Geurspoor January 13, 2008
Posted by ideeflux in : Buikspreker, +++ , add a comment
Een beetje stijf, diagonaal in mijn eigen lijf als een plank in de hoek van de kamer. Waar zijn de levenssappen? Ik kijk om me heen. Nee, ik weet zeker dat dat wat ik zoek niet ver kan zijn, iets als muziek of een geur of iets anders, een herinnering bijvoorbeeld. Het leven is een onverwacht fonteinhoofd. Je kan elk moment de levensader raken waaruit de sappen huizenhoog opspuiten. Wees daarop voorbereid, op het onverwachte, op dat waar je nooit van hebt durven dromen. Dat wat zich in je droom openbaart kan even later in dat wat je je werkelijke leven noemt voor je staan. Die scheidslijn is een illusie. Je bent deze en gene, je bent de smachtende in de woestijn èn je bent het water dat vlak onder de oppervlakte wacht op de juiste gelegenheid om tot een uitbarsting te komen. Het enige dat jij kan doen is jezelf aan kant te maken, open te schenken. Schenk leeg de kop van je hoofd. De te hete thee van jouw denken-te-weten brandt alles weg wat een container zou kunnen zijn voor het ongedachte. Let niet op mijn woorden, luister naar de muziek ervan. Probeer me niet te volgen of te begrijpen, laat je verstand verdwalen in de zijpaden, laat haar achter in het bos als Hans en Grietje en wacht. Zie hoe ze groot en gelouterd het bos weer uitkomen. Vraag je niet af hoe dat kan, vertrouw op de vreemde adem van het leven, de dingen die zich voordoen, de dingen die net even anders uitpakken dan dat jij ze gepland had. Je moet het geurtje van God volgen, dat zei je weet wel, die mooie man die nu terug is in Samarcand. Michel kwam op de muziek af. Op één of ander manier, zegt hij, volgen we allemaal het spoor van dat hart met die vleugels. Toen Maryam vijf jaar oud was stond ze op het balcon van haar ouderlijk huis. Haar vader was slager als ik me niet vergis, maar zij begon langzaam te draaien. Onder de sterrenhemel. En alles draaide en zong. De wereld is woordloos en… redeloos. Dat wil je niet graag horen, ik zie het, je gezicht betrekt, maar de wereld trekt zich daar niets van aan. De rede is een saus die diegenen die de wereld haar onredelijk wildheid niet kunnen vergeven over haar heen gegoten hebben. Die vergeefse en onkundige koks trachten haar in die domme saus gaar te stoven en voor hun zwakke magen eetbaar te maken. De aarde laat ze rustig begaan, tot het haar te dol wordt, als de kameel die zich door de muis liet leiden. Dan schudt ze alles wat haar niet bevalt van zich af en begint opnieuw.
foto Gerard Heesink
Een gewoon gesprek met God January 12, 2008
Posted by ideeflux in : Een nieuw Begin, +++ , 1 comment so far
Ik zei tegen hem dat hij zich vroeger toch wel erg wreed, partijdig en ijverzuchtig had gedragen en dat hij zich daarmee, althans in mijn ogen, onsterfelijk belachelijk had gemaakt, of belachelijk onsterfelijk – wat misschien wel op hetzelfde neerkomt – en daarmee zijn geloofwaardigheid, wat mij betreft, volledig had verspeeld.
Hij reageerde helemaal niet verbolgen of bestraffend, zoals ik eigenlijk min of meer verwacht had dat hij zou doen, zelfs niet eens meesmuilend of verongelijkt omdat ik hem niet respectvol bejegend zou hebben. Dat viel dus alleszins mee. Hij leek zelfs opgeruimd en monter, alsof het hem wel beviel dat ik zo vrijuit sprak.
- ‘Je moet één ding niet vergeten,’ zei hij, terwijl hij een denkbeeldig pluisje van zijn blauwe mantel veegde, alsof hij met dat enkele gebaar zijn hele blazoen kon zuiveren, ‘er is altijd gezegd dat jullie naar mijn evenbeeld geschapen zouden zijn, maar dat is een misverstand. Het is altijd andersom geweest: jullie zijn het die mij hebben geschapen naar jullie evenbeeld.’
