Het Snurkorkest November 21, 2010
Posted by ideeflux in : Een nieuw Begin , add a comment
Ik zit aan de rand van de vijver, om te zien wat er omhoog komt uit de donkere diepte, om te zien wat zich wil weerspiegelen.
Ik heb blond haar. Het is windstil. Niets beweegt. Ik adem. Het ademt. Het ademt mij. Ik ben een dier. Mijn lichaam denkt voor zichzelf, handelt, reageert, en daarenboven heb ik een hoofd dat denkt. Het drijft als een lotusbloem op het water. Het water is mijn lichaam, de wolken zijn mijn gedachten, de groene bergen zijn mijn voorouders, mijn familie. Alles om mij heen is familie. Het ademt mij. Er is geen frons, geen argwanende gedachte in dit aanwezig zijn. Alles speelt zich in mij af, alles vindt plaats in mij, ik vind plaats in dit alles. Ik gebeur. Ik heb mij overgegeven aan dit gebeuren, er is hierin niets dat ik voor mijzelf houd, waarvan ik zeg: dit is van mij, dit is een gebied dat niemand mag betreden. Zulk een gebied is er niet. Zowel naar buiten als naar binnen zie ik dezelfde wereld. De ene weerspiegelt de andere zodanig dat ik niet meer weet wat binnen of buiten is. Het is vredig. Het is alomvattend, het laat geen ruimte voor twijfel. Alles is vol van zelf, van Zelf, van zelfvervullende voorspelling, van zelfspiegelende daden. Er is geen ruimte voor iets dat er op één of ander manier niet bij zou horen. Alles heeft immers een achterkant die, als je het goed bekijkt ook weer een voorkant is. Als ik inadem ademt het uit. Wij zijn één en hetzelfde wezen. Jij en ik, wij passen zo volledig in elkaar dat er geen ruimte overblijft. Een kind wordt in die ruimte geboren, bepaalt zijn profiel door de tussenruimte die het weet op te eisen en ademt mee in het grote orkest.
Wij liepen overdag met zijn allen naar hetzelfde doel, ieder voor zich, maar ’s nachts sliepen wij samen in grote slaapzalen, slaapzalen, waar wij massale dromen orchestreerden, waarbij we zelf de filmmuziek componeerden. Iedereen droeg daar zijn steentje aan bij, door al of niet in bed te draaien, door zacht of luidruchtig te ademen en natuurlijk door al of niet te snurken. Het machtige leger der snurkers voerde vanzelfsprekend de boventoon maar het was verrassend hoe subtiel de symfonie was die het ten gehore wist te brengen. Het maakte dat ik me thuis voelde, deel van het grote geheel.
Er was echter één solist die zijn snurkpartijen dwars tegen alle conventies in zaagde, een losgeslagen oersnurker, een snurkschurk, een snurkbandiet, een vrijgevochten losgeslagen anarchistische protestsnurker, die zich van de hele door ons onbewust opgebouwde civilisatie niets aantrok en alle democratische regels van fatsoen en afstemming aan zijn laars lapte. Het duurde twee vrijwel slapeloze nachten voordat ik er achter kwam welke alledaagse fysieke verschijningsvorm bij de oproersnurker paste. Het bleek een Fransman te zijn met een grote rode snor. Hij leek een beetje op de vishandelaar uit Asterix en Obelix die in de Nederlandse vertaling geloof ik Kostunrix genoemd wordt. Vanaf dat moment had ik er een dagtaak bij, namelijk het proberen te vermijden op dezelfde overnachtingplaats voor anker te gaan als de duivelse snurker. Ik kan me nog het gevoel van zelfvoldaanheid herinneren waarmee ik op een avond na een extra lange en snelle dagtocht onder de douche stond en voor de eerste keer durfde te denken aan een glorieuze overwinning en zachtjes voor mezelf fluisterde: mission completed, snurkmouse defeated. Maar wie stond daar met scheerzeep op zijn kin aandachtig en quasi onschuldig in de spiegel te turen toen ik eindelijk uitgedoucht was? Jawel het was Kostunrix zelf, de ongekroonde koning van het nachtelijke houtzagen, de dwarsliggende snurktoerist die al zo menig loper naar het heilig doel tot wanhoopsdaden had gedreven.
