozeer een schok voor me om dit te realiseren, meer iets van herkenning, een soort opluchting wegens waarheid eindelijk zichtbaar.
Ik was het die haar roze meisjeskamer was binnengedrongen en als slaaf van zinloos verlangen gestalte had gekregen, zoals een bloem van het behang zich uitbuigt en plotseling een zoete geur begint te verspreiden. Alsof ik in zekere zin toch ook een vleesgeworden deel van haar eigen verlangen was geweest, haar verlangen en haar angst.
Hoe dan ook, dat is waar ik een deel van haar ziel tussen mijn kaken had vermalen en daarmee een stuk van mijn eigen ziel. Daarom waren wij hier.
Ik had al die tijd gedacht dat ik hier was voor mijn vriend, maar mijn vriend was hier voor mij, voor ons, als bemiddelaar. Hij had dit verhaal zoveel eerder aan mij verteld om mij te troosten, mij beter te maken en ik had het nooit begrepen.
Nu dook ik op uit mijn eigen diepte, mijn eigen donkere water als een witte schim die naderende de oppervlakte steeds scherper vorm begon te krijgen. ‘Als ze nu maar niet weg gaat, niet voor me wegvlucht, dan is alles verloren.’ Ik dacht deze woorden met zulk een scherpte, zulk een helderheid, dat ik er van overtuigd was dat het meisje me zou horen. ‘Blijf,’ riep alles in mij.

De Ziel als Schaapwoord [III] August 30, 2009

Posted by ideeflux in : Tot Jou gesproken , add a comment

De Ziel als Schaapwoord

‘Lief meisje…’ opeens klinkt er een onzekere, schorre stem in het donker.
Meisje schrikt niet, integendeel, ze is gerustgesteld, tevreden dat haar roepen blijkbaar toch gehoor gevonden heeft. Dat haar smeken, haar huilen eindelijk iets opgeleverd heeft, iets gemaakt, gebouwd, iets voor elkaar gekregen. Bijna was ze aan zichzelf gaan twijfelen, maar echt getwijfeld heeft ze nooit.

Het was niet te zeggen waar de stem precies vandaan kwam. Was het uit een vergeten hoek van het oude botenhuis, of eerder uit een vergeten laag van haar eigen onderbewustzijn? Het was waarschijnlijk niet iets dat dit leven gestalte had gekregen, maar veeleer iets voortkomend uit een van de vele windsels die de ziel van vorige levens met zich mee draagt, weefsels met patronen waarin kleuren met een zekere regelmaat terugkeren, patronen gecreëerd door de neigingen van de ziel. Men kan zich voorstellen dat bijvoorbeeld een lichte plek die op min of meer regelmatige wijze in het patroon terugkeert, op een zeker moment door de verschillende lagen heen in elkaars verlengde komen te liggen en zodoende een corridor vormen, een lichte corridor van de ziel naar het veel grotere.
Uit zo een corridor sprak die stem.

Daar dreef iets langs en wits, ter grootte van een middelgrote kano. Je zou het makkelijk voor een melkachtige weerkaatsing van een van de daklichten kunnen houden, ware het niet dat het bewoog. Het gleed zachtjes vanonder de tegenover gelegen steigerkant vandaan en gleed naar het midden van het open water. Meisje hield haar adem in. Eindelijk. Eindelijk zou het leven haar beroeren met iets… iets onoverkomelijks, iets echts, iets dat misschien wel pijnlijk zou zijn, maar mede daardoor dan toch in ieder geval oprecht.
De vorm bewoog niet meer maar leek te stijgen in het water, het was alsof een reusachtige lens de vage lange vorm langzaam scherp stelde, zodat de onduidelijke gestalte traag maar zeker scherpe contouren kreeg. Uiteindelijk kwamen gedeelten van de vorm boven water, dat kon ze zien aan de rimpelingen op de oppervalkte en de weerkaatsing van het zwakke maanlicht in de opbollende vormen.
‘Wees niet bang, lief meisje, schrik niet.’ De stem sprak als een bezwering, als een gebed.
Meisje keek naar de vorm die ze allang herkend maar voor zichzelf nog niet benoemd had. Van binnen had ze de vorm weliswaar al wel een naam gegeven, maar ze had die naam nog niet uitgesproken, alsof ze met het uitspreken ervan de vorm definief gestalte zou geven, alsof er dan, voor hen allebei, geen weg terug meer zou zijn.

