Laatste Schaapwoorden [VIII] December 30, 2009
Posted by ideeflux in : Het Hart Helen , add a comment
Mmmm. De ochtendzon over sneeuw. Ikzelf in een kamer die zijn bestemming nog moet krijgen, een ruimte vol leegte, vol van verwachting.
Er zijn altijd mogelijkheden om dat wat je wenst dat komen gaat nu reeds te proeven, nu reeds naar je toe te halen. Dat wat je graag wil moet er in zekere zin al zijn, anders kan het immers niet komen.
Het is goed als we het einde scherp voor ons zien, dan kan het verhaal zich al gaande een weg banen naar waar het einde als een stralend baken in de donkere nacht staat.
We waren – zo begon het – vanuit Leiden naar de Prinsenhof in Delft getogen om de tentoonstelling van Dirk Bouts te zien. Als vijfjarige vergaapte ik me aan de Middeleeuwse wreedheid van vierendelingen, afgehakte borsten en het hoofd van Johannes de Dooper op een schaal. Omdat het kunst was, was het veilig.
Net voordat we weggingen liep ik door het poortje heen en keek, met mijn rug naar de kerk over het brugrijke perspectief van de Oude Delft. Het was alsof ik wegschoot in een reeds levende toekomst, of ik me op dat moment voor even verloor in dat wat voor een substantieel deel mijn leven zou worden.
Het verhaal dat ik – nog altijd – bezig ben te schrijven moet hier zijn glorieuze einde vinden, maar dan met een omgekeerd perspectief, dus vanaf één van de bruggen in de richting van de Oude Kerk, waarvoor ik als vijfjarige in de toekomst sta te gapen juist voor mijn moeder me in mijn nekvel grijpt om me – voor even – de veiligheid van de auto in te sleuren, ver weg van alle vleselijkheden waar Dirk Bouts zojuist mijn ogen voor geopend heeft.
Zij waren met elkaar in gesprek geraakt, de oude witte krokodil en het meisje. Eerst zwijgend, stamelend, woord voor woord. Angstig, verlegen, vanuit wederzijdse gereserveerdheid, bevooroordeeldheid jegens zelf en ander. Dat dit onmogelijke gesprek plaatsvond was omdat ze beiden niets meer te verliezen hadden.
Op een avond – er moet een maan geweest zijn want ik weet nog goed hoe ik kon zien hoe bij mijn vriend, die zich nog altijd in zijn schuilhoek bevond, de tranen over zijn wangen stroomden – strekte het meisje haar arm over het roerloze water en legde haar hand zonder te aarzelen op de schubbige kop van de krokodil, juist tussen de eilanden van zijn ogen, die zich ogenblikkelijk sloten om als hongerige vissen op zoek te gaan naar de ongehoorde warmte die zich langzaam in zijn voorhoofd verspreidde.
Vanaf die dag is alles snel gegaan, zonder dat mijn vriend de ontwikkelingen verder nog heeft afgewacht. Tot diep in de nacht sleutelde hij aan zijn motorfiets, aan zijn reptielachtige vriend, zijn prehistorische monster, zijn dierlijke zelf. Het ging goed en voorspoedig, hij humde en zong dwaze liedjes, kinderliedjes, zelfgemaakte wijsjes en woorden, wreef zich met zwarte olie over het voorhoofd terwijl hij voor zijn geestesoog langs hel bemaande hemel scheerde.
De krokodil zelf kreeg ondertussen zijn groene kleur terug, want toen meisje haar hand weghaalde was er een groene afdruk tussen de borsten van zijn ogen blijven staan in de vorm van… ja, inderdaad, een soort van vijgenblad, die zich na verloop van tijd als vanzelf over zijn hele lichaam uitspreidde.
Een lange of een korte tijd later waagde zij zich zelfs wijdbeens op de gladde knokige rug en na de eerste voorzichtig rondjes in het botenhuis waren de krokodil en het meisje steeds stoutmoediger geworden, en allengs verkenden ze het nachtelijke zwart van de Delftse grachten tot ze uiteindelijk in volle glorie het einde van dit verhaal binnenvoeren. Over de Oude Delft richting de van verbazing en verrukking opengevallen mond van mijn vijfjarige zelf terwijl mijn vriend op zijn motorfiets grommend van vreugde een perfecte cirkel maakte, rond de torenspits van de Oude Sint Jan, rond de maan, rond de verre planeet van zijn eigen hart.
