Gal

Gal

Wij luisteren niet naar iemand die geweld gebruikt, iemand die zichzelf opblaast noemen we een lafaard. Ik kan dat niet laf vinden. Ik zou het zelf niet graag doen.
Hoe komt iemand tot zo’n daad? Die vraag word nooit of veel te weinig gesteld. Waarom zouden we de terroristen niet eens een keertje serieus nemen? Wat drijft hen? Waarom niet eens luisteren naar mensen, die eerst hebben gesproken, toen geschreeuwd, daarna in opstand zijn gekomen en uiteindelijk als allerlaatste daad van verzet, als allerlaatste poging om iets van hun wanhoop te communiceren, zichzelf opblazen.
Dat toe te schrijven aan een dolgedraaide godsdienst is zelfs hun laatste wanhoopsdaad niet serieus nemen. Het opblazen van henzelf is een laatste krampachtige poging om zichzelf te doen verstaan, hun laatste schreeuw, uitreiken naar.
Als je bereid bent naar ze te luisteren, dan is het helemaal niet zo onbegrijpelijk wat ze zeggen.
Laat ons alleen. Laat ons leven in ons eigen land met onze eigen normen en waarden, met onze eigen God, die we op onze eigen wijze willen dienen. Laat ons de vruchten plukken van onze eigen arbeid op ons eigen land.
Dat zijn hun wensen ten aanzien van henzelf. Is dat zo onredelijk?
En ja, ze hebben ook nog iets over ons te zeggen. Ze hebben kritiek op onze samenleving. Is dat mogelijk? Is er kritiek mogelijk op de manier waarop wij samenleven? Samenleven met elkaar, maar ook met de wereld en alles wat zich daarop bevindt, met de dieren, de planten de gesteenten, met de dampkring, en met de andere mensen op deze wereld, met andere woorden, met dat wat sommigen de schepping van God noemen. U weet het antwoord al. Er is wel degelijk kritiek mogelijk op onze wijze van samenleven.
Je herkent een boom aan zijn vruchten en met een samenleving is dat precies zo, en dat is veel minder glorieus dan sommigen die zich opwerpen als ‘hoeders van onze beschaving’ u willen doen geloven.
Hoe gaan wij met dieren om? Zegt u het maar. Voor dieren die uiteindelijk geslacht zullen worden is het leven een hel op aarde! Dieren die in de vrije natuur leven wordt het leven onmogelijk gemaakt. Elke dag sterevn er soorten uit.
Hoe gaat dat met planten? De insecticiden waarmee we ze bespuiten vervuilen onze rivieren en onze dampkring.
De gesteenten? Wij ploegen da aarde om opzoek naar stoffen die brandbaar zijn zodat we in onze energie behoefte kunnen voorzien en daarmee warmen we de aarde op.
Hoe gaan we met elkaar om? Wat komt er feitelijk terecht van onze veelgeroemde democratie terecht? Onze leiders liegen, weigeren opening van zaken te geven, laten mensen martelen of gedogen dat. En het ergste is: ze komen er mee weg.
En hoe gaan wij om met degenen die we niet tot onze samenleving rekenen? We luisteren niet naar hen, we respecteren hen niet. We schuiven hen opzij om bij de kostbaarheden te kunnen komen die zich bij hen in de aarde bevinden en als ze zich daartegen verzetten noemen we hen achterlijk en terrorist.
Het is wel duidelijk, er is heel wat om kritiek op te hebben. Sterker nog: er moeten in de kortst mogelijke tijd enorme veranderingen plaastvinden in onze manier van denken en handelen, om het überhaupt mogelijk te maken op deze planeet verder te leven.
De grote vraag is of we bereid zijn naar kritiek te luisteren. Velen van ons zien terorristen als een kankergezwel en de bestrijding met een soort van chemokuur als de enige methode om met hen om te gaan. Dat is precies de Westerse manier om met ziektes om te gaan in een notedop. We bestrijden de symptomen, zonder te willen kijken naar wat de onderliggende oorzaak zou kunnen zijn. Wij vernietigen de brenger van de slechte boodschap zonder de boodschap te willen horen.

