Zoals dit

Zoals Dit

Het toverpapier is wit maar als hij er met zijn zachte handen over strijkt verschijnt het portret van de Christus met de meedogende ogen. Dit gebeurt in hemzelf en nu staan die ogen aan het innerlijke hemelgewelf en kijken liefdevol naar alles wat daar is, naar alles wat er is. Nu richten die ogen zich op en kijken vanuit de innerlijke hemel door zijn eigen ogen naar de wereld.

Ik raak alles om me heen met tederheid aan, omdat ik weet dat we maar zo kort samen zijn. Het gaat langzaam, maar stap voor stap bewegen we ons vooruit in de wetenschap dat wij het zelf zijn die bepalen hoe de wereld er rondom ons uitziet. Er is geen houden meer aan, de liefde in ons zal zegevieren.

Ik las ooit een kort verhaal van een Vlaamse schrijver waarin hij een avond beschreef waarop alles klopte. Hij zou, zo schreef hij, die avond vast en bij zich willen houden als een zakdoek. Zo dierbaar als dat, dat weet ik zeker, kan ons hele leven worden. Onze hele zijnsspiegel schoongepoetst open, heldervoelend. Zo open en helder alsof niet bestaand, alsof zich niets tussen ons en het zijn bevindt.

Het zou kunnen zijn dat u denkt dat wat u hier leest vol is van pretentie, maar zo is het niet. Ik pretendeer niet iets te weten of te zijn. Het enige dat ik doe is dat ik dicht bij mijzelf ga staan en me van daaruit bij de hand neem en al schrijvende naar een plek voer die (nog) beter is dan waar ik al was. Ik neem mijzelf bij de hand en voer mij naar de volgende stap, die zacht en dichtbij voelt. Of u, die met mij meeleest, die stap naar zachtheid ook kan of wil maken heb ik niet in de hand.
In die zin schrijf ik voor mezelf, nee, voor mijn Zelf, en natuurlijk, gelijktijdig of in het verlengde daarvan eveneens voor jouw Zelf.

We hoeven niets vast te houden als een zakdoek, want de zachtheid heeft juist met het voorbijgaan te maken, met de breekbaarheid en tijdelijkheid der dingen.
Zoals dit.

Natuurlijk ben ik Jouw Geliefde

Natuurlijk ben ik Jouw Geliefde

Ik schud mijn glazen toverbol om te zien of het nog werkt, om te zien of er weer wat verrassends uitkomt, iets hemeltergends, iets tongstrelends.
Nog even schudden en dan neerzetten om te zien hoe de sneeuw langzaam neerdaalt en de bekende vormen bedekt en daardoor onbekend maakt, ongekend. Tasten in het duister onder de sneeuw naar wie je meent te zijn. Schudden voor gebruik.
Dit schijnbaar niet perfecte heeft vlak onder de oppervlakte een… hoge graad van volmaaktheid, van juistheid. Scheef in de stoel zitten en het toch als evenwichtig ervaren. De niet-afheid van alles om je heen, de ongeordendheid, als harmonie, als een zacht zingen tot je laten komen.

Het is, eindelijk weer eens ik en mezelf, ik en u, jij en jou. Wij tweeën, jullie beiden, in dit rond zijn, dit af zijn. Wij zijn aangekomen op de plek van bestemming. Niet voor even, maar voor altijd. Wij onderzoeken pijn als iets nieuws, iets dat op eigen wijze meezingt in het grote koor der dingen. Er zijn zoveel melodieën die nog door niemand gezongen zijn.
Er zijn verplichtingen, dat is waar, maar er is de nog veel grotere verplichting om zich daaraan te onttrekken. Om aan de voeten van Jezus te zitten. Zijn voeten met je haren te wassen. Samen te zijn met de geliefde. Het hart te laten breken over het leed van de wereld. Er is geen toeval. Het komt naar je toe om je op rigoureuze wijze te beminnen, je open te breken, je klein te maken en daardoor groot te laten zijn.