Dat was het hele gesprek.
En het was ook genoeg, meer dan genoeg. Ik vond het een grandioos antwoord.
De dag daarop was het tijd om naar mijn leraar te gaan, mijn meester, degene waartegen ik ooit gezegd had: jij weet meer dan ik, leer mij, leer mij van God. Degene ook waarop ik zo boos was omdat hij zo boos was geweest.
Daar zat hij weer in zijn blauwe mantel. Ik groet hem, ik kniel bij hem, ik kus hem, ik ga naast hem zitten. Jazeker het voelt goed. Het is goed om bij hem te zijn, laat daar geen misverstand over bestaan. Dan moet ik hem de vraag stellen waarvoor ik gekomen ben.
- ‘Waarom heeft u nooit van mij willen leren?’
Eerlijk, dat was de vraag die na dat antwoord van God bij me opgekomen was. Hij kijkt mij aan van onder zijn zware wenkbrauwen. Hij noemt mijn naam, hij schudt zijn hoofd en dan begint hij te lachen.
Ik lach ook. Hij geeft mij een roos, wij drinken een kop thee, wij drinken rozenlimonade, we eten een dadel, een vijg, wat noten. Ik voel me oneindig licht. Ik maak me uit de voeten, ik dans door de straten van de stad.
’S avonds slaap ik de slaap der rechtvaardigen, der vredigen, der eigenaren van eigenheid.
Ik mag mijn schilderijen maken precies zoals ik dat wil, en alle stukjes schrijven zoals ik dat wil. Zo krom, zo recht, zo goed, zo slecht. Ik mag vrij door de paleistuinen lopen, door het paradijs, de tuin van mijn vader, mijn moeder. Ik mag hier gewoon zijn op deze weinig plechtstatige manier, met weinig gewicht, weinig in de melk te brokkelen, maar ook licht, weldadig gewichtloos. Ik hoef nergens naar toe, nergens toe te leiden.
God en ik. Wij zijn twee handen op geen buik.
Zoals wij bij elkaar naar binnen schijnen January 12, 2008
Posted by ideeflux in : Lieve Gedachten, +++ , 3comments
De hele nacht heb ik aan u gedacht, aan jou. Aan hoe wij levende wezens bij elkaar naar binnen schijnen. Hoe het is om op die ene bijzondere manier gezien te worden, alsof het die ene manier van zien is die in ons juist die kwaliteiten tevoorschijn tovert.
Ik dacht eraan hoe ons bewustzijn en onze levenswijze in haast onleesbare tekens inslijten in de palm van onze hand. Hoe die tekens gaandeweg veranderen, terwijl de hiëroglyfen in Egypte onwrikbaar vast gebeiteld lijken te zijn in steen en toch… dat ook zij veranderlijk en zacht zijn als wijzelf, als onze huid, omdat elke keer als wij met onze zaklantaren over die zo dichtbije onleesbaarheid schijnen, zich steeds weer nieuwe interpretaties opdringen. Dat heel de wereld dus zacht en veranderlijk is als de binnenkant van onze hand.
Wij zijn zelf die kamer waar dat licht naar binnen schijnt, als van een passerende auto, een vuurtoren, waardoor onze onverwachte kwaliteiten onthuld worden. Wij zijn zelf dat tastende licht. Jij bent zo ontvankelijk, open zoekend, schuchter doortastend, het is heel apart, de enkele keer dat je mijn kant opkijkt onthult zich iets teers en breekbaars in mij. Ik mag je graag zien en liever nog word ik door jou gezien. Zoals wij mensen, wij levende wezens, wij die eigenlijk geen naam hebben bij elkaar naar binnen kijken, ons aan onszelf laten zien, hoe de meubels staan, het behang is, de vloerbedekking. Het is allemaal van een ongelofelijke schoonheid, dichtbijheid, en oprechtheid.