Zoo Lang December 1, 2009
Posted by ideeflux in : Lieve Gedachten , add a comment
In dat lange lijf van mij helemaal van daar naar hier gereisd. Van daar waar mijn voeten in een grazige weide aan de rand van een beek staan naar hier waar ik me hoog in de stad te slapen leg. Mijn lieve lijf zo lang dat ik er niet uit kan vliegen, treinen. Altijd maar weer thuis komen in deze, deze dierbare, dit dierbare. Overal zo thuis zijn, zo kind aan huis, zo vertrouwd.
Ik neem mijzelf mee als een kind aan de hand. Ik vertel mezelf het een en ander over wat er zoal te zien is. Ik maak iets te drinken. Neem stapels door van wat allang geen post meer genoemd zou mogen worden. Ja, ik ben nu hier, nu weer hier in mijzelf. In mijzelf deze kostbare plek weer teruggevonden.
Ik kan mij niet meten aan anderen, omdat ik zo deze ben, omdat ik zo een ongelofelijk lang lijf heb, omdat ik in hier zo thuis ben.
Ik weet dat er veel rumoer is in de wereld, veel verdriet en onzekerheid, boosheid. Zoveel onrechtvaardigheid, zoveel gebrek aan dromen. Ik doe mijn best om er iets van mee te krijgen, maar ik hoor enkel de reflectie, het weerkaatsen van het geluid als van voetstappen in een nauwe straat.
Ik ben zo bereid om… dood te gaan, om achterin de rij te gaan staan, om af te zien van enige aanspraak op, en nochtans krijg ik dit allemaal. Het is bijna te veel.
Nu dit weer, deze woorden. De rubberbanden op asfalt, de tram die over de stalen brug zingt. Mijn beperkte vermogens die juist precies toereikend zijn om… tot hier te komen. Mijn lijf dat precies zo lang is dat mijn voeten de vloer raken. Het brein dat – wat een geluk – bereid is bij tijd en wijle te stoppen, zodat ik uit de gedachtetrein kan stappen in het oneindige landschap van vrijheid. Het hebben van een taal, het hebben van woordvoeten in een oneindig wit sneeuwlandschap.
Kom November 28, 2009
Posted by ideeflux in : Het Hart Helen , add a comment
Ik ben zowel in als buiten mijzelf aanwezig.
Alles vindt niet alleen zijn einde maar ook zijn oorsprong in deze die ik klaarblijkelijk ben. Het is… alomvattend. In Mij lost alles zich op. Mijn innerlijke ruimte is zo groot als de wereld. Vrede zij met U.
Alles keert zich om. Het hart dat eerst een bron van onrust leek wordt een oceaan van stilte, een paleis van vrede. Elke vreemdeling is er welkom, de paleisdeuren staan altijd open. Elke morgen schrob ik de stoepen. Wie woont er in dit mooie paleis, wordt er aan mij gevraagd. Ik weet het antwoord niet, maar in mijn grenzeloze onnozelheid probeer ik er natuurlijk wel iets over te zeggen. Het moet de schittering van schoonheid zijn die ik door mijn jarenlange schrobben naar binnen gelokt heb. Of misschien is het juist andersom. De schoonheid die hier woont heeft mij tot schrobben aangezet. Dan begin ik te stamelen en uiteindelijk spreek ik waarheid. Ik… ik weet het niet, ik ben enkel de toegewijde dienaar van degene die hier woont.
Open het zeil voor de wind.
Laat je blazen. Gooi de gebroken kom niet weg. Behandel haar met tederheid en je kan nog jaren plezier aan haar schoonheid beleven. De barst die je ziet is de plek waar het licht door naar buiten zal stromen.
Kom Terug November 28, 2009
Posted by ideeflux in : Kaïn en Abel , add a comment
Ik zet mijn eerste stappen in het versbesneeuwde wit van deze ochtend.
Dat beeld verdwijnt gestaag als ik verder wandel, want als ik straks al mijn voetstappen met één oogopslag kan overzien lijkt er van dat wit maar weinig meer over te zijn.
Alles wat gezegd is, al onze gebaren blijven bestaan. De ziel van ons hart, zij/hij die onze zuivere leidraad is, raakt ermee bespikkeld, besmeurd. Wij proberen hier en daar een vlekje weg te poetsen, maar het lijkt wel of we ons wezen nooit meer helemaal schoon kunnen krijgen. Het verdriet daarover verleidt ons vaak tot drieste daden. Het opsteken van toch maar weer een sigaret bijvoorbeeld. Uit onvrede met onze schijnbare beperktheid herbevestigen we doelbewust het bezoedelde in ons, om daarmee het door ons ingebeelde noodlot definitief over ons af te roepen, alsof we de herinnering aan het verloren gewaande licht met wortel en al uit willen rukken, uit willen drukken als diezelfde sigaret, zodat het ons niet meer kan pijnigen met haar zoete herinnering.