In de twee grootste bolvormige rondingen die boven het water uitstaken openden zich langzaam en gelijktijdig twee spleten. En toen keek Meisje recht in twee ogen waaruit zulk een enorme eenzaamheid sprak dat ze al haar eigen angst vergat.

Het woord Vriend als Schaapwoord [II] August 25, 2009

Posted by ideeflux in : Tot Jou gesproken , add a comment

Oeral

Ik denk dat wij elkaar vrienden noemden, maar veel meer dan dat waren wij lotgenoten, personen tegen elkaar aangewaaid door de omstandigheden van de tijd. We waren allebei een soort doodlopende straat ingeblazen, en hoewel het verschillende straten waren was dat toch de plek waar we elkaar tegen kwamen. Ik woonde in een straat die misschien dan wel niet in letterlijke zin doodliep, maar dan toch wel in zoverre dat zij spoedig afgebroken zou worden. Steeds meer huizen werden al naar gelang de tijd vorderde met steeds definitievere middelen afgesloten. Ik was er zelf komen wonen toen je nog vrij eenvoudig de groengeschilderde houten platen voor deuren en ramen kon verwijderen, maar later kwamen de stalen platen en uiteindelijk werden oog, mond en oren van de huizen dichtgemetseld zodat de hele straat een lange goot werd die van niks naar nergens leidde, waar ’s avonds het geschreeuw van de junks en de heroïne hoertjes weergalmde alsof het baby’s waren, achtergelaten in een badhuis.
Mijn vriend had zijn doodlopende straat meer van binnen zitten, maar dat wisten we toen nog niet. Wij vertelden elkaar verhalen over hoe de wereld in elkaar zat en prijsden ons gelukkig dat wij dat zo goed in de gaten hadden. In de nacht dwaalden we door de stad op zoek naar iets wat we waarschijnlijk liefde noemden, maar op zijn best eigenlijk niet meer dan een willig scherm kon zijn waarop we onze erotische beelden zouden kunnen projecteren. Als ik me goed herinner is er wijselijk genoeg nooit iemand op onze boertige avances ingegaan, zodat wij later in de nacht noodgedwongen onze fantasieën aan elkaar toefluisterden. Op één van die nachten heb ik toen mijn toekomstige vrouw gefantaseerd, haar lange rode haren, haar spijkerbroek en de uitnodigende rondingen daaronder.

Gisteren zag ik hem weer. Niet in levende lijve maar op een andere laag. Niet in een droom, niet in een gedachte, maar in een van die vele lichtlagen waar de resultaten van ons handelen hun vrucht dragen of waar vanuit – zo zou je het ook kunnen bekijken – de vruchten van ons denken ons handelen bepalen.
Ik zag hem zitten, gehurkt bij zijn Oeral, de motorfiets die hem, gifgroen geschilderd, indertijd weliswaar goede diensten bewees, maar sindsdien als een motorblok aan zijn been heeft gehangen. In gedemonteerde toestand toverde het ding zich op steeds weer andere plekken – de serre, de gang, de voorkamer – te voorschijn.
In de nacht vormde het zich om tot iets dat kon lopen, het strompelde naar buiten in robot gedaante, zoog de nachtlucht in, dompelde zich onder in het maanlicht. Alsof het de vrijheid moest genieten die hij aan zijn eigenaar had ontnomen.
Wij waren dichters. Het leven was onze glazen bol. Alles sprak tot ons. Wij hadden grootse plannen en juist daardoor hoefden wij weinig te doen. Morgen was een magisch woord, een bezwering, een deur zonder verplichtingen. Aan de rand van de sloot op een van onze tochten toen de motor nog gewoon een motorfiets was, sloegen we met beboterhamde hand een wak in het water. Elke vis die we zouden zien, zei hij, is een belofte voor later. Een voorafspiegeling van de ziel.
Het was een vreemde avond, het waaide, het was alsof ik met mijn fiets tegen torenhoge weerstand op moest fietsen. Uiteindelijk kwam ik bij dat kleine straatje dat uitmondde op een vreemde kade, alsof daar de wereld eindigde. Het verwaaide daar van kranten en ik gooide de brief die ik moest bezorgen door een merkwaardig hoge brievenbus. Toen ik later terugkwam in het warme hol bij de vrouw die ik jaren daarvoor gecreëerd had, moet ik nog bleek gezien hebben. Ik had door de vouwen en plooien van de tijd die als een soort hersenen in de grote kom van het universum opgevouwen liggen in de kale, eenzame toekomst gekeken. ‘Dit,’ had de straat mij toegefluistert, ‘is waar jij komt te wonen.’ De straat heeft niet alleen volledig gelijk gekregen, – ik schrijffluister er nu deze woorden immers – zij heeft zelfs de voorkomendheid gehad zich ten lange leste – enkel voor de duur van een verbouwing weliswaar– in haar ware gedaante van doodlopendheid te laten zien.