Wat ik je wilde zeggen is dat ik je wilde bedanken voor dat. Voor er te zijn, voor het af en toe deze kant op kijken van jou. Ik hoop dat je je door mij gezien voelt. Wij zijn zo van hetzelfde. De manier waarop je naar me kijkt onthult in mij precies de kwaliteit waarmee je naar me kijkt. Jij maakt mij, jij maakt mij stralend, en omgekeerd kan het niet anders zijn. Wat ik met mijn tastzoekende blik, mijn vuurtorenstralen tot mijn grote verbazing in jou meen te ontwaren is iets ongelofelijks schoons en teders in mijzelf.
De tijd beitelt hiëroglyfen in onze handen, onze grafkamers zijn leeg, wij openen ze steeds opnieuw, de stralen van onze zaklantarens onthullen steeds meer van onszelf. Ik ben je ongelofelijk dankbaar. Zo gezien te mogen worden. Ik ben je dankbaar voor de aandacht en de tederheid en de nauwkeurigheid waarmee je dit hebt opgeschreven. Ik voel de aanraking ervan, de tot leven wekking. Jij wekt mij tot leven, ik kan niet anders dan jouw schoonheid zijn.
Veegheid January 10, 2008
Posted by ideeflux in : Schilderijen , add a comment
Woordenvoetenbadje January 8, 2008
Posted by ideeflux in : Dialoog met Zelf, Schilderijen, ++ , 1 comment so far
Eindelijk weer eens met zijn tweeën, ik en mij. Met onze twee handen op onze buik, met onze voeten lekker poedelen in een badje met woorden. Vertrouwd, veilig, nietszeggend. Schrijven is niets zeggen met woorden en schilderen is niets zeggen zonder woorden. Na zo’n statement slaat het gewoonlijk dood. Zoveel onversneden waarheid daar zijn we niet tegen bestand. Het moet geserveerd worden in kleine porties, een verhaal krijgen, zoals mos groeit op een steen.
Ik ben dus aan het schilderen en ja, er gebeurt van alles. Van alles krijgt vorm dankzij of ondanks mijzelf. Het materiaal wil ook wat, het vindt zijn weg als bloed dat kruipt waar het niet gaan kan. Bloed, melk, urine. Levenswater. Het wonderlijke van het leven dat het steeds bestaan neemt, dat alles leeft, dat alles onder je handen levend wordt, als een slang. Als mijn saxophoon die een slang werd de zeldzame keer dat ik stoned geweest ben. Ik speelde de sterren van de hemel toen en dat doe ik nu nog of weer. Virtuoos, ongenaakbaar, vreemd, levend. Ik tover van alles te voorschijn en het levert niets op, het hoeft nergens naartoe, het ontstaat, het ontspruit. Het ene woord roept onweerstaanbaar het andere tevoorschijn. Razend
De mannnen van Sluyk breken hele gebouwen af met hun grijpgrage machines. In mijn voetenwoordbadje gebeurt precies hetzelfde. Hele gebouwen gaan tegen de vlakte om elders weer op te rijzen. Structuren ontstaan en gaan teloor. Het verleden wordt herschreven. Ja Saskia, niets is veilig voor mij. Ik eet alles op en alles wat ik opgegeten heb komt op de één of ander manier ook weer naar buiten, net als bij het pantoffeldiertje.
Woordenbad met mijn pantoffels aan.
Een van de mannen van Sluyk leest een boek, ik kan van hieraf zien dat het meer een plaatjesboek is, dan een leesboek. Foto’s met veel roze erop, vrouwenvlees vermoed ik, dat kan ik van hieraf niet zien. De moter slaat af, hij is opgehouden met lezen.
En ik ben bijna opgehouden met schrijven of er moet een klein wonder gebeuren een zomare ingeving, iets wat aan deze woordenbrei alsnog een zinvol einde draait.
Ik wacht gewoon even, misschien dient het zich vanzelf aan.
Misschien ook niet.