Spreek nu vanuit dat wat al die tijd schoon is gebleven. Luister van daar uit. Het kan pijnlijk zijn om te erkennen dat hij/zij er nog steeds is. Ongeschonden, gaaf, veelbelovend, heel, wonderbaarlijk oprecht, zuiver, mededogend. Als je je met die plek in jezelf durft te verbinden kan het niet anders zijn, dan dat je je oorspronkelijke schoonheid terug zult vinden. Zij is nog altijd daar, als het wit onder de woorden, de roos onder de sneeuw, de sneeuw van het wit van de morgen.
Verheug je daarover. Verblijf daarin. Vereenzelvig je daarmee. Leef vandaaruit. Vanuit die plek doorschenen verliest dat waarmee wij ons eens bespikkelden, besmeurden, dat waar wij ons verzwelgend in onderdompelden, alle kracht.
Maria is een verbeelding van onze innerlijke zuiverheid.
Nog nooit is er iemand geweest die zich tevergeefs beriep op haar goedertierendheid.
Bid tot Maria, Heilige Maagd Maria bid voor ons.
Maria die in ons is, bidt altijd voor ons.
Ik Bid voor Maria in ons.
Ik ben Maria in mij.
Het Graven Zelf is de Schat November 19, 2009
Posted by ideeflux in : Gedichten , add a comment
Ik weet dat hier iets kostbaars in de aarde ligt
in mijn hart
in mijn manier van doen
in mijn hier aanwezig zijn
in mijn manna-creëerende aanwezigheid
ik heb zolang door de woestijn getrokken
mijn volk mort
mijn maag knort
ik heb mijzelf zolang aan het lijntje gehouden
met boodschappen als
we zijn er bijna en
de reis is het doel
ik zet geen stap meer
want als het ergens is
dan is het hier
als het ooit is
dan is het nu
ik blijf hier
tot dit zand vruchtbaar land
tot deze onbeschreven witte woestenij
een weelderige tuin
tot ik wortel schiet en openbloei
in kleur en betekenis
totdat ik ben
wat ik ben
Uit de Kraamkamer van de Geest November 7, 2009
Posted by ideeflux in : Kaïn en Abel , add a comment
De Visserkoning is ziek. Er staat een zwaard in zijn hart geplant. Zijn hart is als steen en zuigt zich om het zwaard. Niets komt nog tot beweging. Degene die het zwaard eruit weet te trekken zal de nieuwe koning zijn. Zij die proberen het zwaard uit het hart te trekken gebruiken hun niet geringe spierkracht, maar dat werkt niet. Natuurlijk werkt dat niet, want dat is immers juist waar de koning zo ziek van geworden is, het gebruik van spierkracht heeft het hart tot steen gemaakt.
Er is iemand die het zwaard eruit kan trekken. Hij loopt al rond, maar niemand kent nog zijn naam. Het is het jongste in mij, degene die zijn hele leven alle wijze lessen heeft opgeslorpt die hij van gene zijde aangeboden gekregen heeft.
Uit dat wat de oorzaak van ziekte, pijn en strijd is, wordt haar genezing geboren. Zo is Jezus geboren, onbevlekt ontvangen in een donkere wereld. Geboren, niet uit vlees, maar ergens uit een holle ruimte van het hart, ergens uit de kraamkamer van de geest. Hij was een visser, hij viste naar de zielen van mensen. Hij viste naar zijn eigen ziel in die van andere mensen. Zonder die andere zielen was hij reddeloos verloren, zou zijn leven geen zin gehad hebben. Wij maken dat Zijn leven zin heeft door het onze zin te geven. Wij vissen naar zijn ziel. Hij klampt zich vast aan elke uitgeworpen lijn.
Wij bouwen ons een huis om het te verlaten, wij vinden een geliefde juist om naar haar op zoek te kunnen gaan.