De vis die niet voorbij wilde zwemmen weigerde een lied te worden of een gedicht. Juist door zich schuil te houden, juist door zich niet te laten zien kregen de beloften die zij meedroeg gigantische afmetingen. De beloften groeiden buiten proporties, de beloften waren zo groot dat ze niet door het kleine halsje van het universum naar buiten geperst konden worden. Ze bleven binnen als een kind dat rijpt en ouder wordt in de baarmoeder en uiteindelijk besluit om helemaal niet meer naar buiten te komen.
Een van onze wensen moge zijn dat het oog niet groter is dan de maag, de wens niet groter dan het geboorte kanaal, onze gedachte over onszelf niet groter dan dat wat wij waar kunnen maken. En toch, niettegenstaande dat, kunnen wij alles. Daar moet ik ons nog steeds gelijk in geven.
De Oeral in zijn onbeweeglijkheid heeft wel een lied losgezongen. In combinatie met de donkere maanzieke grachten van Delft. De zwartheid daarvan, het holle klinken. Wij zingen een troostlied voor onze ziel in de vorm van een verhaal. Mijn vriend vertelde mij van zulke verhalen, maar hij wist ze nooit op te schrijven. Zijn verhalen waren misschien te groot voor het kleine inktgaatje van zijn pen, wie zal het zeggen. Ik ben ze uiteindelijk op gaan schrijven, ik heb me aan het eind van de straat omgekeerd en ben de wereld weer ingelopen, niet omdat ik beter ben dat hij, maar omdat ik het geluk gehad heb dat iets of iemand me riep, omdat ik het geluk gehad heb dat ik het hoorde, het wilde horen en er op wilde reageren.
Maar vriend is nog steeds daar, tussen de oude kranten, de bevroren leugens van gisteren. Zoals een sjamaan zich onder de grond naar familieleden beweegt om voor degene die zijn hulp gevraagd heeft een stuk van zijn ziel mee terug te brengen, zo graaf ik me met dit verhaal – dat eigenlijk zijn verhaal is, maar wat hij vergeten heeft op te schrijven – een weg, een kanaal, een geboortekanaal naar hem toe, niet letterlijk naar hem natuurlijk, maar naar een gedeelte van hem, naar dat gedeelte van zijn ziel dat nog opgesloten zit in die doodlopende straat. Het klinkt weliswaar nobel, maar dat is het niet. Het is in feite een stukje van mijn eigen ziel dat daar opgeborgen ligt, opgerold als een slang in de winter, koud, onbeweeglijk, achterdochtig.
Zo kunnen we ons voorstellen dat we door het verhaal bewegen, de slang komt zichzelf vele malen tegen zoals hij ligt in een spiraal, wij hoeven niet de hele spiraal te volgen om het verhaal te kunnen vertellen, te lezen, maar we kunnen simpelweg van segment naar segment springen, alsof van hersenkwab naar hersenkwab, van plooi naar plooi, precies gebruikmakend van de manier waarop wij indertijd dachten dat het universum in elkaar zat.
Wat een mooie beelden kan de ziel voor zichzelf oproepen. Hoe meesterlijk vindt zij altijd de juiste toon, het juist aanraakbare. Alles op zijn plaats bij de ziel, als in een meisjeskamer.