Als niet, dan moet het zo zijn, dan is dat de boodschap. Het verwaaien van bladeren, het zich tot zinnen ballen als een soort automatisme, als een soort groei- of levensreflex.
De structuren die onder mijn kwast ontstaan zonder dat ik er bewust sturing aangeef. Die vorm van leven, het vegetatieve. De logica daarvan volgen. De maan op je huid laten schijnen zonder precies te weten wat het is. Je te baden in dat raadsel. Geen voetenbadje maar je helemaal onderdompelen van top tot teen, een transformatie ondergaan. Weer in een nieuwe wereld belanden.
Iets of iemand heeft mij tot dit wezen gemaakt, het enige dat ik hoef te doen is te wachten tot iets of iemand me weer in een ander wezen verandert. [vrij – omdat ik het zo snel niet terug kan vinden – naar Zhuang Zi, vertaling Kristofer Schipper]
Mijn Naam January 5, 2008
Posted by ideeflux in : Tot Jou gesproken, +++ , add a comment
Ik hoorde mijn naam roepen met dat wat ik dacht dat een Oost-Europees accent was. Er moest iemand buiten staan, hier in de sneeuw in Uppsala. Ik gleed mijn bed uit, tot Nina mij terugriep: je was het zelf, je droomde, je riep je eigen naam in je droom.
De avond tevoren was het weer zo geweest dat ik als een gast, als een vreemde, door mijn eigen leven liep. Ik was op de sofa gaan zitten. Wat gebruiken we woorden toch achteloos. Al deze raadsels om ons heen en wij gaan op ze zitten alsof we weten wat ze zijn. Buiten viel de sneeuw uit de glazen hemel.
Sneeuw, witte vormen traagvallend, slowmotion. De lucht is een soort vloeistof. Wij wandelen op de bodem van een nauwe oceaan, de vogels zijn de enige vissen. Wij happen naar lucht.
De kat komt langslopen. Ik weet niet wie hij is. Het lamplicht valt zijn ogen binnen. Hij kijkt in mijn richting. Hij weet ook niet wie ik ben. Hij neemt niet eens de moeite een naam voor me te verzinnen, hij is thuis in de naamloze wereld, ik ben daar alleen af en toe te gast.
Wie riep mij zo-even? Ik dacht dat het mijn leraar was, mijn meester, degene die ik de rug heb toegekeerd, die ik uit mijn hart heb laten vallen als een steen. Was hij het die me riep? Ik probeer mijn hart naar hem te openen, maar er is niets dat resoneert. Dan moet het iemand anders zijn. Je was het zelf zei Nina. Ik was het zelf? Wie is dat dan, wie roept mijn naam met een donker accent, wie staat er buiten in de sneeuw, zo ver weg van huis? Dat wat geen naam heeft kan mij bij naam noemen. Hoe noem ik mijzelf, hoe spreek ik mijzelf aan? Het moment waarop je een kind de naam van een vogel leert is precies het moment waarop het kind de vogel, dat onnoembaar raadsel, voor de laatste keer zag.
Misschien geldt dat ook voor je eigen naam. Het moment waarop je leerde hoe je heette was precies het laatste moment waarop je jezelf, dat onnoembare raadsel, voor de laatste keer zag.
De ogen van de kat kijken glasachtig naar mij. Het lamplicht weerkaatst erin, het onnoembare kijkt mij aan. Ik roep mijzelf, ik roep degene aan in mij die geen naam heeft, het naamloze. Het lamplicht valt mijn ogen binnen, hoog uit de hemel sneeuwt het. Ik roep om binnengelaten te worden. Hij denkt dat ik zijn meester ben. Ik ben het zelf die roept. Hij kent zichzelf alleen maar bij zijn naam. Ik roep hem als naamloze. Vaak laat hij mij roepen, maar nu laat hij mij binnen. Wij zitten warm op de sofa. Ik groet u, ik roep u, ik roep u bij uw naam, maar degenen die reageert, die zich kent bij zijn of haar naam, diegene zoek ik niet.
Ik zoek in jou diegene die geen naam heeft.