Ik lag ziek te bed in mijn kasteel van illusies. Ik ijlde. Ik zweefde boven de aarde. Mijn bloedmooie dochters draafden af en aan alsof… alsof er iets geboren stond te worden. Ik was het bloed van Jezus, uitgestort in een gouden beker. Ik liet mijzelf zien aan iedereen die wilde, die nieuwsgierig was. Ze herkenden me niet, of ze vergaten de juiste vraag te stellen.
Nu weet ik ondertussen de juiste vraag wel omdat ik haar ergens gelezen heb en ik stel haar zonder haar wezenlijke betekenis te doorgronden, en zelfs dat maakt niet uit want het juiste antwoord komt toch altijd.
Wat dient de graal, wat dient het bloed van Jezus?
Dat kan enkel het jongste in mij zijn, datgene dat al die tijd de wijze lessen van de oude wijzen via osmotische druk door de huid naar binnen heeft laten sijpelen.
Eindelijk is het moment aangebroken waarop alle raderen die van te voren zo zorgvuldig op elkaar zijn afgestemd in elkaar grijpen. De tijd kromt haar rug en de hele machinerie van leven komt in beweging. Het jongste in mij grijpt het zwaard dat in Zijn hand licht als een strootje is. Hij lacht, hij is licht van gewicht, zwaardloos, baardloos. Hij trekt het zwaard dat ogenblikkelijk verandert in een levende slang, de staf van Mozes. De fontein van levenswater, van bloed wordt moeiteloos opgevangen in de gouden schaal die op datzelfde moment aan zijn reis begint naar het beloofde land. De jongeman wordt tot Koning gekroond. Hij zal zijn eigen bloed achterna reizen.
Later, als zijn hart versteend is, is uit diezelfde verstening alweer allang een nieuwe god geboren, een nieuwe gezegende. Wij verneigen ons voor dit raadsel.
Wij dienen de graal met ons eigen bloed.
Wij betalen met ons ziek zijn voor onze eigen gezondheid.
Wij zijn visser naar onze eigen ziel.
Het Allerkostbaarste in Mij November 4, 2009
Posted by ideeflux in : Kaïn en Abel , add a comment
Wat is er van Prins geworden, van Mozes? Zij hebben hun tenten opgetrokken aan de voet van de stad die zij belegeren. Wat zij begeren bevindt zich binnen de muren. Door de stad te belegeren maken zij haar ontoegankelijk voor zichzelf. Het beloofde land blijft ver weg, juist omdat ze het willen betreden. Eigenlijk leven ze al sinds mensenheugenis in het beloofde land maar ze zijn niet in staat om dat werkelijk te ervaren door de muren van verlangen die ze om zichzelf hebben opgetrokken. En nu wankelen hun eigen muren, zoals ze hoopten dat de muren van de stad die zij belegeren zouden wankelen.
Prins is op zoek naar de gouden hanger met het gouden hart. Het hart dat open zou zijn naar de hele wereld en tegelijkertijd de hele wereld in zich zou weerspiegelen. In de plaats daarvan heeft hij nu een elektronisch apparaat omgehangen gekregen. Het meet zijn hartslag. Het meet de mate van zijn begeerte, het meet de afstand die Prins heeft tot de vervulling van zijn verlangen.
Mozes wilde vrede. Hij kwam aanzeilen in een biezen mandje. Als in een droom, als in een sprookje. Hij werd als een geschenk ontvangen door degene die hij moest verlaten met medeneming van wat hij dacht dat het zijne was, als een koekoeksjong, als een Paard van Troje.
Wij hebben een adder aan onze borst gedrukt! Later sprong Mozes staf als een adder uit zijn hand. Als een vage herinnering daaraan. De wereld is een berg. Wij schreeuwen. De echo komt naar ons terug. Elke brief komt terug naar de afzender.
Dat wat zich uitverkoren waant, meent zich te moeten afzonderen. De exclusiviteit van het gesteente verdient een bijzondere plek. Daarom is er een slotgracht rond een kasteel, beschermt een draak de parel, staan er muren rond een hart.
Dit land waar wij klein gehouden worden, tot slaaf gemaakt zijn, kan onmogelijk ons land zijn. Het land waar wij open kunnen bloeien tot onze oorspronkelijke schoonheid moet ons beschutten, moet ons veilig maken. Er staan hoge muren rond dat land. Het zijn die muren die Mozes verhinderen dat land te betreden, en daarom is Zijn Volk, alhoewel aangekomen, nog altijd onderweg.
Wat van waarde is, deelt zich, laat zich openploegen, vruchtbaar maken. De parel is op het land, niet in de toren, in het lijf, niet in het hoofd.