Het behang, het zachte ademen. De lieftalligheid van het meisje. Hoe ze de dingen aanraakt, ordent. De droom die ze daarin koestert alsof het haar eigen droom is. Meisje zijn is het willen waarmaken van dromen. De tragedie is hier dat het vaak de dromen van anderen zijn. Dat geeft een enorme eenzaamheid, een leegte. Zij doet alles om de lege gaten van haar vader en haar moeder te vullen en zij van de weeromstuit hebben haar dit mooie kamertje gegeven en behangen, met uitzicht op de buitenstadse gracht. Het doktershuis met het botenhuis. Alles lijkt zo goed en af en vrede gevend, maar het is niet genoeg. Dit kan niet genoeg zijn. Haar hart is veel groter dan deze kamer, haar hart is zo groot als van hier tot de sterren maar er is niemand die haar begrijpt. Zij zit aan de rand van de nacht. Zij trekt met haar vingers cirkels in de sterrenhemel. Beloftevolle karpers laten zich niet zien. Elke nacht sluipt ze in haar pyjama naar het botenhuis. Het is er leeg. Er is al jaren geen boot meer. Verkocht, gezonken. Als droom meegegeven aan een marskramer, een handelsreiziger. Er komen hier niet veel mensen. Zij weent. Zij weet zelf niet waarom, maar u en ik, wij weten het wel. Wij zouden om precies hetzelfde willen wenen, maart we kunnen het niet meer, omdat ons meer is opgedroogd, onze vissen spoorslags verdwenen zijn, vergeten hebben zich pootjes te laten groeien, niet trouw genoeg geweest zijn, te weinig hond om ons over het onherbergzame maanlandschap te kunnen volgen. Dikke tranen vallen in dikke druppels in het water.

Verhalenzaad February 20, 2009

Posted by ideeflux in : Tot Jou gesproken, +++ , add a comment

Verhalenzaad

Het onverzadigbare moet de dochter zijn van… van dat wat afwijst, van dat wat zich afzijdig houdt, hoog houdt, trots in een ivoren toren. Onverzadigbaarheid is de ongewilde dochter van ongenaakbare zelfgenoegzaamheid. Wij zijn allemaal wel kinderen van iets, uitgebraakt in de wereld van contrasten, op weg gestuurd met kwaliteiten die precies het tegenovergestelde zijn van dat waar we uit voortkwamen, met als opdracht de weg terug naar huis te vinden.