Ik moest er zelf om lachen. Het was het noodlot. Zie je wel, ik had geen keus, er is geen keus, wij kunnen niets buitensluiten, hoe graag we dat ook zouden willen, we moeten alles wat er is erbij nemen.
Die avond besloot ik mijn oren te openen en mijn harmonische ruimte op te rekken zodat ik in staat zou zijn le ronfleur terrible er ook bij te laten horen. En ja hoor, die nacht waren wij allemaal in bloedvorm. Het snurkorkest, de zucht- en steunsectie, de afdeling der piepende bedden en ik met mijn opgerekte hoorwilligheid. En… ja, ik had het kunnen weten. Vanuit een miezerig perspectief zou je het teleurstellend kunnen noemen als het niet eigenlijk veeleer een bewijs van de ondoorgrondelijke wijsheid van het universum was. Hij, mijn snurkvijand die ik nu, door mijn innerlijke tegenstrevingen op te geven, uiteindelijk tot snurkvriend, tot boezemsnurker had weten te transformeren, soleerde nog steeds – uiteraard, want dat lag door zijn krachtige volume, brede toonzetting en uitgesproken karakter nu eenmaal in zijn aard – maar op één of ander manier leek het te passen, leek het of hij, door zijn solopartij de andere muzikanten meer tot hun recht deed komen en alsof hij de totale performance door zijn strijdbare aanwezigheid meer reliëf en diepte gaf. Kortom, hij snurkte de sterren van de hemel. En ik? Ik genoot er maar kort van, want ik sliep als een roos.
Het Ontvangen November 20, 2010
Posted by ideeflux in : Een nieuw Begin , add a comment
Er valt wederom niets te zeggen, maar ik laat me daardoor niet uit het veld slaan. Ik ben juist erg nieuwsgierig naar zaken waarover niets te zeggen valt. Het is fijn om te schrijven, om letters aan elkaar te rijgen tot woorden, woorden te arrangeren tot zinnen, zinnen te ordenen tot een verhaal en het verhaal tenslotte te gebruiken om dieper tot de stilte door te dringen, die je even tevoren door diezelfde woorden hebt laten verstoren.
Buiten sneeuwt het. Oneindig veel en fijne vlokken die als een regen neerdalen leggen een deken van stilte over onze woorden, daden en gedachten. Ik ben de aarde. De sneeuw daalt op mij neer. Ik zit in mijn stoel. Er daalt een fijne regen van liefde op mij neer. Ik hoef daar niets voor te doen. Het daalt, ik zit.
Alles is er al, alles is zwijgend rondom mij aanwezig. Alles wacht op mij, wacht geduldig tot ik thuiskom, aankom op de plek waar ik al die tijd al was. Ik hoef mij enkel te openen om te ontvangen van al wat er aan overvloed aanwezig is.
… November 18, 2010
Posted by ideeflux in : Het Mompelen , add a comment
Hij scant de holle ruimte, het lege universum waaruit hij blijkbaar bestaat. Verkenningsschepen worden uitgezonden maar keren onverrichterzake terug. Niets maakt zich kenbaar. Spaarzame sneeuw valt met grote ruimte tussen de kleine vlokken en in die ruimte staan huizen en bomen op gepaste afstand van elkaar. Er is meer ruimte dan materie, meer niet-zijn dan zijn, meer vrede dan wrok, meer stilte dan geluid, meer woordloosheid dan dat er wat te zeggen valt.
Wie denk je dat ik Ben? November 13, 2010
Posted by ideeflux in : Een nieuw Begin , add a comment
Wat doet mijn hart zingen?
Deze vraag bijvoorbeeld.
En de ruimte die zij reeds bij voorbaat
aan mijn hart lijkt te geven.