Prins breekt zich het hoofd. Hij zoekt zich de muren rond zijn hart te breken, maar niet zijn hart. Hij zou zich uit willen laten stromen als een brede zachte rivier, het land willen bevloeien, zou tot bestaan willen durven komen door op te lossen. Zijn schil willen breken naar het leven. Trouw te zijn aan zijn hoge geboorte door de privileges ervan op te geven.
Ondertussen is er paniek in de onmetelijke paleizen van de zonnekoning. Vanaf deze plek is er geen schaduw zichtbaar. Wij zijn immers het licht.
Dan klinkt het bericht: onze slaven zijn gevlucht. Dat wat in onze schaduw leefde, dat wat voor ons onzichtbaar was en ons van daaruit moest dienen, gaat zijn eigen weg, slaat zich een weg door water [verwerft meesterschap over haar gevoelens] en verdwijnt, ons berooid en eenzaam achterlatend. Nu moeten wij voortaan weer onze eigen was doen, zijn we weer slaaf van onszelf. Het goud van wie we dachten te zijn werd door hen bijeengebracht en nu hebben zij ons verlaten en zij nemen ons goud met hen mee.
Zoo is het nu, in deze tijd. Wij leven in onze lege paleizen. Niets geeft ons leven zin dan dat wij anderen voor ons de was kunnen laten doen, de hete kastanjes uit het vuur kunnen laten halen. Zij leiden [en lijden] hun leven voor ons. Natuurlijk zijn zij het uitverkoren volk. Dat wat zich opricht en haar eigen weg gaat is door die handeling alleen al gezegend.
Wij zijn van het oude land, van het land van de zonnekoning, de farao. De tekens staan op de muren geschilderd. Nog steeds lijkt het of ze over de muren naar binnen willen klimmen, alsof dit het beloofde land is. Maar spoedig begint de uittocht. Dan staan wij plotseling met lege handen aan de buitenkant van onszelf. Wij waren het paleis, nu zijn we de vlakte, wij waren vervuld, nu zijn wij verlangen. Langzaam zal het leven weer bezit van ons nemen zoals de wilde roos haar rechten herneemt wanneer zij uitbreekt van onder het wezensvreemde, het gecultiveerde dat op haar geënt is.
Prins weet al dit, maar hij weet nog steeds niet hoe hij er chocolade van kan maken. Hij weet niet aan welke zijde zijn boterham gesmeerd is.
Wij moeten onze eigen weg gaan. Als er iemand uitverkoren was, dan was jij het, lezer. Jij moet je weg gaan, zoals ik op zoek ben naar de mijne.
Mijn weg is deze die zich naar de poorten van mijn eigen stad geleid heeft, alwaar ik mijn tenten heb opgeslagen. Ik wil met alle geweld de schat die zich binnen de muren bevindt. Ik ben zelf de schat die zich binnen mijn muren bevindt. Ik houd mij stil, bang dat de mokerslagen van mijn bevrijders juist dat wat het kostbaarste is in mij zullen vernietigen. Ik ben het kostbaarste in mij.
Ik weet niet anders dan me in de vorm van deze woorden door een bres in de muur naar buiten te wurmen en achter de rug van de belegeraars om een rondedans te doen, van vreugde, van goddeloze verlatenheid, van extatische vrijheid.
Marta October 31, 2009
Posted by ideeflux in : Kaïn en Abel , add a comment
Het is verrassend wanneer uiteindelijk de vrede komt, de gezalfde, de verlosser.
Staan we ons hele leven op de uitkijk dan gebeurt er niets, maar richten we ons leven zodanig in dat ons lichaam, ons huis, een waardig onderkomen voor Hem zal zijn dan is Hij onvermijdelijk en onmiddellijk aanwezig.
Maak het huis gereed en Zij zal komen. Het gereedmaken van het huis is hetzelfde als het welkom heten van Haar, hetzelfde als Hem in de mooiste kamer te slapen leggen.
Natuurlijk komen er dan vragen, in het holst van de nacht. We hebben nu zo’n Hoge gast, zal Hij wel willen blijven, wat geven we Hem bijvoorbeeld voor ontbijt? Een gebakken of een gekookt ei? Moet het dan ‘sunny side up’ zijn of doorgeprikt, hard of zacht gekookt? Als Hij van ons vraagt warm of koud te zijn, maar niet iets ertussen in, dan zal dat met Zijn Ontbijt ook wel zo zijn. We draaien ons om in bed, we woelen onszelf wakker en als we de volgende ochtend onuitgeslapen beneden komen, is Zij allang vertrokken.