Zij liep op haar hoofd, dat wil zeggen op haar handen. Haar benen slierden als tentakels door de lucht en daar waar die benen samenkwamen, niet groter dan een vruchtbeginsel, exact op de plek waar zich bij sommige planten groeizame knoppen ontwikkelen in de oksels tussen stam en tak, bevond zich haar hoofd. Het waren de gedachten in dit hoofd die haar van het één naar het ander brachten, of beter gezegd van de één naar de ander,
Om weer terug in het midden te komen gaan wij natuurlijk op zoek naar ons vleesgeworden tweelingdeel, onze hypotenusa. Wij zoeken ons te verenigen met dat wat ons niet wil of we zoeken ons afzijdig te houden van dat wat ons juist wel wil.
Zij wilde het beter doen, mooier, groter, grootser. Groots en meeslepend, dat moest het leven zijn. Maar hoe groot ook het verhaal dat je er omheen bouwt, zoals een huis om een bed, het blijft enkel een plek om te slapen.
Dat wat anders is draagt een geheim voor ons met zich mee. Nu zijn er misschien meer manieren om achter dat geheim te komen, om de geheime krachten van de ander te leren kennen, ten eigen bate te nutte te maken, zij wist maar één manier en die beoefende ze met volheid en graagte en overgave.
Het aftappen. Het aftappen van de levenskrachten van anderen was haar tweede natuur geworden. Hoe klein haar hoofd ook was, haar mond daarentegen had enorme afmetingen. Sluimerend in verticale stand bevond het zich net achter het hoofd, waakzaam als een kat, ten alle tijde bereid om van vocht verzadigd op te zwellen, om zich vervolgens loom en bereidwillig te openen, niet meer dan nodig om zich over deze of gene stalagmietachtige uitstulping te kunnen plooien. Dan begon het ritmische duwen en trekken, het pulserend knijpen en laten gaan, net zolang tot ze zich de glinsterende schat, het levend genetisch materiaal had toegeëigend waar het haar al die tijd om te doen was geweest, de kostbare geheime materie waar verhalen van gesponnen worden, de essentie, de levenskracht.
Zoals een spin een vlieg leegzuigt die ze in haar web heeft gevangen, zo zoog zij diegenen leeg die tussen haar tentakelbenen terecht was gekomen, die ze gearresteerd had, in hechtenis genomen.
In tegenstelling tot wat u mocht denken was ze erg selectief. Zij stulpte zich niet zomaar over elke uitstulping die ze tegenkwam. Wel nee! Onder dit schijnbaar onverzadigbare instinctieve zat wel degelijk een doel. Zij zocht zichzelf een web te weven, een web van de zuiverste materie, van het allermooiste dat voorhanden was, een zilveren web met de magische kracht van verhalen.
Het geheim dat de man draagt voor de vrouw, wat is dat? Als de vrouwen het geheim dragen van de diepe verbondenheid en van het onzegbare weten, wat blijft er voor de man dan over? Het eenzame staan onder bloedloze hemel. Het sterven en het leven daarin. De verhalen die zich hulpeloos en moedwillig uit die verlatenheid ontspinnen, daar was het haar om te doen.
De jaloersheid op dat hemeltergend vreemde, afgeslotene, uitgestotene was haar drijfveer. De vreemde verhalen die zich vanuit die wereld ontspinnen, die wilde zij ook. Zij roomde dat af, bracht het naar binnen, het verhalenzaad. Bracht het tot ontkieming, liet het wortel schieten, tot wasdom komen, om het vervolgens in enigszins gewijzigde vorm weer naar buiten te persen. Ter meerdere glorie van wat? Van haarzelf? Van het leven? Van de wereld, het herscheppen, het herordenen? Verhalen werden als nieuw uit haar geboren. Wat tomeloos alleen was werd in haar geborgen, hersponnen en weer uitgeworpen in de vreemdheid van de nacht. Als een vangnet voor nieuw, als een weg naar ongekende horizonten, als een ruimteschip, als een verkenner van nieuwe werkelijkheden.
Haar hoofd mag dan klein zijn, haar wereld is oneindig groot. Wij laten ons soms met graagte overstulpen en laten ons onze geheimen ontfutselen, maar liever en vaker nog zijn wij vrij staande aan de rand, starende in dat wat voor altijd een raadsel zal zijn.

Herhaling van Zetten November 16, 2008

Posted by ideeflux in : Tot Jou gesproken, +++ , add a comment

Hehaling van Zetten

Ik ben een Marokkaanse jongen. Tenminste, iedereen zegt dat en ik ben nooit op het idee gekomen om het tegen te spreken. Alle kennis – zeggen ze – begint met zelfkennis. Ik ken mezelf enkel door wat ik niet ben. Ik ken mijzelf door de kennis van diegenen die ik niet ben en ook absoluut niet zou willen zijn. Wat ik niet ben zijn de mensen die het bij het rechte eind menen te hebben. De mensen die hier al langer wonen, die de taal van geboorte af spreken, die gevestigde belangen hebben en die zichzelf superieur achten. Ik kan daar niet tegen. Mensen die zich op wat voor manier dan ook boven me menen te kunnen stellen moet ik hard onderuit halen. Dat is een innerlijke noodzakelijkheid. Dat is mijn drive en mijn glorie. (more…)

