Kaïn

Kaïn

Kijk, het is allemaal zo mooi gemaakt.
Je hoeft enkel maar om je heen te kijken, alles heeft zijn plaats. God heeft alles een plaats gegeven. De hemel boven, de aarde beneden.
De muren staan recht overeind om het dak omhoog te houden.
Wat zou er gebeuren als de muren niet zouden doen waarvoor ze gemaakt zijn?
Precies.
Alles heeft zijn plaats en alles heeft zijn functie. Kan het nog eenvoudiger?

Nou voor mensen geldt dus precies hetzelfde. Ze moeten hun plaats innemen en hun functie vervullen.
Ik kan me daar zo kwaad over maken.
Afspraak is afspraak, voor mij is dat heel simpel.
Je maakt een afpraak, je zegt ergens ja tegen en dan doe je het ook.
Ja is ja, en nee is nee.
Kan het nog simpeler zijn?
Nou voor sommige mensen is dat blijkbaar helemaal niet simpel. Voor hen zou ja ook wel een beetje ja kunnen zijn of misschien zelfs nee.
Sommigen zeggen weliswaar nee, maar als je doorvraagt bedoelen ze toch weer ja. Daar kan ik zo giftig over worden. Draaikonten noem ik dat.
Neem nou mijn broer.
Een beste kerel, dat hoor je te zeggen van je broer en dat zeg ik ook. Een beste kerel, dat is het, nooit een vlieg kwaad gedaan.
En weet u waarom niet?
Omdat ie daar te beroerd voor is, te lamlendig. Te beroerd om een poot uit steken. Het is zonde dat ik het zeg van mijn eigen broer, mijn eigen vlees en bloed. Maar hij is nog te lui om een vlieg kwaad te doen.
Sommigen zeggen dat hij er te lief voor is.
Te lief om een vlieg kwaad te doen.

Nou ja misschien zit daar ook wat in. Het is een lieve jongen.
Maar ik zou zo graag zien dat hij eens ergens zijn schouders onder zou zetten, iets aan zou pakken en het vervolgens af zou maken. Wat is daar nou in godsnaam voor vreemds aan?
Voor mij is het gewoonste zaak van de wereld.
Als ik een veld ploeg, dan begin ik linksonder en eindig ik rechtsboven en als ik stop dan heb ik dat hele veld geploegd. Met rechte lijnen. Vind u dat gek. Nee, natuurlijk niet.
Alles zijn plaats: mijn ossen voor me uit, het staal van de ploeg in het recht van de voor en ik daarachter. Links het slecht, rechts het goed en mijn ploeg keert de aarde van slecht naar goed, van links naar rechts. En als ik daar zo loop en samen met mijn ossen de aarde openploeg dan ben ik gelukkig. Dan voelt het net of de grote God mijn borst openploegt, dwars over mijn hart en het zaad naar binnen smijt en uit mijn keel wellen psalmen op en dan zing ik uit volle borst: Blijf bij mij Heer, de avond is nabij…

En als ik aan het eind van het veld een draai maak met mijn ossen dan maak ik een volle draai van 180 graden. Geen 179 graden, geen 181 graden maar exact en precies 180 graden. Dat hoef ik u toch niet uit te leggen?

Ik ben blij dat ik mijn zaakjes goed voor mekaar heb.
Zelf gezaaid, zelf geoogst, zelf gebouwd en zelf volgestouwd met het goud van de aarde. Ik geloof dat ik wel graan voor drie winters heb.
En ik zie die armoedzaaier al aankomen. Pet in de hand. Voor een brood, voor een petje graan.
Ik kan het niet, ik kan het niet meer.
Mijn vrouw is precies hetzelfde, mijn vrouw is net als ik, recht door zee, maar dan harder. Vrouwen zijn altijd harder dan mannen, genadelozer. Het zwakke geslacht? Ha, ha,ha.
Ja, ha, ha, ha. Wie dat gelooft die zou zichzelf eens na moeten laten kijken. Het is een mythe, een kwaadaardige legende.
Ja, mannen vechten in de oorlog, inderdaad ja, maar denk nou toch eens even na, nondeju. Waarvoor gaan ze de oorlog in, waarvoor laten ze zich afslachten op het veld waar geen eer te behalen is? Voor huis en haard! Voor de kinderen! Voor het wijf haar hebben en houwen, voor het wijf haar glorie!
En wat, als je daar wat dieper op ingaat, is de glorie van die vrouw dan wel? Dat is het tussenbeense, om het netjes te zeggen, dat is het heilige der heilige waar wij mannen alleen met de gratie Gods toegang toe hebben. Die heilige harige grot, dat is waar wij vandaan komen, de toegangspoort tot de wereld, tot het leven, maar dat is ook waar wij ons hele leven naar terugverlangen, waar wij ons, arme sloebers, in onze eindeloze onnozelheid, voor doodvechten, ons leeg laten bloeden. Het geslacht van de vrouw is het Alpha en het Omega van deze wereld. Wij komen eruit voort en we leggen er het loodje voor.
Was het niet voor de vrouw, waarachtig ik zweer het, we zouden hier in vrede leven.

Ik had het over Abel, die onnozele hals van een broer van mij, die lieve jongen.
Als die in het midden van de winter aan de keukendeur komt, dan stuurt ze hem weg, al steken z’n tenen door zijn schoenen al vriest het hemd vast aan zijn gat, ze stuurt hem weg. Ze smijt de deur in zijn gezicht.
En ik heb het hart niet om tegen haar in te gaan.
Als ze klaar is met tieren dan maak ik een ommetje met de hond, dan stop ik hem iets toe. Zo help ik hem de winter door, maar ik kan het niet meer.
Het is niet goed.
Ik bedoel het zou anders moeten zijn.
Zo kan God het onmogelijk bedoeld hebben. Onze God is een barmhartige God, dat is waar, maar hij is vooral een rechtvaardige God: Wie niet werkt zal niet eten.
Hoe zal hij ooit leren voor zichzelf te zorgen als ik hem blijf bijvoeren.
Nee je moet rechtlijnig zijn in die dingen, niet schipperen.
God heeft blijkbaar zijn voorkeuren.
Kijk naar mijn huis, kijk naar mijn graanschuur, kijk naar mijn broer.
Ben ik mijn broeders hoeder?
Goeie vraag.
Wat zegt God tegen diegene die zijn ene talent in de aarde begraaft en het niet vermeerdert?
Ik weet niet meer wat het was, maar het was niet veel goeds. Nee deze God, en zo staat het ook geschreven, helpt alleen diegene die zichzelf helpt.

Als een vogel uit het nest valt voor dat ie kan vliegen, wat gebeurt er dan?
Wat doe je als een paard een gebroken been heeft? Sommigen zeggen: dat is hardvochtig.
Ik noem het mededogen.
Het is de hand van God.
Ik zie het als een zaak van liefde als ik er uiteindelijk toe zou kunnen besluiten om mijn broer uit zijn lijden te verlossen.