Ik kon mij soms zo heilig voelen, zo geliefd, zo deel van het geheel, zo uitverkoren. Ik had van berkentwijgen een krans gemaakt en die op mijn hoofd gezet. De grote berkenboom had welwillend en bemoedigend toegekeken terwijl ik de blauwe houten trap naar de openslaande deuren beklom en zwijgend, verheven en onzeker voor mijn vader ging staan die zijn krant na een ogenblik van aarzelende weerstand terzijde vouwde. Op zijn gezicht las ik ogenblikkelijk het antwoord op de vraag die ik desondanks stelde: wie denk je dat ik ben?
Sindsdien draag ik de zinnen bij me die zijn ogen spraken, de lidtekens van de ogenblikkelijke kruisiging die ik stante pede moest ondergaan. Dit is grotesk, dit is misplaatste hoogmoed, de jongen weet duidelijk zijn plaats niet, ik heb het altijd al geweten. Er was zulk een volledig overtuigd misprijzen in zijn blik dat ik mijn doornloze kroon, het teken van mijn lijdenloze hemelse afkomst gehaast afzette. Meende ik zomaar rond te kunnen lopen in Gods oneindige liefde, in zijn eindeloze tuin? Kon ik mij straffeloos zijn zoon noemen?
Het was precies zoals het geschreven staat. Schaamte werd mijn deel. Schaamte verjoeg mij uit het paradijs en uit schaamte bedekte ik mijn edele delen, mijn edele afkomst, mijn edele natuur. Ik werd een gesluierde man. Dat wat het mooist in mij was, het meest gevoelig, als toentertijd mijn tong, als de glans van mijn piemeltje dat dankzij de iets te nauwe voorhuid slechts zelden het daglicht zag, zou ik nooit meer laten zien.
Er is een vreemde afgunst in de mensen die er voor zorgt dat ze anderen aandoen wat henzelf is aangedaan. Geen fanatiekere voorstanders van vrouwenbesnijdenis dan de vrouwen die eens zelf besneden werden. Wij martelen elkaar om het mogelijke ontluiken van onze eigen schoonheid te voorkomen. Omdat onze eigen schoonheid, heelheid en zuiverheid zo nadrukkelijk, zo definitief ontkend werd kunnen we haar maar moeilijk in de ander zien stralen. De schoonheid van de ander brengt ons op zo pijnlijke wijze onze eigen teloorgegane schoonheid in herinnering dat we te vuur en te zwaard zullen pogen haar te niet te doen. Wij hebben ons zo moeten aanwennen om onze eigen schoonheid te onderdrukken dat we dat ogenblikkelijk en zonder na te denken bij de ander – ons kind, onze geliefde – zullen doen. Wat van mij werd afgenomen, zal jij nooit hebben.
Nu is alles anders. Eindelijk ben ik er mee gestopt mijn arme hart over zielloze vlakten voort te jagen met de zweep van gij moet en gij zult. Ik ben gestopt met rennen en mijn hart is gestopt met rennen. Wij hebben de armen om elkaar heen geslagen en hijgen na, allebei nog een beetje moe, nog steeds ontdaan over het vreemde spel van afstoting en verlangen dat ons zo lang in zijn ban hield.
Mijn vader had ongelijk indertijd, maar wel met het grootst mogelijke gelijk van de oude wereld aan zijn zijde. Hij wist zich simpelweg geen raad toen zijn eigen mateloze schoonheid het waagde zich die onwezenlijk lichte lentemorgen in al haar onverbloemde naaktheid aan hem te vertonen.
Er is geen weg tot de vader dan door de zoon. Onze eigen volwassen verbondenheid en vereenzelviging met God bloeit open als we ons het oude eeuwige verbond kunnen herinneren waar we als kinderen deelgenoot van waren.
Alle woorden zijn schepen op een eindeloze zee. Zij zwermen door de eeuwen met hun vreemde lading aan betekenissen. Er bestaat geen tijd meer op het moment dat ze aanleggen in de haven van het hart, als hun lading naar waarde geschat en in liefde verhandeld wordt, als het tijdloze omarmen, van dat wat een eeuwigheid lang voortvluchtig, ontastbaar en ongrijpbaar leek te zijn, een aanvang neemt.