Jouw Glorie April 6, 2008

Posted by ideeflux in : Tot Jou gesproken, ++ , add a comment

Jouw Glorie

Tussen jou, mijn geliefde en mij. Gezegd en gezwegen. Zonder woorden aanraakbaar gemaakt. Je hing over me heen met al je verdrietige warmte. Ik kan niets voor je doen. Ik kan me alleen zo liefdevol als mogelijk losmaken uit je verstikkende omhelzing. Waar zijn je eigen benen? Waar is de grond onder je eigen voeten, waar zijn je wortels? Hoe denk je dat je jezelf kan voeden met de levenssappen van de aarde als je niet een verbinding aanlegt tussen jou en wat je wil, wat je nodig hebt. Laat je lichtlichaam groeien naar dat waar het behoefte aan heeft. Laat de sappen stromen. De lichaamssappen in al hun diversiteit. Bloed als het moet, tranen, melk , snot, oorsmeer, de zachte sappen van onderuit het lichaam, het slijm, het levenswater, de liefdessappen. Alles op zijn eigen tijd. En – nu het over sappen gaat – vraag je je nooit af wat je eigenlijk drinkt? Heb je nooit bedacht dat dat wat eruitkomt in zekeer zin gerelateerd moet zijn aan dat wat er in gaat. Je neigt naar koffie en sterke drank, bier, wijn, melk soms. Wat voed je daarmee? Een droom met een erg kort leven, de illusie van een sprankelende bergbeek. Daarna stilstaand en rottend water.
Wat wil de berg van je lichaam? Een regenbui van heerlijk helder water. Is het leven enkel goed als we het goed maken, aankleden, arrangeren? Vandaag dorst ik naar mijn eigen helderheid, mijn eigen eindloze begin, mijn eigen zuivere herhalen.
Let op, dit is wat jij je kan geven. Hier, terug herbeginnen, jij, op je eigen benen, in je eigen leven. Pak je eenzaamheid, je verdriet, je woede, je schaamte als een kostbaar geschenk, voer af wat niet meer bij je hoort en voed jezelf met helderheid, transparantie, zuiverheid, lichtheid en licht.
Ik kan niets voor je doen, dan je overlaten aan de glorie van wie je zelf bent.

Vanuit je Diepste grond February 14, 2008

Posted by ideeflux in : Tot Jou gesproken, + , add a comment

Diepste Grond

Ga naar de bodem van je moraal, naar de ziel van je wezen, de bodem, de basis van je zijn, en spreek alleen nog maar van daaruit. Als de wereld in verwarring is, is het zaak dat jij een heldere koers vaart. We hoeven niet mee te doen aan dingen die niet bij ons passen, wij hoeven ons niet te vervelen. Wij hoeven hun producten niet te eten, hun ideeen niet te kopen. In plaats daarvan gaan wij onze eigen weg. Niet naar buiten maar naar binnen, niet naar opwinding maar naar rust, niet naar boven maar naar beneden, met de zwaartekracht mee naar de buik, naar de bodem van ons zijn, naar onze waarheid. Vandaaruit spreken, van daaruit handelen. We hoeven geen energie te steken in het bediscussiëren van, in het oppositie bieden tegen. Wij leven vanuit onze eigen waarheid. Wij gaan niet tegen hen in, maar laten hen op eigen grond de cirkels draaien die ze noodzakelijk vinden.
Ik was in de nachttrein. Op mijn rug boven op de hoedenplank door de landen van Europa, alle culturen en talen stromen de wagon binnen. Ik ben in een halfslaap. Het geluid van het koppelen en rangeren van treinen, oranje lichten. Alles wordt gedaan om ons in verbinding te stellen. Ik laat mij vervoeren door deze nachtelijke stroom, de onderbewuste bloedstroom van Eurtopa, dierbaar Eurtopa, groot slapend wezen met zoveel stemmen, zoveel koppen, zoveel zinnen. Evenzovele redenen tot vreugde. Iedereen die ik tegenkom getuigt van zijn of haar beschaving. Wij nemen de hoed voor elkaar af, wij schikken in. Wij willen elkaar vertrouwen waar ons vertrouwen zo vaak beschaamd is. Ik wil open naar je zijn, me niet afschermen. Ik ben nieuwsgierig naar wie je bent. Daarom neem ik de nachttrein, zodat ik in je halfslaap met je kan praten, zodat wij samen deel uitmaken van hetzelfde grote lichaam.