Laat het kinderlijke in u tot mij komen, het niet-berekenende, het spontane, het goedgelovige, het naïeve, het onschuldige. Wees dat deel van u dat zich naar mij toewendt als naar een vuur. Laat mij de weerschijn van dat vuur op uw gezicht zijn,
Kom lieve mensen, kom. Kom naar het vuur, kom naar de warmte. Wees welkom, zoek jezelf een lekker plekje, schuif maar een beetje op, ja, er is heus plaats voor iedereen. Wat zal het zijn? Een lekker bakkie koffie, een kopje thee, chocolademelk misschien. Koekje erbij?
Och, het is zo heerlijk dicht bij het vuur te zijn. Buiten schijnt de zon verlokkelijk op allerhande mooi dingen, maar soms is het belangrijker je te concentreren, je van binnen te verzamelen, jezelf bijeen te brengen bij het innerlijke vuur.
Hier sta ik dan, met mijn schort voor, met mijn armen in de zij. Ik sta hier in levende lijve voor jullie, maar jullie hebben waarschijnlijk geen van allen het flauwste benul wie of wat dat ik zou kunnen zijn, want – dat weet ik wel – jullie zijn hier eigenlijk helemaal niet voor mij gekomen, jullie zijn, buiten de koffie dan, eigenlijk helemaal niet in mij geïnteresseerd. Jullie komen voor m’n zus, de schat, die lieve trut. Alles en iedereen die hier langs komt, komt enkel en alleen maar voor m’n zus, omdat zij zogenaamd de godganse dag niets beters te doen heeft dan bij Jezus te zijn, aan Zijn voeten te zitten.
Eerst wascht ze Zijn voeten, daarna wrijft ze ze droogh met heur lange roode haaren, om ze vervolgens met olie te zalven. Ik heb dit plaatje nu zo vaak gezien dat ik het kan dromen, dat ik het kan dromen en niet meer aan kan zien. Ik kan haar niet meer zien. Wij hebben zooveel gasten die voor Hem komen of voor Haar en wie zet de koffie? Wie bakt het brood, de visch, wie doet de afwas, veegt de vloer? Ik weet het, gij komt aldemaal helemaal niet voor mij en toch is het tijd dat ik eens een hartig woordje met u spreek. Gij komt voor mijn zus, die lapzwans , die luilak, die uitvreetster. En maar van Jezus dit en Jezus dat, zoete broodjes bakken, mooi weer spelen en wie houd de boel hier draaiende? Ik zei de gek.
U denkt dat ik jaloers ben? Misschien. Misschien is dat zo. Natuurlijk, ik wil ook hetzelfde als gij, ik wil ook van het geluk van de wereld proeven, van de vrede, in vrede zijn, rust, bij Hem zijn, zoals gij wilt gaan naar Maria Magdalena, gij wilt het zoete verhevene, het goddelijk en lieflijke samenzijn en ik… ik geef u enkel het gevoel dat ik u de weg blokkeer. Ga toch weg mens, dat is wat u denkt. En jazeker, u heeft gelijk, ik barricadeer u de weg met stoffer en blik, met bezem en vaatdoek met hart en ziel. Want zal ik u eens wat vertellen? Er is geen weg tot Haar dan langs mij, geen weg tot Hem dan door mijn nauwe straatje. Wie Magdalena wil bereiken zal eerst voorbij Martha moeten zien te komen. En ik laat u hier niet voorbij gaan zonder dat dat u uw deel doet, zonder dat u uw aandeel heeft gedaan in de hier voor de hand liggende huishoudelijke werkzaamheden. Begrijpt u mij, ben ik duidelijk?
Gij komt niet tot Hem dan door mij, niet tot de geest dan door het vlees, niet tot de honing dan door het bloed, niet tot de Lotus dan door het slijk, niet tot het hoogere dan door het dal van het diepste donker.
Uitgeput laat zij zich achterover op een stoel vallen, met haar roodgevlekte werksterhanden trekt zij haar schort en haar rokken omhoog om derzelven wat lucht te verschaffen. Wij zien een paar stevige harige benen met roode en paarse vlekken, eeltige voeten en hielen, gelige teennagels waarvan sommige gebroken zijn. Niets is daar gezalfd of geheiligd. Niets is daar voor ontvangst van Hem gereed gemaakt.