Paul Brunton dagelijks op internet November 3, 2010
Posted by ideeflux in : Ideeflux , 1 comment so far
Vanaf 10 Oktober 2010 kunt u zich elke dag laten inspireren door een aantekening van Paul Brunton. Daartoe bent u van harte welkom op paulbruntondailynote.se
Dr. Paul Brunton [1898-1981] was een Wijze, een verlicht persoon die gedurende zijn leven onafgebroken in verbinding met het hoger Zelf stond. Als één van de meest dynamische spirituele schrijvers van onze tijd heeft hij meer dan 30 titels op zijn naam staan.
Aan het eind van zijn leven schreef PB:
“Onvermijdelijk komt er een dag dat deze pen niet meer zal bewegen en daarom wil ik, ten behoeve van allen die na mij komen, een heilige en verheven getuigenis afleggen: Ik weet – zo zeker als dat ik weet dat ik niet de pen ben die deze regels schrijft – dat er zich in de harten van alle mensen een liefdevol, wijs, beschermend en goddelijk wezen bevindt, dat, in het algemeen Ziel geheten, door mij Overzelf genoemd wordt en dat echt bestaat; daarom kan iedereen haar ontdekken… Want de aanwezigheid van zijn eigen diepste innerlijke goddelijkheid staat er borg voor dat de mens haar onontkoombaar zal zoeken en vinden.”
Ochtendgymnastiek July 28, 2010
Posted by ideeflux in : Het Mompelen , add a comment
Hoe de levensstroom ons meevoert. Hoe de levenssappen door ons lichaam stromen. Hoe wij langzaam openen voor wie we werkelijk zijn.
Dit ademen is natuurlijk meer dan genoeg. Wat is onze ambitie?
Twee weten meer dan één.
Twee nooit gedwongen, nooit gezongen, twee averecht.
Een gerecht voor twee.
Het ongekende lichaam met haar ongekende mogelijkheden.
Of wij er wonen? Het is ons nest, we vliegen er af en aan, om de jongen te voeren. En dat is dan ook de enige tijd die we er doorbrengen. We hoeven zelf niet meer te eten. Het hoeft niet meer. Wij downloaden de goddelijke manna rechtstreeks uit de hemel, zoals te doen gebruikelijk was bij de oude volkeren, toen wij nog jong waren. Lijfelijk sterk en geestelijk volgroeid.
Ik zoek iets, dat weet ik zeker. Ik weet niet exact wat ik zoek, maar ik zoek iets door middel van deze woorden. Ik wil… iets gestalte laten krijgen, gedaante laten aannemen. Het is… de geur van vrijheid, de geur van het schijnbaar onmogelijke dat binnen handbereik ligt. De onwaarschijnlijke vreemdheid van het leven. Het zelfcreërende daarvan, het zelfzoekende, zelfbevestigende.
Vergeet wat je weet, zet de deur open, laat de adem van God langs je wanden stromen. Dat de levende dag je hebben mag.
Wat Nu? July 22, 2010
Posted by ideeflux in : Dialoog met Zelf , add a comment
Opeens weer terug op deze plek, aan de sneeuwwitte rand van mijzelf, aan de branding, aan het schoorvoetend begin van een oneindig breed strand. De woorden glijden als voorgesproken kiezels over elkaar, slijpen elkaar tot rond, tot meegaandheid.
Moge ik in mezelf komen tot de plek waar het toe doet, zodat ik weet waar het over gaat, zodat ik weet waarop ik mijn keuzes, mijn handelen baseer.
We lopen door het park, het arboretum, ik weet precies waar. Ik heb blijkbaar een ribfluwelen broek aan want ik hoor zwoesj, zwoesj onder het lopen. We lopen in de zon op zanderig droge kiezelpaden en even later in de paarse schaduw van de bomen. Zo ervaar ik de volwassenen om mij heen ook, als lichtere en donkerder plekken, als warmer of koeler, als nabij of verder afgelegen, toegankelijk of afgeschermd. Ik loop dus als het ware gelijktijdig door verschillende landschappen.
