Nachtleven

Nachtleven

Ik ving een nachtvlinder in mijn koplampen. Wij waren volledige vreemdelingen voor elkaar, ik in mijn machinewezen en dit dartelend vrije in de avondlucht.

Ik kan zien, maar ik ben ook blind. Ik ben voornamelijk een blinde en daarnaast kan ik ook nog zien. Mijn lichaam is als een blinde mol in de duisternis, het voelt zich een weg, het voelt zich een leven als een worm in een appel. De tempel van het lichaam is het voelpaleis, het voelparadijs, het zijnswezen. Het lichaam is altijd met gesloten ogen, naar binnen luisterend. Omat ik met mijn ogen het lichaam kan zien meen ik dat het lichaam zelf kan kijken, dat het zichzelf in licht baadt.
Ik heb nog steeds de onhebbelijke gewoonte om, zoals dat heet, vrouwen met mijn ogen te verslinden. Het is een rudiment uit een vorig leven waarin ik min of meer door mijn libido bestuurd werd.

De handen van de blinde vrouw masseerden mijn schouders maar reikten diep in mijn lijf, rechtstreeks naar mijn lust, mijn sluimerend verlangen. Er was onmiddellijke aanraking en herkenning, de brand sloeg uit, maar toen ik me omdraaide en naar haar keek, blusten mijn kijkers, mijn ogen, de afstandshouders van de ziel, de dienaars van de rechterlijke macht van mijn zogenaamde bewustzijn, ogenblikkelijk het lichaamsvuur. Ik zag haar blinde ogen en ontkende bij hoog en laag dat ik haar gekend had, ik loochende onze diepe verwantschap, onze gelijkheid, onze vriendschap, het diepe weten van mijn blinde lichaam.

De nachtvlinder lichtte helwit op in de koplampen, maar waarschijnlijk was ze grauw. Ze was één met de avondbries en de lichtgevende velden onder een donkere hemel. Ik was een vreemde in een niet-voelend lichaam met ogen op steeltjes.

Transparant Wit

Transparant Wit

Misschien, Deo Volente, als God het wil, Inshallah, als mijn verlangen in het verlengde ligt van Gods verlangen, als ik handel in het verlengde van mijn eigen verlangen, in het verlengde van mijn eigen bestaansgrond.

’S nachts ziet hij alle onderdelen van het huis dat hij aan het bouwen is tot in de kleinste details voor zich en overdag is hij er getuige van dat het gestalte krijgt, precies volgens droomplan. Tijdens het snijden van de gember en de knoflook [hij kookt al jaren hetzelfde] maakt hij steeds weer dezelfde wandeling naar de man die bomen plantte. Die man blijkt nooit werkelijk bestaan te hebben, maar tijdens zijn tocht ziet hij steeds overtuigende bewijzen van het tegendeel.
Als hij aan het eind van de dag zijn ogen weer sluit bouwt hij zijn huis verder af. En zo voort. Totdat de hele droom af is, als een glazen paleis straalt in het breekbare ochtendlicht. Vervolgens spat alles als een zeepbel uit elkaar, maar wonderlijk genoeg gaat daarbij niets verloren. Alles is, net als muziek, gemaakt van het wegsterven van klanken. De samenhang in dat wegsterven, het al of niet aanwezig zijn van harmonie, dat is waar we van genieten.

Ik stel mijzelf weer samen uit de verschillende onderdelen zoals die in allerlei hoeken en gaten van mijn droomwereld verspreid liggen.
Vandaag schilder ik het plafond van mijn gedachten.

Lichaamstaal

Lichaamstaal

In het midden van de nacht aan de haring gedacht.
Hoe zij zij aan zij, zichzelf reflecterend in de ander, de grote diepten doorstromend, samen één gedachte vormen die groter is. Met elkaar spreken door te glinsteren van weinig licht. Dan het plotseling gelijktijdig wenden, de scherpe lijnen van de staartvinnen als evenzovele uitroeptekens.
Die koele frisheid in mij. Het is niet zo dat ik uit die grote diepten een gedicht op wil vissen, zoals een delver naar goud de aarde openbreekt en aldoende de schoonheid vernietigt die hij zegt te zoeken. Ik breng het gedicht van mijzelf naar de diepten van de aarde en kus haar daar, diep in mijzelf wakker. Ik kus de diepere cellen in mijzelf wakker.
De oceaan van de nacht is rondom mij. Ik zwem daarin en u ook. Wij reflecteren elkaars lichaam, dat is wat lichaamstaal genoemd wordt. Wij zwemmen langszij. Wij begrijpen zonder woorden.

De zegen van de crisis. Dat dat wat niet meer werkt door de mand mag vallen. Dat we op zoek gaan om het anders te doen. Dat wat zich hoog boven ons opsloot van zijn toren moge vallen. Dat dat alles in het water valt. Dat wij voer voor vissen worden. Dat wij uiteindelijk weer eens aan de beurt zijn voor onze portie lijden. Dat wij de dieren vrijlaten uit hun gevangenissen, dat wij ze om vergiffenis vragen. Dat de kip in ons, het varken, het kalf, zich kunnen oprichten.
Dat wij weer opzoek gaan in versheid, ongebondenheid, altijd nieuwheid, onaangedaanheid. De haring laten zwemmen in ruim water. Gedachten zich oningeblikt laten laven aan de bron. We hoeven de gezamenlijkheid niet af te dwingen want wij zijn al samen. Vang het weinige licht op dat wij in dit duister refecteren. Laat wat we niet weten onze leidraad zijn. Vervel, wees nieuw! Wees neus van haring.
Herstel het oude niet.