Dit Samenzijn

Samenzijn

Even had ik het gevoel dat ik had begrepen wat schrijven was. Creëeren.
Eerst is er iets waar je naar verlangt, waar je nieuwsgierig naar bent. Je noemt het terloops en later komt het onverwacht je regels binnengeslopen, op kousevoeten. Je roept iets naar de grote berg van het leven en de echo komt naar je terug en dan ben je verbaasd dat wat er naar je toe komt er zo bekend uitziet. Dat laat zich niet verzinnen. Dat gebeurt als je het verzinnen opgeeft. Hoe kom ik in die staat van me laten gebeuren?
Dat was geen vraag voor de rots, de rots in de zon, de berg aan informatie, het geslotene dat zo open is. Licht weerkaatst tot diep in de steen, licht weerkaatst door de steen. De warmte van de buik trekt in de steen en de warmte van de steen klimt omhoog in de buik van dat wat met volledig waakzame allertheid en intelligentie alles gadeslaat. Elk bewegen. Elk bewegen.
Het giechelen, de nabijheid van vertrouwde onnozelheid, het namen noemen van elkaar, het flirten, en de zon waaronder dat gebeurt. De zon van aandacht. Onder zijn of haar eigen zon lopen.
Wie ben ik?
Er zo’n verlangen naar hebben dat enigszins te weten. Het vermogen te hervinden zichzelf in enkele welgekozen woorden neer te vleien als een panter op een rots. Te zien waar het over gaat, wat de essentie van dit afdalen is. Dat wat we steeds trachten te vermijden terwijl het onvermijdelijk is.
Kom mij te hulp, Grote Geest, strek je hand naar mij uit. Ik tol in het rond. Gadegeslagen door amberkleurige ogen, twee van die ogen en de zon.
Het giechelen is verstomd. Ik ben al veel eerder aan de afdaling begonnen. Ik sta mezelf op te wachten. Hè, hè, ben je daar weer, eindelijk. De één kijkt met een licht verwijt en onderzoekende nieuwsgierigheid, de ander met een mengeling van trots en beschaamdheid. Ze besnuffelen elkaar. Dan vertrouwd weer, getrouwd, getrouw, vervolgen ze hun weg naar de plek waar ze blijkbaar wezen moeten. Hier op deze harde grond. Ik en, naast mij, degene die naast me loopt. Ik met mijn neiging om wanneer het enigszins mogelijk is te vertrekken en hij, die me overal zal volgen.
Wat is het dat mij hier te doen staat? Ik vraag het.
Hij glimlacht niet. Hij zoekt naar woorden. Ik zoek naar de woorden die hij zal spreken, ik oefen het zwijgen waaruit zijn woorden zullen opklinken.
Kom eerst bij zinnen, de rest volgt dan vanzelf.
Het amberkleurige knijpt zich even samen. Ik knik.
Dit samenzijn is het zo’n beetje wat ik hier kom doen, is het niet? Er wordt gezwegen. In mij wordt nadrukkelijk gezwegen.

Sneeuwleeuw

Sneeuwleeuw

Zij aan zij liggen, lichaam aan lichaam, zon op huid. In naaktheid veilig zijn. Dat was de grote lol. Om je helemaal uit te kleden en daarin toch veilig te zijn. Niet beschimpt of bespied. Kritisch beoordeeld. Het lijf laten genieten van haar eigen lijfelijke aanwezigheid. Verbonden met wat we de natuur noemen. De natuur niet als een denkbeeld maar als een concreet iets, de natuur als wat het werkelijk is: onze huid, onze jas. Zij die naast me lag had me van alles verteld. Eigenlijk alles wat ik weten wilde. Dat waar ik blijkbaar geen belang in stelde dat vertelde ze niet en dat kwam ik dientengevolge ook niet te weten. As simple as that.
Dit hier was, zoals zij het noemde, een simpele planeet, een planeet voor beginners, een planeet om een beetje tot rust te komen, te spelen met eenvoudige gedachten, te experimentern met eenvoudige dingen, zoals dat wat ik gedaan had, verandering van geslacht. Ook was het hier goed mogelijk om in contact te komen met je totem, je krachtdier, het wezenlijke in jezelf. Ik vond het erg boeiend, maar het leek allemaal ongelofelijk ver weg.
‘En’, zei ze na een kleine pauze, ‘omdat het hier zo ideaal is, omdat het weer zo zacht is, omdat je wensen hier makkelijk in vervulling lijken te gaan, is dit de ideale plek om uit te vinden wat je nog mist. Om erachter te komen wat je in dit leven – dat nog heel lang kan zijn, maar ook ongelofelijk kort, wie zal het zeggen – nog zou willen doen, voor elkaar willen krijgen, willen meemaken.
Ik liet het even stil zijn. Het ruisen van de wind, de zee, het verkeer. Tijd voorbij glijdend, tijd ons aanrakend, tijd vloeibaar, voelbaar.
We lagen op onze armen, de hoofden naar elkaar toegewend. We keken elkaar recht in de heldere ogen. Als kristal, als een bergmeer, als een zonovergoten sneeuwlandschap. Geen vrees. Zie je. Zo is de natuur onze jas, dat wij een berglandschap zijn, dat wij vochtige en droge plekken hebben. Plaatsen met en zonder begroeiïng.
Wij zijn natuur.
Ik wist dat we weer op reis zouden gaan, omdat alles verder gaat, van vorm verandert, kleiner of juist groter. Dat we eerder die … verandering zijn, het veranderende, dan… degene die we in gedachten menen te zijn, het beeld dat we van onszelf gecreëerd hebben, dat we steeds weer proberen te fixeren, om zeker te zijn, te weten, vast te houden.
Dat het constante in ons, dat wat niet verandert, die veranderingen gadeslaat, als een sneeuwleeuw, als een lynx, een sphinx.