Een eind verder hield de wereld heel beslist op met een soort ruk alsof ik vast zat aan een eind touw. Daar was voor lange tijd geen verder meer, tot uiteindelijk, veel later, toch weer wel. Dan werd het eind van de wereld met een gewaagde uittocht net nog een stukje verder gelegd. En zo is het gebleven.
Mensen zijn nog steeds min of meer ontoegankelijke landschappen en in mijzelf heb ik grenzen afgebakend waar ik maar zelden over heen ga.
Ging ik nog maar eens de goudvissen voeren in dat zelfde park, dat wil zeggen, waarom zou ik niet met een afgemeten kleinheid, overzichtelijkheid op pad gaan. De grote vragen mijden, nee, de grote vragen tarten door ze aan originele kleinheid te meten.
Waarom gaan we niet met moeders en Does wandelen in het bos?
Waarom niet?
Er loopt een kind in ons mee dat maar weinig aan hets trekken komt. Het zeurt allang niet meer want er wordt toch nooit naar geluisterd. Wij zijn afwisselend zonnig, schaduwrijk, bereikbaar en ontoegankelijk voor hemhaar, voor het, voor het vragende, het willende weten, het uitreikende.
Het leunt tegen mijn knie. Wat of ik aan het schrijven ben en of het nog lang duurt.
Ik voel mij open als het gras, als een zachtzonnige weide. Ik til hem naar binnen. Ik til mij naar binnen, op naar de onafzienbare groene vlakte, naar het land van de onbegraasde mogelijkheden.
De Gedachte God May 29, 2010
Posted by ideeflux in : Syrion , add a comment
God van de gedichten, de gedichte gedachten, de Verdichte-Gedachten-God, het Goddelijke dat gedachten verdicht tot dat wat substantie van leven wordt… hoor mij aan. Zing in mijn oor, herschep mij tot hemelse muziek, tot een structuur van harmonieën. Breng mij naar de plaats waar alles op zijn plek valt. Laat mij op die plek gaan staan en van daaruit mijzelf naar huis roepen. Voor mijzelf een licht hooghouden over de woelige baren, in de donkere nacht.
Er is alleen maar rust. Langzaam ademt een zomerwind over de stille Zuidzee van mijn middenrif. In mijn onderbuik schemerflitsen traag, onbegrepen, niet-herkende onderwaterwezens van allerlei soort. Er is rust en er is beweging. Soms komt één van die tot dan toe gezichtsloze monsters het strand van mijn blikveld opstrompelen en veroorzaakt ogenblikkelijk chaos en consternatie onder de badgasten die daar in minieme kleding liggen te genieten van wat ze hun welverdiende rust noemen. Bijna altijd richt die paniekachtige reactie oneindig veel meer schade aan dan dat wat het vaak onschuldige schepsel door eigen actie veroorzaakt.
Ik train mijn badgasten nu om kalm te blijven, om hun volle aandacht en zo mogelijk mededogen te geven aan dat wat in zekere zin hun familie is, een nakomeling uit het hetzelfde eindeloos lange geslacht van gedachten.
Zelfde bloed, zelfde angsten, zelfde consistentie.
Zelfde God.
Zelfde Gedachte God.
Zoveel te Doen May 2, 2010
Posted by ideeflux in : De Toekomende Tijd , add a comment
Er is zoveel te doen, ogenschijnlijk. Een reis boeken, de tuin en het huis opruimen, een afspraak maken. Ik kies ervoor om deze afspraak met mijzelf na te komen, de afspraak om mijzelf af en toe te zien, te voelen, door te luchten.
Er zijn zoveel verschillende mensen op de wereld. Als zij zingen laten zij hun hart spreken. Ik zie hun schoonheid.
Mijn hart zingt op deze wijze. Ik zie mijn schoonheid.
’S morgens loop ik naar de schoolbus met een tas op mijn rug. Ik ben een oudere man nu, maar toch ben ik pas elf jaar oud. Eerst loop ik de straat uit die eindeloos lang lijkt. Het gaat traag alsof ik tegen een berg oploop. Aan het eind van de straat ga ik naar links en dan rol ik als het ware haast vanzelf naar het busstation. Gistermorgen realiseerde ik mij pas dat ik elke morgen met mijn voeten een berg op de aarde teken. Er is een zekere platheid aan de manier waarop de wereld rond is. Daar bedoel ik mee, dat zelfs het rond zijn van de aarde niet meer dan een idee is net als het idee dat wij afgescheiden van elkaar zijn.