Zij woonde in een klein dorpje. Ik schrijf zij, maar ik bedoel natuurlijk ik. Ik woonde in een klein dorpje. Ik heb altijd in kleine dorpjes gewoond. Zelfs steden als Rotterdam, Maastricht en Parijs reduceerde ik moeiteloos tot minieme gehuchten. De bakker, de dokter, de vrouw van de dominee. Ik kende er net zo niemand.
Ze woonde er niet in, maar er juist buiten. Juist buiten het bereik van mensen, het bereik van medelijden, zodat ze in de loop der jaren naar haar eigen vorm was gezakt, compleet haar eigen model had gekregen. Ze had haar eigenaardigheid in grote kleurige bogen op haar eigen hemel geschilderd en daaronder bloeide ze als een merkwaardige bloem tussen alles wat ze vond op land en tuin en straat. Omdat alles een grenzeloze schoonheid had, gooide ze nooit iets weg. Haar schatten stapelden zich op tot meer dan manshoge torens waar ze met blijde trots tussendoor laveerde, terwijl een gigantische blauwe regen die het kleine huisje in een intieme wurggreep had, een dodelijke omhelzing, het slotakkoord vormde van een symfonie van kleuren en vormen, van planten en dieren die zich, aangetrokken door de wet van het toelaten, van tuinhek tot aan voordeur hadden opgehoopt.
Toen ik er op bezoek kwam, door de tuindeur uiteraard, daar de voordeur en het halletje al sinds heugenis, een half mensenleven, een eeuwigheid dus, volledig ontoegankelijk waren, ontgroef zij mij een stoel. Beeldhouwde, schatgraafde, archeoloogde zij mij een stoel vanonder stapels oude kranten en verpakkingen. Ik was de koning te rijk. Ik zat op een troon. Ik was op bezoek bij een echt mens en ik voelde me blij en trots en ook een beetje echt.
Zij ging op zoek naar koffie, maar ze vond thee, en gevulde koeken in drie soorten van onvergankelijkheid: hard dor, zacht droog en pulver licht. Ik proefde, uiteraard, van alle drie een beetje. Het was er licht, de zwaartekracht had er weinig invloed en zij met haar grote lichtblauwe ogen en haar meisjesachtigheid was licht van gemoed, licht van gewicht, als haar eigen over-de-datum-koeken. Ik voelde me gezegend. Ik zat en spoelde droge koek weg met inktzwarte thee. Wij hadden niets te zeggen. Ik had een grote bos ridderspoor meegenomen ter ere van het overlijden van mijn moeder, waarvan zij de getikte vriendin was geweest. Ik ben als haar. Gevormd door dezelfde hand, door dezelfde hand tot milde waanzin gedreven, als wrakhout aangespoeld, uitgeloogd, opgegeven. Even lagen we dus zij aan zij op hetzelfde strand, bezagen elkaar met een blik van herkenning, besnuffelden elkaar als soort- en stalgenoten.
Toen ik wegreed zag ik haar in de achteruitkijkspiegel. Zij stond midden op de weg en zwaaide met wijde armgebaren, alsof wij geliefden waren, alsof wij geliefden waren.
Omdat wij geliefden waren. Omdat wij onze geliefden zijn. Omdat wij zijn als dat wat aanspoelt op een winderig strand. Omdat wij zijn wat wij oprapen en liefkozen, verzorgen als was het te vondeling gelegd. Omdat wij uiteindelijk alleen maar dat zijn wat wij in ons hart te slapen leggen, dat waar wij een bed voor maken.
Wij zijn dat wat aanspoelt en dat wat ons opraapt, wij zijn dat wat ons verzamelt en ons bij elkaar legt als een geraamte van uitgeloogde takken, botten. Wij blazen onszelf tot leven door het zachte weefsel tussen die botten te vormen, door zo zacht, zo leefvoelend te zijn, dat we dat wat toevallig gevonden en bijeengewaaid werd tot eenheid ademen, tot leven leven.
Natuurlijk is zij mijn geliefde, ben ik mijn geliefde, ben ik jouw geliefde.

Zoo Lang

Zoo Lang

In dat lange lijf van mij helemaal van daar naar hier gereisd. Van daar waar mijn voeten in een grazige weide aan de rand van een beek staan naar hier waar ik me hoog in de stad te slapen leg. Mijn lieve lijf zo lang dat ik er niet uit kan vliegen, treinen. Altijd maar weer thuis komen in deze, deze dierbare, dit dierbare. Overal zo thuis zijn, zo kind aan huis, zo vertrouwd.
Ik neem mijzelf mee als een kind aan de hand. Ik vertel mezelf het een en ander over wat er zoal te zien is. Ik maak iets te drinken. Neem stapels door van wat allang geen post meer genoemd zou mogen worden. Ja, ik ben nu hier, nu weer hier in mijzelf. In mijzelf deze kostbare plek weer teruggevonden.

Ik kan mij niet meten aan anderen, omdat ik zo deze ben, omdat ik zo een ongelofelijk lang lijf heb, omdat ik in hier zo thuis ben.
Ik weet dat er veel rumoer is in de wereld, veel verdriet en onzekerheid, boosheid. Zoveel onrechtvaardigheid, zoveel gebrek aan dromen. Ik doe mijn best om er iets van mee te krijgen, maar ik hoor enkel de reflectie, het weerkaatsen van het geluid als van voetstappen in een nauwe straat.
Ik ben zo bereid om… dood te gaan, om achterin de rij te gaan staan, om af te zien van enige aanspraak op, en nochtans krijg ik dit allemaal. Het is bijna te veel.
Nu dit weer, deze woorden. De rubberbanden op asfalt, de tram die over de stalen brug zingt. Mijn beperkte vermogens die juist precies toereikend zijn om… tot hier te komen. Mijn lijf dat precies zo lang is dat mijn voeten de vloer raken. Het brein dat – wat een geluk – bereid is bij tijd en wijle te stoppen, zodat ik uit de gedachtetrein kan stappen in het oneindige landschap van vrijheid. Het hebben van een taal, het hebben van woordvoeten in een oneindig wit sneeuwlandschap.