Dan staat zij weer op, met fonkelende ogen, lichtjes zwaaiend op haar benen alsof… alsof ze in trance is. Wie hier maakt het huis voort Hem klaar, wie dekt de tafel, zijn bed, wie kookt zijn eten? Wie maakt het dat dit een welkom huisch is, wie heeft de ramen gelapt, de vloer geschrobd, wie heeft zich het vel van de handen gewreven, van de knieën, van de ellebogen?
Maak uw huisch voor Hem gereed, jawel, op de knieën uws aanschijn zal gij zijn weg bereiden, totdat uw hart zingt bij elke daad, bij elke ademtocht, bij elk bord dat gij wascht en droogt en stapelt en wascht en droogt en stapelt. Stapel zijn geluk, zijn zegen in uw voorraadkasten, in uw bezemkast. Stapel uw plichten als uw zegeningen, zie dat elk gebaar van uw handen u dichter brengt naar Hem.
U denkt misschien nog steeds werkelijk dat we twee zijn, Magdalena en ik, dat we twee gezusters zijn, dat we twee onderscheiden personen zijn, omdat het zo geschreven staat. U denkt in uw verdwazing dat u de ene dient te vermijden om bij de andere te komen, maar wij zijn van tweeën één. Wij wonen immers in hetzelfde huis, zij en ik, wij zijn één en dezelfde persoon. Wij zijn twee handen op één en dezelfde buik. Waar ik mij afzwoeg, daar zingt mijn hart, waar ik de vloer schrob, zit ik aan de voeten van Jezus. Mijn schrobben is het waschen van Zijn voeten, het schrobben van Zijn voorhuid. Het maken van Zijn bed is als het Slaapen met Hem.
Draag uw ziel in zaligheid, breng uw hart waar uw handen zijn en uw handen waar uw hart is. Doe uw werk zingende, open de ramen, lucht uw huis, serveer hem bij het ontbijt wat u het liefste eet, wat u het beste voedt. Zalf uw voeten, knip uw nagels. Wees een welkome woning voor hem, want U bent Zijn huis, zijn schuilhoek, zijn vluchtplaats. U bent de Tempel des Heeren.
Het was in Santo Domingo October 25, 2009
Posted by ideeflux in : Een nieuw Begin , add a comment
Vol verwachting de post van de dag open gemaakt. Het is een blanco pagina. Wow! Een hele witte pagina die ik zelf in mag vullen, een blanco check die ik aan mezelf, jou of natuurlijk het liefst aan beide uit kan schrijven. Een hele lege dag, een open leven, een onbezoedeld geweten, een woestijn van gedachteloosheid, een brein zonder einde, een smetteloos hart.
Alles staat roerloos stil. Alleen ik beweeg door het dauwbedrupte struikgewas. Ik luister of ik een woord kan horen, of ik van binnen iets te horen krijgt dat mij zegt welke kant ik op moet gaan. Ik loop voor de kleine kudde uit. Net op het moment dat mijn vader, moeder en zusje mij op de rug kunnen zien verdwijn ik zogenaamd onafhankelijk, zelfbewust, nieuwsgierig om de volgende bocht. Honden lopen vaak op precies die afstand voor hun baas uit.
Het is nog vroeg in de dag, vroeg in mijn leven. Vandaar de dauwdruppels. Ze liggen niet op de planten om mij heen, maar op mijn ziel. Ik ben immers de eerste die al dit moois ziet. De lucht die ik inadem is zo zuiver! Dit wordt het Adamsgevoel genoemd, het gevoel de eerste mens op aarde te zijn. Ik zing. Ik zing een liedje dat ik op de radio gehoord heb. Ik voel me groot en stoer, omdat ik dat liedje ken, omdat ik voorop loop omdat alles zo mooi en nieuw is.
Ik was in de kroeg geweest en daarna nog bij iemand thuis. Ik had dan wel het een en ander gedronken, maar ik was helder genoeg om te zien hoe veelbelovend en nieuw de nog jonge dag was. En in mij was een verlangen om… ja om voort te leven, om méér te leven, om uit het leven de laatste druppel te persen en dus kon ik niet naar bed. Mijn benen brachten me naar de halte waar juist de tram aan kwam rijden. Ik was op weg naar zee. Ik werd naar zee geschommeld, gedoezeld, gerammeld en bij het eindpunt schudde de tram zich leeg, leegde haar ingewanden, braakte me uit. Zij baarde me en ik rolde als vanzelf naar het rulle zand, de waterlijn, het golf-bewegen, de stilte van de eindloze verte.