Omdat we in een droomwereld leven is het van het allergrootste belang hoe we onszelf en alles om ons heen interpreteren – de zon schijnt heel even naar binnen, mijn hart opent zich als een bloem.
Dat wat we menen te kennen, dat waarvan we menen te weten wat het is, onttrekt zich juist daardoor aan onze waarneming. Ik stelde mezelf de vraag: wat is het dat ik zie en juist op dat moment liepen twee jongemannen met stevige pas mijn blikveld binnen en even later er weer uit.
Zij betekenen pas iets voor mij als ik ze mee naar binnen neem.
En ja, ik herken ze wel, die woorden: jongemannen met stevige pas.
Het zijn Baire en ik op weg naar ons doel. ‘Eén bloeiende bloem trekt honderd bijen aan,’ zegt hij, ‘daarom moeten wij samen het begin maken. Het maken van het begin is het allermoeilijkste.’
In deze zoveelheid zijn, in zowel zonlicht als vogelgezang. En ook nog een lichaam en een huis en andere lichamen. En ook nog muziek en eten en kleuren en warmte.
Hoe interpreteren we onze droom. Hoe geven we een plaats aan elkaar in onszelf? Hoe spreken we met onszelf? Wat voor woorden houden we onszelf voor? Hoe fantastisch en beweeglijk staan we de wereld toe te zijn? Wat is de bandbreedte, de speelruimte van onze woorden?
Vraagje [hij probeerde krampachtig zich zo casual mogelijk voor te doen, hij probeerde de terloopsheid van zijn vraag te benadrukken]: ‘wanneer werd de wereld geschapen?’
Hij [parmantig]: ‘wij scheppen de wereld elk moment opnieuw door onze gedachten, door de woorden die we kiezen. Dit prachtige vindt geen einde. Van alle sombere gedachten is geen spoor van bewijs te vinden. Ga je goddelijke weg. Ga je goddeloos goddelijke weg. Bedenkschep de wereld in overeenstemming met je verlangen’
Natuurlijk ben ik Jouw Geliefde April 3, 2010
Posted by ideeflux in : Lieve Gedachten , 1 comment so far
Ik schud mijn glazen toverbol om te zien of het nog werkt, om te zien of er weer wat verrassends uitkomt, iets hemeltergends, iets tongstrelends.
Nog even schudden en dan neerzetten om te zien hoe de sneeuw langzaam neerdaalt en de bekende vormen bedekt en daardoor onbekend maakt, ongekend. Tasten in het duister onder de sneeuw naar wie je meent te zijn. Schudden voor gebruik.
Dit schijnbaar niet perfecte heeft vlak onder de oppervlakte een… hoge graad van volmaaktheid, van juistheid. Scheef in de stoel zitten en het toch als evenwichtig ervaren. De niet-afheid van alles om je heen, de ongeordendheid, als harmonie, als een zacht zingen tot je laten komen.
Het is, eindelijk weer eens ik en mezelf, ik en u, jij en jou. Wij tweeën, jullie beiden, in dit rond zijn, dit af zijn. Wij zijn aangekomen op de plek van bestemming. Niet voor even, maar voor altijd. Wij onderzoeken pijn als iets nieuws, iets dat op eigen wijze meezingt in het grote koor der dingen. Er zijn zoveel melodieën die nog door niemand gezongen zijn.
Er zijn verplichtingen, dat is waar, maar er is de nog veel grotere verplichting om zich daaraan te onttrekken. Om aan de voeten van Jezus te zitten. Zijn voeten met je haren te wassen. Samen te zijn met de geliefde. Het hart te laten breken over het leed van de wereld. Er is geen toeval. Het komt naar je toe om je op rigoureuze wijze te beminnen, je open te breken, je klein te maken en daardoor groot te laten zijn.