Een Koud Strand January 15, 2008

Posted by ideeflux in : Tot Jou gesproken, ++ , add a comment

Koud Strand

Hij heeft zichzelf een veilige plaats gevonden, een gedachterots waaraan hij zich vastklampt terwijl de woedende zee van emoties net onder hem op de lege oevers beukt. Hij is murw. Als hij mij aankijkt zeggen zijn ogen: geloof mij op mijn woord, vraag mij niets, twijfel niet aan wat ik zeg anders word ik waanzinnig. Wij kunnen niet meer bij elkaar zijn, hij en ik. We verdragen elkaar niet meer. Wij zijn van het tegengestelde gemaakt, zouden we elkaar werkelijk ontmoeten dan lossen we in elkaar op, dan blijft er niets meer van ons over. Daar hebben wij allebei geen zin in en dus wisselen we beleefdheden uit. We wandelen langs het vlakke en veilige strand van onze nietszeggendheid. Wij zijn voorkomend met elkaar, omzichtig. Wij dragen er zorg voor dat de mascara van de ander niet uit zal lopen. En ja, we redden het. Als we afscheid nemen is het allemaal nog steeds goed, zijn we nog steeds zogenaamde oude vrienden. Ik weet niet hoe snel ik me uit de voeten moet maken. Ik koop een krant om me te warmen aan het wereldleed, maar het is niet genoeg, en de rest van de middag zit ik onder een dekentje. Wie in mijzelf heb ik zo in de steek gelaten dat ik het niet warm meer krijg?

Mijn Naam January 5, 2008

Posted by ideeflux in : Tot Jou gesproken, +++ , add a comment

Mijn Naam

Ik hoorde mijn naam roepen met dat wat ik dacht dat een Oost-Europees accent was. Er moest iemand buiten staan, hier in de sneeuw in Uppsala. Ik gleed mijn bed uit, tot Nina mij terugriep: je was het zelf, je droomde, je riep je eigen naam in je droom.

De avond tevoren was het weer zo geweest dat ik als een gast, als een vreemde, door mijn eigen leven liep. Ik was op de sofa gaan zitten. Wat gebruiken we woorden toch achteloos. Al deze raadsels om ons heen en wij gaan op ze zitten alsof we weten wat ze zijn. Buiten viel de sneeuw uit de glazen hemel.
Sneeuw, witte vormen traagvallend, slowmotion. De lucht is een soort vloeistof. Wij wandelen op de bodem van een nauwe oceaan, de vogels zijn de enige vissen. Wij happen naar lucht.
De kat komt langslopen. Ik weet niet wie hij is. Het lamplicht valt zijn ogen binnen. Hij kijkt in mijn richting. Hij weet ook niet wie ik ben. Hij neemt niet eens de moeite een naam voor me te verzinnen, hij is thuis in de naamloze wereld, ik ben daar alleen af en toe te gast.

Wie riep mij zo-even? Ik dacht dat het mijn leraar was, mijn meester, degene die ik de rug heb toegekeerd, die ik uit mijn hart heb laten vallen als een steen. Was hij het die me riep? Ik probeer mijn hart naar hem te openen, maar er is niets dat resoneert. Dan moet het iemand anders zijn. Je was het zelf zei Nina. Ik was het zelf? Wie is dat dan, wie roept mijn naam met een donker accent, wie staat er buiten in de sneeuw, zo ver weg van huis? Dat wat geen naam heeft kan mij bij naam noemen. Hoe noem ik mijzelf, hoe spreek ik mijzelf aan? Het moment waarop je een kind de naam van een vogel leert is precies het moment waarop het kind de vogel, dat onnoembaar raadsel, voor de laatste keer zag.
Misschien geldt dat ook voor je eigen naam. Het moment waarop je leerde hoe je heette was precies het laatste moment waarop je jezelf, dat onnoembare raadsel, voor de laatste keer zag.

De ogen van de kat kijken glasachtig naar mij. Het lamplicht weerkaatst erin, het onnoembare kijkt mij aan. Ik roep mijzelf, ik roep degene aan in mij die geen naam heeft, het naamloze. Het lamplicht valt mijn ogen binnen, hoog uit de hemel sneeuwt het. Ik roep om binnengelaten te worden. Hij denkt dat ik zijn meester ben. Ik ben het zelf die roept. Hij kent zichzelf alleen maar bij zijn naam. Ik roep hem als naamloze. Vaak laat hij mij roepen, maar nu laat hij mij binnen. Wij zitten warm op de sofa. Ik groet u, ik roep u, ik roep u bij uw naam, maar degenen die reageert, die zich kent bij zijn of haar naam, diegene zoek ik niet.
Ik zoek in jou diegene die geen naam heeft.