Later lopend naar het Noorden zag ik een bordje Verboden Toegang en ik wist onmiddellijk dat ik daar moest wezen. Ik verbeeldde me te zeggen – als ze me iets zouden vragen – dat ik gedacht had dat het bordje betekende dat het strand verboden was. Ik grinnikte nog wat na om mijn grapje toen ik achter de duinen op een wel heel adembenemend mooi stukje van onze aarde terecht kwam. Allerlei planten en kromgewaaide bomen waarvan ik de naam niet kende omzoomden een strandje aan de rand van een klein meer. Ik was onmiddellijk uit de kleren, en liep rond in wat ook wel het Adamskostuum genoemd wordt. Ik was naakt en de natuur om mij heen was mijn geliefde. Ik gleed met mijn hele lijf bij haar naar binnen, in het roerloze koele water.
Later terug op het strandje paradeerde ik rond met mijn onbesuisde erectie, zo vervuld van verlangen, van liefde, van schoonheid dat ik me er geen raad mee wist. Waar kon ik het brengen, mijn hartstocht, mijn zaad, mijn vruchtbaarheid? Aan de rand van het meertje ben ik toen op het strandje gaan liggen en daar heb ik gedaan wat ik later hoorde dat Aboriginal mannen tijdens vruchtbaarheidsrituelen doen. Ik maakte een gat in het strand, ik opende moeder Aarde, teder en voorzichtig en vervolgens nam ik haar. Ik stak mijn verlangend lid tussen haar zanderige volle vochtige lippen, ik stak haar waaruit ik voortkom, de moeder van alles, aan mijn stijve penis, strekte mijn armen en benen uit om haar in haar oneindige volheid volledig te kunnen omvatten en zo, terwijl zij en ik met duizelingwekkende snelheid om elkaars as door de eindeloze ruimte draaiden, kwam ik grommend van leven in haar klaar. Zonnen, sterren, manen, planeten, alles danste om ons heen, alles lachte, en zong, alles was oneindig jong.
En zo is het gebeurd. Zo heb ik dus, in mijn onbezonnen jonge jaren, op een onbewaakt ogenblik, op een moment van ontroering, van begeerte en verlangen, dit universum mede tot ontstaan gebracht.
Creatie October 24, 2009
Posted by ideeflux in : Een nieuw Begin , add a comment
Dit is heerlijk. Dit… aanwezig zijn in… dit. Dit in dit aanwezig zijn. In dit wat is: het aanwezig zijn.
Wij waren in elkaar aanwezig als man en vrouw. Enkel ademend. Ik en mijzelf als een enkele persoon. Eindelijk samen. Zolang zoeken en dan eindelijk onverwacht toch nog vinden. Juist door op te houden met zoeken.
Altijd maar denken dat je eerst een huis moet bouwen voordat je onderdak kunt zijn, dat je eerst moet eten voordat je vervuld kunt zijn, eerst moet baden voor je schoon bent, eerst gezond moet zijn voordat je heel bent.
Ik altijd maar denken dat je eerste een idee moet hebben en dat dan de woorden komen. Maar het is andersom. De woorden komen gewoon uit zichzelf, schuchter, snel, stoer, verlegen, de één na de ander, als kinderen in een klas. En ze voegen zich in rijen, zwermen uit, baldadig spelend, vrij en ongebonden, om dan opeens, als op afspraak, weer terug in de rij te komen, zoals ooit op het schoolplein: in de file, de rij voor het loket, bij de bakker, de koffieautomaat. Steeds staan ze weer in een andere volgorde, steeds krijgen ze door weer een andere context een andere betekenis. Door dat zwermachtige bewegen worden ideeën geweven, gedachtes uit louter lucht bij elkaar gebreid krijgen gestalte, benen, armen. Zo breien wij onszelf bij elkaar, wij ontlenen onze betekenis aan onze plaats in de rij en geven door onze aanwezigheid de rij betekenis. Deze hele creatie is net zo licht en luchtig als wijzelf, want in den beginne was het woord en dat woord staat nog steeds aan het begin. Aan het begin van elke zin, van elke stap, elke daad, waarmee wij de gedachte structuren bouwen die aan onszelf een zin geven.
door wijze dingen te zeggen word je verstandig
door heel te zijn gezond
door schoon te zijn was je jezelf
door vervuld te zijn word je gevoed
door onderdak te zijn wordt je huis gebouwd.