Zij woonde in een klein dorpje. Ik schrijf zij, maar ik bedoel natuurlijk ik. Ik woonde in een klein dorpje. Ik heb altijd in kleine dorpjes gewoond. Zelfs steden als Rotterdam, Maastricht en Parijs reduceerde ik moeiteloos tot minieme gehuchten. De bakker, de dokter, de vrouw van de dominee. Ik kende er net zo niemand.
Ze woonde er niet in, maar er juist buiten. Juist buiten het bereik van mensen, het bereik van medelijden, zodat ze in de loop der jaren naar haar eigen vorm was gezakt, compleet haar eigen model had gekregen. Ze had haar eigenaardigheid in grote kleurige bogen op haar eigen hemel geschilderd en daaronder bloeide ze als een merkwaardige bloem tussen alles wat ze vond op land en tuin en straat. Omdat alles een grenzeloze schoonheid had, gooide ze nooit iets weg. Haar schatten stapelden zich op tot meer dan manshoge torens waar ze met blijde trots tussendoor laveerde, terwijl een gigantische blauwe regen die het kleine huisje in een intieme wurggreep had, een dodelijke omhelzing, het slotakkoord vormde van een symfonie van kleuren en vormen, van planten en dieren die zich, aangetrokken door de wet van het toelaten, van tuinhek tot aan voordeur hadden opgehoopt.
Toen ik er op bezoek kwam, door de tuindeur uiteraard, daar de voordeur en het halletje al sinds heugenis, een half mensenleven, een eeuwigheid dus, volledig ontoegankelijk waren, ontgroef zij mij een stoel. Beeldhouwde, schatgraafde, archeoloogde zij mij een stoel vanonder stapels oude kranten en verpakkingen. Ik was de koning te rijk. Ik zat op een troon. Ik was op bezoek bij een echt mens en ik voelde me blij en trots en ook een beetje echt.
Zij ging op zoek naar koffie, maar ze vond thee, en gevulde koeken in drie soorten van onvergankelijkheid: hard dor, zacht droog en pulver licht. Ik proefde, uiteraard, van alle drie een beetje. Het was er licht, de zwaartekracht had er weinig invloed en zij met haar grote lichtblauwe ogen en haar meisjesachtigheid was licht van gemoed, licht van gewicht, als haar eigen over-de-datum-koeken. Ik voelde me gezegend. Ik zat en spoelde droge koek weg met inktzwarte thee. Wij hadden niets te zeggen. Ik had een grote bos ridderspoor meegenomen ter ere van het overlijden van mijn moeder, waarvan zij de getikte vriendin was geweest. Ik ben als haar. Gevormd door dezelfde hand, door dezelfde hand tot milde waanzin gedreven, als wrakhout aangespoeld, uitgeloogd, opgegeven. Even lagen we dus zij aan zij op hetzelfde strand, bezagen elkaar met een blik van herkenning, besnuffelden elkaar als soort- en stalgenoten.
Toen ik wegreed zag ik haar in de achteruitkijkspiegel. Zij stond midden op de weg en zwaaide met wijde armgebaren, alsof wij geliefden waren, alsof wij geliefden waren.
Omdat wij geliefden waren. Omdat wij onze geliefden zijn. Omdat wij zijn als dat wat aanspoelt op een winderig strand. Omdat wij zijn wat wij oprapen en liefkozen, verzorgen als was het te vondeling gelegd. Omdat wij uiteindelijk alleen maar dat zijn wat wij in ons hart te slapen leggen, dat waar wij een bed voor maken.
Wij zijn dat wat aanspoelt en dat wat ons opraapt, wij zijn dat wat ons verzamelt en ons bij elkaar legt als een geraamte van uitgeloogde takken, botten. Wij blazen onszelf tot leven door het zachte weefsel tussen die botten te vormen, door zo zacht, zo leefvoelend te zijn, dat we dat wat toevallig gevonden en bijeengewaaid werd tot eenheid ademen, tot leven leven.
Natuurlijk is zij mijn geliefde, ben ik mijn geliefde, ben ik jouw geliefde.